ECLI:NL:GHAMS:2026:404

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
000564-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand en verzekering na strafzaak zonder strafoplegging

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van schade en kosten die hij heeft gemaakt in verband met een strafzaak die zonder strafoplegging is geëindigd. Het verzoek omvat een vergoeding voor de ondergane verzekering, kosten rechtsbijstand in de strafzaak zelf, en kosten rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure.

Het hof heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 534 Sv Pro, waarbij vergoeding mogelijk is indien gronden van billijkheid aanwezig zijn. De advocaat-generaal stelde dat vergoeding van kosten voor rechtsbijstand door twee raadslieden slechts gedeeltelijk billijk was vanwege mogelijke dubbele declaratie. Verzoekers advocaat voerde aan dat een advocaat-stagiaire was ingeschakeld en dat de kosten daardoor laag waren gebleven.

Het hof oordeelde dat vergoeding van rechtsbijstand door meerdere raadslieden in beginsel mogelijk is, mits kosten niet onredelijk of dubbel gedeclareerd zijn. Gezien de toelichting in raadkamer was er geen aanleiding tot gedeeltelijke toewijzing. Het hof kende daarom de volledige gevraagde vergoeding toe, bestaande uit €260 voor verzekering, €7.838 voor rechtsbijstand in de strafzaak, en €680 voor rechtsbijstand in de procedure.

De beschikking werd uitgesproken op 11 februari 2026 door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij een bedrag van €8.778,00 aan verzoeker werd toegekend.

Uitkomst: Het hof kent verzoeker een vergoeding toe van €8.778,00 voor kosten verzekering en rechtsbijstand na beëindiging strafzaak zonder strafoplegging.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummers: 000564-25 (530 Sv) en 000565-25 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-002410-22
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. P.P.J. van der Meij,
Van der Helstplein 3, 1072 PH Amsterdam.

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 19 augustus 2025 ingekomen.
Op 15 december 2025 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 21 januari 2026 de advocaat-generaal en de waarnemend advocaat van verzoeker, mr. A.C.M. van Dijk, advocaat te Amsterdam, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer (in hoger beroep) ten bedrage van € 260,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 7.838,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van deze verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.

3.Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 25 juli 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in de strafzaak slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door twee raadslieden en beiden hebben tijd gedeclareerd voor dossierstudie en het opstellen van een pleitnota. Volgens de advocaat-generaal is het niet billijk deze kosten dubbel te vergoeden.
De advocaat van verzoeker heeft gepersisteerd bij het verzoek. Volgens de advocaat van verzoeker is een advocaat-stagiaire ingeschakeld en zijn de kosten voor rechtsbijstand mede daardoor zo laag mogelijk gebleven. Dat niet dubbel is gedeclareerd, blijkt ook uit het feit dat beide raadslieden verzoeker ter zitting hebben bijgestaan, maar dat slechts door een van hen is gedeclareerd.
Het hof overweegt dat in beginsel vergoeding van kosten rechtsbijstand door meerdere raadslieden mogelijk is. Ook in een betrekkelijk eenvoudige strafzaak als deze is vergoeding van verleende rechtsbijstand door meer raadslieden mogelijk als de kosten maar zo laag mogelijk worden gehouden en niet ten onrechte dubbel wordt gedeclareerd. Gelet op de in raadkamer gegeven toelichting ziet het hof geen aanleiding het verzoek slechts gedeeltelijk toe te wijzen. Niet is komen vast te staan dat sprake is van onredelijk of “dubbel” declaratiegedrag.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van
  • door verzoeker ondergane verzekering tot een bedrag van € 260,00;
  • kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 7.838,00;
  • kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00.

4.Beslissing

Het hof :
Wijst het verzochte toe.
Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 8.778,00 (achtduizend zevenhonderdachtenzeventig euro).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, C.J. van der Wilt en J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 8.778,00 (achtduizend zevenhonderdachtenzeventig euro) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting beheer derdengelden Cleerdin & Hamer advocaten o.v.v. [nummer] .
Amsterdam, 11 februari 2026.
mr. J.L. Bruinsma, voorzitter.