ECLI:NL:GHAMS:2026:43

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.354.850/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van verblijfplaats van minderjarige in het kader van jeugdzorg en de rol van de gecertificeerde instelling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de wijziging van de verblijfplaats van een minderjarige, hierna aangeduid als [minderjarige]. De kinderrechter had eerder toestemming verleend aan de gecertificeerde instelling (GI) om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen van een pleeggezin naar een gezinshuis, na zorgwekkende signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. De pleegouders, de pleegmoeder en pleegvader, waren het niet eens met deze beslissing en hebben hoger beroep ingesteld. De pleegmoeder, die ook de zus van de moeder van [minderjarige] is, heeft in de procedure betoogd dat de GI niet de juiste remedie heeft gekozen en dat [minderjarige] bij hen moet terugkeren. De GI heeft echter gesteld dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding was en dat de wijziging van verblijf noodzakelijk was. Het hof heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen, waaronder de zorgelijke uitlatingen van [minderjarige] en de eerdere uithuisplaatsingen. Het hof heeft geoordeeld dat de kinderrechter terecht toestemming heeft verleend voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] en heeft de bestreden beschikking bekrachtigd. De beslissing van het hof benadrukt het belang van de veiligheid van de minderjarige in jeugdzorgprocedures.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.354.850/01
zaaknummer rechtbank: C/13/767943 / JE RK 25-278
beschikking van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak van
[pleegmoeder] ,
wonende te [plaats A ] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de pleegmoeder,
advocaat: mr. L. Scheffer te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats A ] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );
- [de moeder] (hierna: de moeder);
- [pleegvader] (hierna de pleegvader).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] (7 jaar); zij verbleef op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders en verblijft sinds april 2025 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
1.2
De kinderrechter heeft de GI toestemming verleend voor wijziging van het verblijf van [minderjarige] , zodat [minderjarige] zal verblijven in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten in een gezinshuis.
De pleegmoeder en de pleegvader (hierna gezamenlijk: de pleegouders) zijn het daar niet mee eens en willen dat [minderjarige] terugkeert bij hen. De GI is het eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De pleegmoeder is op 20 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op 9 juli 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- stukken van de procedure bij de kinderrechter, ingekomen op 10 juli 2025,
- een bericht van de zijde van de pleegouders van 25 september 2025 met bijlage, en
- een bericht van de zijde van de GI van 7 oktober 2025 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 8 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de pleegmoeder;
- de pleegvader;
- twee vertegenwoordigers van de GI, bijgestaan door mr. T.I. Visser, advocaat te Amsterdam,
- de moeder, bijgestaan door mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam;
- de raad, vertegenwoordigd door V.E. Aelbers.
De advocaat van de pleegmoeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
De pleegmoeder is niet in persoon verschenen.
2.5
Zoals afgesproken bij de behandeling van de zaak heeft de GI naderhand een afschrift van de beschikking van 14 juli 2025 ingediend. Verder zijn de pleegouders ter zitting in de gelegenheid gesteld om alsnog schriftelijk te reageren op de stukken van de GI van 7 oktober 2025, wat zij hebben gedaan bij brief van 16 oktober 2025. De GI heeft daarop gereageerd bij brief van 6 november 2025.

3.De feiten

3.1
[minderjarige] , geboren [in] 2018, is een dochter van de moeder. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Vanaf enkele maanden na haar geboorte woonde [minderjarige] met de moeder in een moeder-kindhuis van [X] .
De moeder heeft nog twee oudere kinderen die niet bij haar wonen.
3.2
Bij beschikking van 12 juli 2018 heeft de kinderrechter [minderjarige] met ingang van 22 juli 2019 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. De maatregel is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 22 juli 2026.
[minderjarige] is met ingang van 13 november 2020 op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing in het gezin van de pleegouders geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien telkens verlengd. De pleegmoeder is een zus van de moeder. De pleegvader is de partner van de pleegmoeder.
Tot het gezin van de pleegouders behoren hun dochter van nu zestien jaar oud en hun zoon van nu tien jaar oud (hierna: de neef).
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 maart 2025 is op grond van de artikelen 1:265i Burgerlijk Wetboek (BW) en 800 lid 3 en 809 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - na een spoedverzoek van de GI - toestemming verleend om het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin van pleegouders te wijzigen naar een ander pleeggezin (in welk gezin ook haar nu negenjarige (half)broer verblijft), met ingang van 20 maart 2025 tot 3 april 2025.
3.4
Bij beschikking van 1 april 2025, op schrift gesteld op 14 april 2025, heeft de kinderrechter de beschikking van 20 maart 2025 gehandhaafd over de periode tot 1 april 2025 en het verzoek om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen voor het overige afgewezen.
[minderjarige] is toen teruggekeerd naar de pleegouders.
3.5
Bij beschikking van 17 april 2025, op schrift gesteld op 18 april 2025, heeft de kinderrechter de GI (op dezelfde wettelijke grond als hiervoor onder 3.3 vermeld), na een nieuw spoedverzoek van de GI, toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar gezinshuis [stichting] voor de duur van twee weken, te weten tot 1 mei 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI. De directe aanleiding voor deze beslissing was de melding van de kindertherapeut van [minderjarige] over de zorgelijke uitlatingen die [minderjarige] bij haar had gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag van haar neefje (een zoon van de pleegouders; de neef).
De GI had verzocht de wijziging te verlenen voor de duur van de uithuisplaatsing, te weten tot 22 juli 2025.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de beslissing van 17 april 2025, die schriftelijk is vastgelegd bij beschikking van 18 april 2025, tot de datum van de beschikking gehandhaafd en de GI, overeenkomstig haar verzoek, toestemming verleend voor wijziging van het verblijf van [minderjarige] , in die zin dat [minderjarige] zal verblijven in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten gezinshuis [stichting] , met ingang van 23 april 2025 tot 22 juli 2025.
4.2
De pleegouders verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de GI alsnog af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] per direct kan terugkeren naar hen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.
4.3
De GI verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:265i lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) behoeft de GI toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Op grond van lid 2 van dat artikel wordt de toestemming door de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
Standpunt pleegouders
5.2
De pleegouders zijn met de kinderrechter eens dat de uitlatingen van [minderjarige] tegen haar therapeut zorgelijk zijn. [minderjarige] heeft onder andere verteld dat zij met haar neef meer dan eens seksueel beladen handelingen verrichtte en dat haar neef haar ook hard sloeg. Het wijzigen van de verblijfplaats van [minderjarige] is echter niet de juiste remedie om [minderjarige] te helpen. Zij is een zeer beschadigd meisje dat veel aandacht nodig heeft en aan verlatingsangst lijdt. Die angst is volgens de pleegouders verergerd doordat zij van 20 maart 2025 tot 2 april 2025 met spoed bij de pleegouders werd weggehaald en in het pleeggezin van haar halfbroer werd geplaatst. [minderjarige] was heel blij om terug te zijn en de pleegmoeder heeft haar beloofd dat zoiets niet nog eens zou gebeuren.
De pleegmoeder heeft een dagboek bijgehouden en daaruit blijkt dat [minderjarige] nooit alleen met haar neef is geweest. De pleegouders vragen zich daarom af of hetgeen [minderjarige] de kindertherapeut heeft verteld op haar halfbroer sloeg; aan de pleegmoeder heeft [minderjarige] namelijk verteld dat zij met haar halfbroer in bad ging en dat zij samen op een kamer sliepen.
[minderjarige] liet al veel langer seksueel grensoverschrijdend gedrag zien en zij heeft ook meer dan eens dingen verteld die niet op de waarheid bleken te berusten. De pleegouders hebben daarover herhaaldelijk hun zorgen geuit en de GI om hulp gevraagd. Zij staan dan ook achter een onderzoek, maar zijn van mening dat dat kan plaatsvinden terwijl [minderjarige] bij hen woont. Tot voor kort was de GI positief over het verblijf van [minderjarige] bij hen.
Ter zitting in hoger beroep heeft de pleegvader verklaard dat hij nog steeds openstaat voor hulpverlening zodat [minderjarige] weer bij hen kan wonen. De pleegmoeder en hij willen heel graag dat [minderjarige] bij hen terugkeert zodat zij haar stabiele thuisplek weer heeft.
Standpunt GI
5.3
De GI is van mening dat de signalen van [minderjarige] dusdanig zorgelijk waren dat acute actie geboden was. De GI heeft vervolgens contact gezocht met de pleegouders. Zij reageerden defensief en een gesprek was niet mogelijk. Omdat de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd moest worden, heeft de GI voorgesteld dat de neef elders zou verblijven. Dat voorstel hebben de pleegouders afgewezen. De GI kon toen niet anders dan [minderjarige] uit deze situatie halen om vervolgens het onderzoek hiernaar uit te besteden aan de hiervoor bevoegde instanties, waaronder de politie. Uit het vervolgens verrichte top-tot-teenonderzoek van [minderjarige] zijn geen fysiek aanwijsbare signalen gevonden maar dat betekent niet dat er niks is gebeurd. Het ziekenhuis zag wel afwijkende gedragsvormen. In een gesprek met de zedenpolitie heeft [minderjarige] de zorgsignalen opnieuw geuit. Ook tijdens het verblijf in het gezinshuis is er afwijkend gedrag waargenomen bij [minderjarige] . Daarbij komt dat de GI al langere tijd zorgen had over de beschikbaarheid, opvoedvaardigheden, opvoedmogelijkheden, verzorging en bereikbaarheid van de pleegouders. Gezien het gedrag van [minderjarige] is een professionele opvoedsituatie passend bij haar zorgvraag.
Ter zitting in hoger beroep heeft de GI verklaard dat [minderjarige] inmiddels in een gezinshuis in de buurt van de pleegouders verblijft zodat zij naar dezelfde school kan blijven gaan. [minderjarige] zal psychische begeleiding van Fibbe gaan krijgen en het gaat naar omstandigheden goed met haar.
Standpunt moeder
5.4
De moeder heeft zich ter zitting in hoger beroep achter het standpunt van de pleegouders geschaard in die zin dat zij wil dat [minderjarige] terugkeert naar hen. [minderjarige] had het goed bij de pleegouders, maar het schortte aan de juiste hulpverlening omdat de GI geen gehoor gaf.
Advies raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geconstateerd dat [minderjarige] ingewikkelde onderliggende problematiek heeft. Als haar verblijf al wordt gewijzigd, dient dat de laatste verplaatsing te zijn, gezien de uithuisplaatsingen die zij al heeft meegemaakt. Het is dan ook terecht dat de GI de raad inmiddels heeft verzocht onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] .
Er werden ernstige, acute zorgen gemeld over de veiligheid van [minderjarige] . Voordat kan worden beslist of [minderjarige] weer bij de pleegouders zou kunnen wonen, moet worden vastgesteld wat zij nodig heeft en op welke plek dat aan haar kan worden geboden.
De raad heeft geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en het verzoek van de pleegouders af te wijzen.
Oordeel hof
5.6
Het hof zal de behandeling van de zaak niet aanhouden in afwachting van het perspectiefonderzoek van de raad, zoals de pleegouders ter zitting hebben verzocht. Aan het hof is alleen ter beoordeling voorgelegd de verleende toestemming voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] over een periode die inmiddels is verstreken op 22 juli 2025. [minderjarige] verblijft nu in een (ander) gezinshuis op grond van een bij beschikking van 14 juli 2025 verleende machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis.
5.7
Zoals uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader blijkt, is het uitgangspunt dat de kinderrechter de verzochte toestemming tot wijziging van het verblijf verleent. Hij mag dat verzoek slechts afwijzen als hij die afwijzing in het belang van de minderjarige noodzakelijk vindt. In het licht van wat [minderjarige] heeft verteld aan haar therapeut, is niet aannemelijk geworden dat het belang van [minderjarige] het noodzakelijk maakte om het verzoek van de GI af te wijzen. [minderjarige] ’s uitlatingen over seksueel misbruik zijn zeer zorgelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de GI daarom juist gehandeld door een (spoed)verzoek tot wijziging van haar verblijfplaats in te dienen. Haar uitlatingen zijn niet alleen zorgelijk als zij de waarheid heeft verteld over seksueel grensoverschrijdend gedrag door haar neef (waar de pleegouders vraagtekens bij zetten, gezien eerder gedrag van [minderjarige] ). Ook als [minderjarige] haar verhaal heeft aangedikt of verzonnen, is dat zorgwekkend. Hoe dan ook blijkt alleen al uit haar relaas dat zij te maken heeft met ernstige problematiek. De frustratie van de pleegouders over het gegeven dat zij al langer hun zorgen hadden geuit bij de GI over de problemen van [minderjarige] en daarvoor (volgens hen tevergeefs) om hulp hadden gevraagd, is voor het hof invoelbaar. Dat maakt de beslissing echter niet anders. De melding van de kindertherapeut vormde alle aanleiding om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen, omdat haar fysieke veiligheid in het geding was.
De pleegouders hebben nog de mogelijkheid geopperd dat het niet [minderjarige] ’s neefje, maar haar halfbroer was die seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond in de (korte) periode dat [minderjarige] in hetzelfde pleeggezin als hij verbleef. Zij hebben dat echter niet verder kunnen onderbouwen en duidelijke aanwijzingen daarvoor ontbreken. Al met al weegt [minderjarige] ’s veiligheid in dit geval zwaarder dan haar belang bij continuering van een stabiele plek bij de pleegouders, zoals de kinderrechter ook heeft overwogen. De kinderrechter heeft het verzoek van de GI daarom terecht toegewezen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.8
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.M.I. Vink, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.