Op 5 februari 2024 pleegde de verdachte te IJmuiden mishandeling en handelde in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. De politierechter in de rechtbank Noord-Holland veroordeelde de verdachte, maar het gerechtshof Amsterdam vernietigde dit vonnis bij arrest van 10 februari 2026.
Het hof stelde vast dat de bewezenverklaarde feiten mishandeling en twee overtredingen van de Wet wapens en munitie betroffen. Na herbeoordeling veroordeelde het hof de verdachte tot een taakstraf van 70 uur, met een vervangende hechtenis van 35 dagen indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Daarnaast werd bepaald dat de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur taakstraf per dag voorarrest, voor zover deze tijd niet reeds op een andere straf is verrekend. Zowel de verdachte als de advocaat-generaal deden afstand van het recht om in cassatie te gaan.