De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam die het gezamenlijk gezag over drie minderjarige kinderen beëindigde en de moeder het eenhoofdig gezag toekende. Tevens stelde de rechtbank een omgangsregeling vast waarbij de vader de kinderen eens per veertien dagen op zaterdag mocht zien, met een uitzondering voor vakantie waarbij hij de moeder vier weken van tevoren moest informeren bij verhindering. Daarnaast werd een dwangsom opgelegd voor het niet nakomen van de omgangsregeling.
De vader betwistte het beëindigen van het gezamenlijk gezag, de dwangsom en de termijn van vier weken voor het informeren bij verhindering. De moeder wilde de beschikking in stand houden. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde bekrachtiging van de beschikking, stellende dat gezamenlijk gezag niet haalbaar is vanwege slechte communicatie en onvoldoende betrokkenheid van de vader.
Het hof oordeelde dat het belang van de kinderen vereist dat de moeder het eenhoofdig gezag voert, gezien de slechte verstandhouding en communicatie tussen ouders en de extra zorgbehoefte van twee kinderen. De omgangsregeling werd bekrachtigd, maar de termijn voor de vader om de moeder te informeren bij verhindering werd verkort naar twee weken om meer flexibiliteit te bieden. De dwangsom werd gehandhaafd als prikkel voor nakoming. De kosten van de procedure werden ieder voor eigen rekening gelaten.