ECLI:NL:GHAMS:2026:431

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
23 -000840-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsmaatregel wegens medeplegen invoer cocaïne en gewoontewitwassen

Betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van de invoer van 320 kilo cocaïne en voorbereidingshandelingen, en tot betaling van €154.546,10 als ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep bevestigde het hof de straf voor de drugsmisdrijven en veroordeelde betrokkene voor gewoontewitwassen, zonder strafoplegging.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank inzake de ontnemingsmaatregel en stelt het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €141.917,60, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling die contante uitgaven en ontvangsten analyseert. Het hof acht aannemelijk dat de misdrijven en andere strafbare feiten hebben geleid tot dit voordeel.

De redelijke termijn is in eerste aanleg met ruim een jaar overschreden, maar in hoger beroep niet. Het hof wijst verzoeken van de verdediging af die zouden leiden tot verlaging van het ontnemingsbedrag. De betrokkene wordt verplicht tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de Staat, met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €141.917,60 aan de Staat als ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000840-24
datum uitspraak: 24 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 maart 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-184913-21 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
adres: [adres] .

1.Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 188.869,99. Later heeft de officier van justitie dit bedrag ter terechtzitting van 14 maart 2024 bijgesteld naar € 189.659,99.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 maart 2024 in de strafzaak
- samengevat - veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf ter zake van het medeplegen van de invoer van 320 kilo cocaïne op 24 mei 2021, voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in de periode van 19 november 2020 tot en met 24 mei 2021 en gewoontewitwassen in de periode 13 februari 2018 tot en met 25 juni 2021 gedurende een periode van ruim 2,5 jaar.
De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 28 maart 2024 in de ontnemingszaak de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 154.546,10 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 maart 2025 veroordeeld voor het medeplegen van de invoer van 320 kilo cocaïne op 24 mei 2021 en voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in de periode van 19 november 2020 tot en met 24 mei 2021 tot 7 jaar gevangenisstraf. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van heden, 24 februari 2026, is de betrokkene – nadat het witwasfeit eerder op 17 maart 2025 is afgesplitst van de Opiumwet-feiten - veroordeeld voor gewoontewitwassen gedurende een periode van ruim 2 jaar, maar is geen straf of maatregel opgelegd.

2.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18, 19 en 26 februari, 17 maart 2025, 27 en 29 januari en 24 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

3.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt dan de rechtbank en een andere betalingsverplichting aan de betrokkene oplegt.

4.Grondslag van de vordering

Zoals hiervoor is vermeld, is de betrokkene bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 maart 2025 veroordeeld voor de het medeplegen van de invoer van 320 kilo cocaïne op 24 mei 2021 en voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in de periode van 19 november 2020 tot en met 24 mei 2021. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van heden, 24 februari 2026, is de betrokkene veroordeeld voor gewoontewitwassen gedurende een periode van ruim 2 jaar. De misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Het hof zal de ontnemingsmaatregel baseren op het derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Op grond van die bepaling kan de ontnemingsmaatregel mede worden opgelegd indien aannemelijk is dat het in die bepaling bedoelde feit waarvoor veroordeeld is (in dit geval: de overtredingen van de Opiumwet zoals zojuist aangehaald) of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt de eenvoudige kasopstelling in aanmerking bij toepassing van artikel 36e lid 3 Sr, in welk geval de rechter niet gehouden is te concretiseren wat die “andere strafbare feiten” zijn geweest.
Aannemelijk is dat de misdrijven uit de Opiumwet waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De betrokkene heeft de bewezenverklaarde drugsfeiten erkend en betwist niet dat hij zich aldus bezig heeft gehouden met de invoer van drugs in Nederland en voorbereidingen met betrekking tot die invoer. In lijn met de veroordelende arresten jegens betrokkene hecht het hof geen geloof aan diens stelling dat hij in de desbetreffende periodes geen inkomsten uit misdrijven zou hebben verkregen.

5.Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 154.546,10 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft bepleit dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen, omdat vrijspraak moet volgen van het witwassen in de hoofdzaak en verder niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene enig bedrag wederrechtelijk heeft verdiend.
Oordeel van het hof
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof mede gebaseerd op het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen vermogen’ van 2 november 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (Map E04, pp. 1892-1896 en bijlagen, hierna: de ontnemingsrapportage) en de daarin vermelde onderliggende stukken en bijlagen. Daarnaast heeft het hof die schatting gebaseerd op het arrest in de strafzaak en op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof merkt in dit verband volledigheidshalve op dat uit het overige financiële onderzoek is gebleken dat het legaal ontvangen inkomen van betrokkene geheel werd besteed aan vaste lasten en levensonderhoud (zie het proces-verbaal van bevindingen Ontvangst en analyse van ING rekeningen van [verdachte] van 7 januari 2021, Map E04, dossierpagina’s 646-650), terwijl de mogelijkheid dat de contante bedragen een (andere) legale bron hadden met voldoende mate van zekerheid kan worden verworpen.
In de ontnemingsrapportage is het voordeel berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. Hierbij wordt enkel gekeken naar contante uitgaven en ontvangsten omstreeks de periode van 13 februari 2018 tot 25 juni 2021. Bankopnames worden aangemerkt als een contante ontvangst en bankstortingen als een contante uitgave. Door middel van deze abstracte berekeningsmethode kan worden nagegaan of de betrokkene meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord. Is dit het geval, dan is er sprake van onbekende contante ontvangsten en wordt het verschil verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
De berekening volgens het ontnemingsrapport is als volgt.
Beginsaldo Kas
Legale contante ontvangsten
Contant salaris
Bankopnames
€ 3.300,00
Eindsaldo kas
€ 400,00
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
€ 37.30,00
Contante uitgaven
€ 192.589,99
Meer uitgaven dan legaal mogelijk
€ 188.859,99
Uit de methode van de eenvoudige kasopstelling volgt dat de betrokkene meer contant geld heeft uitgegeven of voorhanden heeft gehad dan beschikbaar was.
Anders dan de rechtbank zal het hof echter de volgende bedragen niet meenemen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
  • de contante betaling van € 107,43 aan [bedrijf 1] . Het hof spreekt de betrokkene vrij van dit bedrag in de hoofdzaak, omdat geen jaartal zichtbaar is op de bon en daardoor niet kan worden vastgesteld wanneer de uitgave is gedaan.
  • de betaling van € 7.500,00 aan [bedrijf 2] van 1 juli 2021. Het hof spreekt de betrokkene vrij van dit bedrag in de hoofdzaak, omdat deze betaling buiten de tenlastegelegde periode valt.
  • de contante storting op de rekening van de betrokkene op 10 november 2020 van € 12.500,00 die vooraf zou zijn gegaan door een contante storting op de rekening van de vader van de betrokkene. Het hof spreekt de betrokkene vrij ten aanzien van die storting in de hoofdzaak, omdat uit het dossier geen duidelijk verband blijkt tussen eerdere contante stortingen in die periode en het overmaken naar de betrokkene van dit bedrag.
Het hof komt daarmee tot de volgende nadere berekening, verwijzend naar de specifieke bijlagen die in de ontnemingsrapportage telkens zijn verbonden aan de betreffende uitgave.
Contante uitgaven
Post
Bedrag
Facturen [bedrijf 3]
factuur van 2 februari 2021 € 2.278,00
factuur van 10 februari 2021 € 3.477,00
factuur van 17 februari 2021 € 4.492,00
factuur van 3 maart 2021 € 2.961,00
factuur van 10 maart 2021 € 3.793,00
factuur van 17 maart 2021 € 5.823,00
factuur van 24 maart 2021 € 7.719,00
factuur van 31 maart 2021 € 6.322,00
factuur van 21 april 2021 € 1.996,00
factuur van 29 april 2021 € 4.961,00
factuur van 6 mei 2021 € 4.791,00
Totaal = € 48.613,00
Betaalde aankopen [bedrijf 4] , [bedrijf 5] . [bedrijf 6] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10]
[bedrijf 4]
26 maart 2021 € 170,45
20 april 2021 € 1.372,50
23 april 2021 € 1.023,35
5 juni 2020 € 297,60
9 juni 2020 € 128,50
[bedrijf 5]€ 1.747,95
[bedrijf 6]€ 2.600,00
[bedrijf 7]€ 1.200,00
[bedrijf 8]€ 165,00
[bedrijf 9]€ 223,26
[bedrijf 10]
20 augustus 2020 € 1.067,70
10 juni 2021 € 75,00
Totaal = € 10.071,31
Melita koffie machine
€ 750,00
iPads
€ 700,00
[bedrijf 11]
12 februari 2021 € 4.238,07
2 maart 2021 € 1.196,08
13 april 2021 € 1.550,00
23 april 2021 € 889,14
Totaal = € 7.873,29
Aanbetaling aankoop BMW
€ 3.490,00
Aankoop Mercedes
€ 51.000,00
Contante storting op rekening [vader] t.b.v. aflossing [bedrijf 12]
€ 9.400,00
Contante geldstorting op rekening van [vader]
€ 9.000,00
Contante geldstortingen op rekening van [verdachte]
10 oktober 2018 € 1.000,00
23 september 2019 € 500,00
13 januari 2020 € 600,00
17 februari 2020 € 350,00
6 juli 2020 € 1.500,00
Totaal = € 3.950,00
Totaalbedrag
€ 144.847,60
Contant beschikbare gelden
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat het bedrag van € 400,00 aan contant geld dat bij de betrokkene is aangetroffen geen legaal geld is. De betrokkene heeft desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit geldbedrag niet afkomstig is van een bankopname.
Bankopnames
€ 3.300,00
Contant geld (aangetroffen in woning)
€ 400,00
Totaal
€ 2.930,00
Wederrechtelijk verkregen voordeel
  • Contante uitgaven € 144.847,60 minus
  • Contante beschikbare gelden € 2.930,00
  • Wederrechtelijk verkregen voordeel € 141.917,60

6.Verplichting tot betaling aan de Staat

Redelijke termijn
Het hof is nagegaan of de procedure bij de rechtbank en de procedure in hoger beroep bij het hof heeft
plaatsgevonden binnen een redelijke termijn.
In eerste aanleg bevond de betrokkene zich (grotendeels) in detentie. De betrokkene is op 13 juli 2021 in verzekering gesteld en met ingang van 15 juni 2022 is zijn voorlopige hechtenis geschorst. Als uitgangspunt hoort – ook in een ontnemingszaak - te gelden dat bij een verdachte die gedetineerd is binnen 16 maanden een einduitspraak volgt. In eerste aanleg was de termijn van 16 maanden van toepassing. De rechtbank heeft op 28 maart 2024 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn overschreden met 1 jaar en iets meer dan 4 maanden.
In hoger beroep geldt dat de voorlopige hechtenis van de betrokkene geschorst is gebleven en dat hij dus niet meer gedetineerd is geweest. Als uitgangspunt geldt dan dat binnen 2 jaren een einduitspraak moet volgen. Door de betrokkene is op 9 april 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof doet op 24 februari 2026 uitspraak. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep niet overschreden.
De redelijke termijn is dus alleen in eerste aanleg geschonden.
De straf- en ontnemingszaak van de betrokkene stonden bij de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling gepland in juni 2023, tegelijk met de zaken van de medeverdachten. Vervolgens heeft de verdediging in de strafzaak op 7 juni 2023, nadat al meerdere pro formazittingen en een regiezitting hadden plaatsgevonden, verzocht om de JIT-overeenkomst te voegen met daarbij het verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld nog wensen voor nader onderzoek te kunnen formuleren. Er zijn vervolgens geen nadere verzoeken ingediend. De straf- en ontnemingszaak van de verdachte zijn afgesplitst van de strafzaken tegen de medeverdachten, waarna in de straf- en ontnemingszaak van de betrokkene vonnis is gewezen op 28 maart 2024.
Het hof is van oordeel dat door het late tijdstip van het verzoek in de strafzaak om de JIT-overeenkomst te voegen geen sprake is van schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn die ertoe zou moeten leiden dat het te betalen bedrag lager wordt vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. Ook overigens zijn er geen omstandigheden aangevoerd of aan het hof gebleken die daartoe moeten leiden. Verder is ook niet gebleken van onvoldoende (toekomstige) financiële draagkracht.
Aan de betrokkene dient ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 141.917,60.

7.Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
141.917,60 (honderdeenenveertigduizend negenhonderdzeventien euro en zestig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 141.917,60 (honderdeenenveertigduizend negenhonderdzeventien euro en zestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. E. Mijnsberge en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2026.