Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de strafzaak betreffende opzetaanranding. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis.
In hoger beroep bevestigde het hof het bewezenverklaarde feit, maar vernietigde het de opgelegde straf en legde een nieuwe straf op. De verdachte had zonder toestemming en ondanks herhaalde waarschuwingen het slachtoffer op de (boven)benen en billen aangeraakt, wat een inbreuk op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer betekende. Het gedrag werd als vernederend en grensoverschrijdend beoordeeld, met impact op het veiligheidsgevoel in het uitgaansleven.
Het hof hield rekening met het ontbreken van een strafblad en de psychische problemen van de verdachte, die onder behandeling is en medicatie gebruikt. Ook werd meegewogen dat het incident van korte duur was en geen verdergaand fysiek geweld bevatte. Gelet op deze omstandigheden legde het hof een deels voorwaardelijke taakstraf op, bedoeld om herhaling te voorkomen.
De straf bestaat uit 40 uur taakstraf waarvan een deel voorwaardelijk is met een proeftijd van twee jaar, en een vervangende hechtenis van 20 dagen indien de taakstraf niet wordt verricht. Het vonnis van de politierechter werd voor het overige bevestigd.