ECLI:NL:GHAMS:2026:3

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
200.349.878
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van het Gerechtshof Amsterdam in een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis. Het verzoek is ingediend door een rechtspersoon naar buitenlands recht, hier aangeduid als [appellant], tegen een andere rechtspersoon naar buitenlands recht, aangeduid als [geïntimeerde]. De mondelinge behandeling vond plaats op 28 november 2025, waarbij alleen [appellant] aanwezig was. Het hof heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] niet behoorlijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, omdat de oproeping niet volgens de vereisten van het Haags Betekeningsverdrag heeft plaatsgevonden. Dit leidde ertoe dat het hof de beslissing op het verzoek heeft aangehouden en een nadere mondelinge behandeling heeft bevolen. De partijen zijn verplicht om de oproeping op de juiste wijze te herhalen, en het hof heeft een nieuwe zittingsdatum vastgesteld voor 21 oktober 2026. De uitspraak benadrukt de noodzaak van correcte oproeping in internationale procedures en de gevolgen van het niet naleven van deze regels voor de rechtsgang.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.349.878/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant], rechtspersoon naar buitenlands recht,
gevestigd te [plaats 1] ( [plaats 7] ),
verzoekster,
advocaat: mr. J.C. van Nass te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,rechtspersoon naar buitenlands recht,
gevestigd te [plaats 2] ( [plaats 6] ),
verweerster,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Procesverloop

[appellant] heeft bij verzoekschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op [datum 2] , verzocht om - uitvoerbaar bij voorraad - erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis van de [Bedrijf] ( [plaats 3] ) (hierna: [Bedrijf] ) van [datum 1] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit geding (hierna: het arbitraal vonnis of het vonnis).
Op 14 november 2025 heeft [appellant] nadere producties ingediend (producties 11 en 12).
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2025. Bij die gelegenheid is alleen [appellant] verschenen. Namens [appellant] is [naam 1] verschenen, bijgestaan door mr. Van Nass voornoemd en mr. P.C. Leclercq, advocaat te Amsterdam. Mrs. Van Nass en Leclercq hebben ter zitting het verzoek van [appellant] nader toegelicht aan de hand van een overgelegde pleitnotitie en vragen van het hof beantwoord.
Aan het slot van de mondelinge behandeling is uitspraak bepaald op vandaag.

2.Achtergrond van het verzoek

Het hof gaat bij zijn beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten, die uit de (door [geïntimeerde] niet bestreden) stellingen van [appellant] en uit de door [appellant] overgelegde bewijsstukken volgen.
2.1
Tussen partijen is op [datum 1] een in de Engelse taal gesteld arbitraal vonnis gewezen door de [Bedrijf]
2.2
Het arbitraal vonnis heeft betrekking op een geschil tussen partijen over de nakoming door [geïntimeerde] van twee overeenkomsten: de
[bedrijf 1]van [datum 3] , zoals aangepast door een
[naam 2]van [datum 4] (hierna: de [naam 2] ) en de
[naam 3]van [datum 5] (hierna: de [naam 3] ) in de periode tussen [datum 6] . De [naam 2] en de [naam 3] zijn raamovereenkomsten die op de individuele verkoop van [woord] van toepassing zijn. Zowel de [naam 2] als de [naam 3] kennen een arbitragebeding, waarin is bepaald dat geschillen zullen worden beslecht via internationale arbitrage in [plaats 4] ( [plaats 3] ) volgens de [naam 4] , met drie arbiters, en dat de procedure in het Engels wordt gevoerd.
2.3
In het arbitraal vonnis is [geïntimeerde] ten aanzien van de [naam 2] veroordeeld tot:
betaling aan [appellant] van [bedrag 1] als vergoeding van de door [appellant] geleden schade, waarover rente verschuldigd is vanaf de datum van het arbitraal vonnis tot aan de dag van volledige betaling, tegen het contractuele jaarlijkse percentage van 7% boven de toepasselijke 1-maands EURIBOR-rente; en
betaling aan [appellant] van [bedrag 2] , zijnde de contractuele rente verschuldigd over de schadevergoeding en berekend tot aan de dag van het arbitraal vonnis.
2.4
In het arbitraal vonnis is [geïntimeerde] ten aanzien van de [naam 3] veroordeeld tot:
betaling aan [appellant] van [bedrag 3] als vergoeding van de door [appellant] geleden schade, waarover rente verschuldigd is vanaf de datum van het arbitraal vonnis tot aan de dag van volledige betaling, tegen de contractuele 1-maands EURIBOR-rente op de vervaldatum om 11.00 uur, vermeerderd met 3% per jaar; en
betaling aan [appellant] van [bedrag 4] , zijnde de contractuele rente verschuldigd over de schadevergoeding en berekend tot aan de dag van het arbitraal vonnis.
2.5
Tot op heden heeft [geïntimeerde] niet vrijwillig voldaan aan de veroordelingen in het arbitraal vonnis.

3.Beoordeling

Bevoegdheid van het hof
3.1
Het Verdrag van [plaats 5] is op het verzoek van [appellant] van toepassing, omdat zowel [plaats 3] (de plaats waar het arbitraal vonnis is gewezen) als Nederland (de plaats waar tenuitvoerlegging wordt verzocht) daarbij partij is. Op grond van artikel 1075 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een in een vreemde staat gewezen arbitraal vonnis waarop een erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag van toepassing is, op verzoek van een der partijen in Nederland worden erkend en ten uitvoer gelegd. Artikel 1075 lid 2 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat de artikelen 985 tot en met 991 Rv van overeenkomstige toepassing zijn voor zover het verdrag geen afwijkende voorzieningen inhoudt en met dien verstande dat het gerechtshof in de plaats treedt van de rechtbank. Aangezien [appellant] tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis verlangt in het arrondissement Amsterdam is dit hof bevoegd tot kennisneming van het verzoek (artikel 1075 lid 2 jo. 985 Rv).
Is [geïntimeerde] behoorlijk opgeroepen voor de mondelinge behandeling?
3.2
[geïntimeerde] is bij de onder punt 1 genoemde mondelinge behandeling niet verschenen. Allereerst ligt daarom ter beantwoording voor de vraag of [geïntimeerde] , als de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verlangd, voor die behandeling behoorlijk is opgeroepen. Uit het bepaalde in artikel 987 lid 3 Rv jo. artikel 1075 lid 2 Rv volgt dat bij de beantwoording van deze vraag uitgangspunt is dat het op de weg van [appellant] had gelegen [geïntimeerde] bij deurwaardersexploot op te roepen voor de mondelinge behandeling. Bij de oproeping had [appellant] het bepaalde in artikel 55 lid 1 Rv in verbinding met het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken van 15 november 1965 (Trb. 1969, 55) (hierna: het Haags Betekeningsverdrag), in acht moeten nemen.
3.3
Teneinde aan te tonen dat zij heeft gehandeld als bovenvermeld heeft [appellant] voorafgaand aan de mondelinge behandeling een kopie van een deurwaardersexploot van 16 mei 2025 overgelegd, inhoudende de oproeping van [geïntimeerde] voor genoemde mondelinge behandeling door betekening van het genoemde exploot aan het Openbaar Ministerie (hierna: OM), ressortsparket Amsterdam, overeenkomstig het bepaalde in artikel 55 lid 1 Rv, met uitdrukkelijke verwijzing in het exploot naar de toepasselijke bepalingen van het Haags Betekeningsverdrag. Daarnaast heeft [appellant] een ‘
Request for Service Abroad of Judicial or Extrajudicial Documents’ van 2 juni 2025 overgelegd, dat door het OM samen met voornoemd exploot en de bijbehorende stukken ter oproeping van [geïntimeerde] op genoemde datum is verzonden aan de centrale autoriteit van de [plaats 6] , zijnde
[bedrijf 2]. [appellant] heeft verder een verklaring van 12 november 2025 van de door haar in de arm genomen deurwaarder in het geding gebracht, waarin diens ambtsverrichtingen in verband met de oproeping van [geïntimeerde] zijn beschreven, met bijlagen. Volgens de verklaring van de deurwaarder heeft deze, naast de voornoemde betekening aan het OM (ressortspakket Amsterdam), op 16 mei 2025 een afschrift van het oproepingsexploot aan [geïntimeerde] toegezonden per aangetekende brief, gericht aan het kantooradres van [geïntimeerde] in [plaats 2] , [plaats 6] . Aanvullend heeft de deurwaarder op 16 mei 2025 een gewone pakketzending van de betekende stukken aan [geïntimeerde] gestuurd. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder op 16 mei 2025 een scan van de betekende stukken per e-mail verzonden naar vijf e-mailadressen die zouden toebehoren aan de functionarissen die [geïntimeerde] in de arbitrale procedure hebben vertegenwoordigd.
3.4
De vraag of [geïntimeerde] behoorlijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling moet worden beantwoord aan de hand van artikel 15 van het Haags Betekeningsverdrag. Hierbij is van belang dat [appellant] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het exploot met de oproeping daadwerkelijk door de centrale autoriteit van de [plaats 6] aan [geïntimeerde] is betekend of daarvan door deze autoriteit aan [geïntimeerde] is kennisgegeven. Integendeel, uit de verklaring van de deurwaarder blijkt dat de centrale autoriteit van de [plaats 6] het verzoek heeft geretourneerd zonder daaraan uitvoering te geven. De hiervoor opgegeven redenen zijn een te korte oproepingstermijn en bezwaren tegen de wijze waarop het aanvraagformulier is ingevuld. Daarmee ontbreekt de verklaring van de centrale autoriteit van de aangezochte staat, zoals bedoeld in artikel 6 van het Haags Betekeningsverdrag. Dat betekent dat [geïntimeerde] niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 lid 1 onder a van het Haags Betekeningsverdrag is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De in artikel 15 lid 1 onder b van het Haags Betekeningsverdrag opgenomen mogelijkheid om verweerder op te roepen door het stuk aan hem in persoon of op zijn woonplaats af te geven op een andere (in artikel 10 van het Haags Betekeningsverdrag geregelde) wijze, baat [appellant] niet. De [plaats 6] heeft immers op de voet van artikel 21 lid 2 onder a van het Haags Betekeningsverdrag bij artikel 10 van dat verdrag een voorbehoud gemaakt, als gevolg waarvan de toezending van de stukken op een andere wijze dan in artikel 15 lid 1 onder a vermeld, geen onder het Verdrag toegestane vorm van kennisgeving is. Aan de overige kennisgevingen aan [geïntimeerde] (per aangetekende post, gewone post en via e-mail) komt daarom niet het rechtsgevolg toe dat [geïntimeerde] geacht moet worden behoorlijk te zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling.
3.5
Bij ontbreken van een bericht van de centrale autoriteit van de [plaats 6] waaruit blijkt dat het oproepingsexploot aan [geïntimeerde] is betekend of haar daarvan is kennisgegeven voor het tijdstip van de mondelinge behandeling, moet het hof ervan uitgaan dat [geïntimeerde] niet behoorlijk is opgeroepen voor die behandeling. Nu [geïntimeerde] niet is verschenen bij de mondelinge behandeling, brengt het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Betekeningsverdrag daarom dwingend mee dat de beslissing op het verzoek van [appellant] thans moet worden aangehouden. Het bepaalde in artikel 15 lid 2 van het Haags Betekeningsverdrag staat niet toe dat ondanks het ontbreken van een bericht van de centrale autoriteit van de [plaats 6] en ondanks het niet-verschijnen van [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling een beslissing op het verzoek zal worden gegeven, aangezien niet aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan, alleen al omdat tussen de toezending van het oproepingsexploot door het OM aan de centrale autoriteit van de [plaats 6] en het tijdstip van de mondelinge behandeling minder dan de in artikel 15 lid 2 onder b genoemde termijn van zes maanden is verstreken. Het betoog van [appellant] dat er wel ruim zes maanden zijn verstreken tussen het tijdstip van toezending en de mondelinge behandeling, omdat het exploot op 16 mei 2025 aan het OM is betekend en de termijn volgens [appellant] naar vaste rechtspraak begint te lopen op het moment van betekening aan het OM ex artikel 55 lid 1 Rv, wordt verworpen. Met “sedert het tijdstip van toezending van het stuk” als bedoeld in artikel 15 lid 2 sub b van het Haags Betekeningsverdrag wordt naar het oordeel van het hof niet gedoeld op het moment waarop het exploot aan het OM wordt betekend, maar het moment waarop het OM het ingevulde formulier toezendt aan de centrale autoriteiten van (in dit geval) de [plaats 6] , dus op 2 juni 2025. Daarvoor is redengevend dat uit de tekst van het Verdrag volgt dat met (het tijdstip van) “toezending van het stuk” zoals genoemd in artikel 15 lid 2 sub b van het Haags Betekeningsverdrag, wordt gedoeld op het in lid 1 van dat artikel genoemde “stuk dat ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het buitenland moest worden verzonden” en niet op de in nationaal recht voorgeschreven betekening van de stukken aan het OM (artikel 55 lid 1 Rv). De door [appellant] bepleite andersluidende lezing van artikel 15 lid 2 sub b van het Haags Betekeningsverdrag vindt geen steun in de rechtspraak en is niet verenigbaar met het doel van de bepaling (waarborgen dat een uitgebracht exploot degene voor wie het bestemd is daadwerkelijk bereikt; HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7192). Tussen de datum waarop het OM de stukken heeft gezonden aan de centrale autoriteit van de [plaats 6] en de datum van de mondelinge behandeling op 28 november 2025 zijn minder dan zes maanden verstreken.
3.6
Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof op grond van het bepaalde in artikel 987 lid 4 Rv in verbinding met artikel 1075 lid 2 Rv en artikel 15 lid 1 van het Haags Betekeningsverdrag de nadere oproeping van [geïntimeerde] zal bevelen voor de mondelinge behandeling van het verzoek. Daartoe zullen tevens een nieuwe dag en tijd voor die behandeling worden bepaald. De mondelinge behandeling zal aldus onder punt 4 nader worden bepaald op een zodanige termijn dat voldaan kan worden aan de termijnen in artikel 15 lid 2 onder b van het Haags Betekeningsverdrag en artikel 10 lid 1 onder b van de wet uitvoering van dat verdrag, zodat na het verstrijken van die termijn ook zonder bericht van de centrale autoriteit van de [plaats 6] bij niet-verschijnen van [geïntimeerde] op het verzoek zal kunnen worden beslist, mits aan alle voorwaarden van laatstgenoemde bepalingen is voldaan. De nadere mondelinge behandeling zal op gezamenlijk verlangen van partijen kunnen worden vervroegd indien [geïntimeerde] formeel verschenen is en voor zover de beschikbare zittingsruimte van het hof dat toelaat.
3.7
Uitsluitend ter voorlichting van partijen wordt opgemerkt dat de toewijsbaarheid van het verzoek, met inachtneming van het bepaalde in het Verdrag van [plaats 5] voor zover van belang, bij de nadere mondelinge behandeling geheel opnieuw aan de orde zal moeten komen, zodat [appellant] het verzoek dan wederom zal mogen toelichten en [geïntimeerde] zich daartegen zal mogen verweren. Aan [geïntimeerde] zal gelegenheid worden gegeven een verweerschrift in te dienen tot uiterlijk drie weken voor de nadere mondelinge behandeling.
3.8
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
beveelt [appellant] om [geïntimeerde] op de bij wet en Verdrag voorgeschreven wijze op te roepen of te doen oproepen voor de hieronder te noemen nadere mondelinge behandeling;
bepaalt dat een nadere mondelinge behandeling van het ingediende verzoek zal worden gehouden in een van de zalen van het Paleis van Justitie, IJdok 20 te 1013 MM Amsterdam, op 21 oktober 2026 om 10.00 uur behoudens vervroeging als onder 3.6 vermeld;
bepaalt dat [geïntimeerde] een verweerschrift zal mogen indienen tot uiterlijk drie weken voor de datum van de nadere mondelinge behandeling;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, R.L. de Graaff en N. Kampert en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.