ECLI:NL:GHAMS:2026:44

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.355.409/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en omgangsregeling tussen ouders na echtscheiding

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Amsterdam, gaat het om de beëindiging van het gezamenlijk gezag over drie minderjarige kinderen door de rechtbank Amsterdam. De vader, verzoeker in hoger beroep, is het niet eens met de beslissing van de rechtbank die de moeder het eenhoofdig gezag heeft toegewezen en een omgangsregeling heeft vastgesteld. De vader is van mening dat hij samen met de moeder het gezag moet blijven uitoefenen en dat de opgelegde dwangsom voor het niet naleven van de omgangsregeling onterecht is. De moeder daarentegen wil dat de beslissingen van de rechtbank in stand blijven, omdat zij van mening is dat de vader geen verantwoordelijkheid neemt en de communicatie tussen hen problematisch is. Het hof heeft de zaak in hoger beroep behandeld, waarbij de vader zijn standpunten heeft toegelicht en de moeder haar verweer heeft gevoerd. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen. Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen moet worden beëindigd, gezien de slechte communicatie tussen de ouders en de noodzaak voor de moeder om zonder vertraging beslissingen te kunnen nemen. De omgangsregeling is aangepast, waarbij de vader nu twee weken van tevoren moet informeren als hij niet kan voldoen aan de regeling. De dwangsom is bekrachtigd, omdat deze als prikkel dient voor de vader om de omgangsregeling na te leven. De kosten van de procedure worden door beide partijen zelf gedragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.409/01
zaaknummer rechtbank: C/13/762617 / FA RK 25-265
beschikking van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. W. Matadien te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. Z. Taspinar te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna; [minderjarige 2] );
- de minderjarige [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] (9 jaar), [minderjarige 2] (7 jaar) en [minderjarige 3] (3 jaar) (hierna: de kinderen).
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Daarnaast heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen en bepaald dat het de vader - in verband met vakantie - twee maal per jaar toegestaan is geen uitvoering te geven aan deze omgangsregeling, mits hij de moeder hierover uiterlijk vier weken van te voren informeert. Verder is bepaald dat de vader aan de moeder een dwangsom verschuldigd is voor iedere keer dat hij de vastgestelde omgangsregeling niet (volledig) nakomt.
De vader is het daar niet mee eens en vindt dat de ouders gezamenlijk belast moeten blijven met het gezag over de kinderen, dat hij de moeder niet vier weken van tevoren dient te informeren als hij geen uitvoering kan geven aan de omgangsregeling en dat geen dwangsom moet worden opgelegd.
De moeder wil dat de beslissingen van de rechtbank in stand blijven.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 5 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 5 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De moeder heeft op 24 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de moeder van 20 november 2025, met bijlagen.
2.4.
[minderjarige 1] heeft in een brief van 14 oktober 2025 laten weten wat hij van de zaak vindt. Tijdens de zitting heeft de voorzitter een samenvatting van die brief gegeven.
2.5
De zitting heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door I.L.C. Stuifbergen.
2.6
Na de zitting heeft de advocaat van de vader op 5 december 2025 namens de vader de ontbrekende stukken van het procesdossier in eerste aanleg ingediend.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2016,
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018,
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2022.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Hun huwelijk is op 28 december 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2023 in de registers van de burgerlijke stand. De kinderen wonen bij de moeder.
3.2
Bij deze echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de volgende zorgregeling vastgesteld:
Zolang de vader geen eigen woonruimte heeft:
  • de vader brengt [minderjarige 1] iedere zaterdag naar voetbal. Daarna haalt hij de andere twee kinderen op en alle drie de kinderen verblijven de rest van de zaterdag tot 19:00 uur bij hem;
  • alle drie de kinderen verblijven elke maandagmiddag uit school tot 19:00 uur bij de vader;
Indien de vader wel eigen woonruimte heeft zullen de kinderen om de week het weekend van vrijdagavond tot zondagavond, elke maandag na school tot 19:00 uur, en de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vader verblijven.
In beide gevallen geldt dat zolang de vader in [plaats A] woont, de vader de kinderen vijf dagen per week naar school brengt. De zomervakantie wordt bij helfte verdeeld. De kinderen zijn drie weken aaneengesloten bij de moeder en bij de vader. Voor de overige vakanties geldt in principe de hiervoor genoemde reguliere zorgregeling.
3.3
Bij vonnis in kort geding van 2 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de vader veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling die geldt als hij geen eigen woonruimte heeft, zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de vader veroordeeld om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan voornoemde veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder belast met de uitoefening van het gezag over de kinderen. Daarnaast heeft de rechtbank als omgangsregeling vastgesteld dat de vader de kinderen eens in de veertien dagen op zaterdag van 12.00 tot 17.00 uur bij zich zal hebben. De rechtbank heeft bepaald dat het de vader in verband met vakantie twee maal per jaar toegestaan is geen uitvoering te geven aan de omgangsregeling, mits hij de moeder (en niet de kinderen) hierover uiterlijk vier weken van tevoren informeert. Verder is bepaald dat de vader de moeder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor iedere keer dat hij de vastgestelde omgangsregeling niet (volledig) nakomt, tot een maximum van € 5.000,-.
4.2
De vader verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat:
- de vader wederom samen met de moeder met het gezamenlijk gezag over de kinderen wordt belast;
- de aan de vader opgelegde dwangsom wordt vernietigd;
- de bepaling in het dictum van de beschikking dat de vader in verband met vakanties de omgangsregeling slechts twee keer per jaar niet hoeft uit te voeren, wordt vernietigd, en te bepalen dat de vader in verband met onvoorziene omstandigheden en in noodsituaties niet gehouden is zich aan de omgangsregeling te houden.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader zijn eerste grief, die ziet op het huurrecht van de voormalig echtelijke woning, ingetrokken. De vader had op dat punt in hoger beroep geen verzoek geformuleerd.
4.3
De moeder verzoekt het appel en de verzoeken van de vader niet ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen, de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en de vader te veroordelen in de proceskosten.

5.De motivering van de beslissing

Wettelijk kader
5.1
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253n in verbinding met artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, in geval van een wijziging van omstandigheden, op verzoek van de ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen en dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast.
De standpunten
5.2
De vader is van mening dat hij in staat is om samen met de moeder het gezag over de kinderen uit te oefenen. De vader heeft nooit aangegeven minder betrokken te willen zijn bij de kinderen. Hij is zich bewust van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid maar hij vindt wel dat de vastgestelde zorgregeling en omgangsregeling voor hem niet uitvoerbaar en pedagogisch onwenselijk waren. De vader betwist de stelling van de moeder dat er geen communicatie mogelijk is en dat hij de huidige omgangsregeling (langdurig) niet nakomt. Sterker nog, hij ziet de kinderen vrijwel wekelijks. De vader vindt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met situaties van overmacht, waarin niet van hem kan worden verwacht dat hij vier weken vooraf meldt dat hij de omgangsregeling niet kan nakomen. De ouders moeten volgens hem flexibel kunnen handelen in het belang van de kinderen. Verder is de vader tegen de opgelegde dwangsom, omdat deze het conflict tussen de ouders vergroot. De dwangsom heeft niet gewerkt als effectueringsmiddel van de vastgestelde omgangsregeling en heeft geleid tot aanzienlijke schulden, waardoor de omgang juist verder onder druk komt te staan.
5.3
De moeder is van mening dat de rechtbank het gezamenlijke gezag terecht heeft beëindigd en haar alleen heeft belast met het gezag over de kinderen. Zij stelt dat de vader structureel heeft laten blijken geen verantwoordelijkheid te willen nemen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Communicatie met de vader is onmogelijk en levert stress op. Door het niet naleven van de regeling en het voeren van vele procedures handelt hij niet in het belang van de kinderen, zodat eenhoofdig gezag noodzakelijk blijft. Verder betwist de moeder de door de vader aangevoerde redenen waarom de omgang te belastend zou zijn. Volgens de moeder is de vastgestelde omgangsregeling haalbaar en pedagogisch verantwoord. De kinderen lijden juist onder het feit dat de vader de regeling vanaf het begin niet naleeft. Bij deze minimale regeling kan nauwelijks sprake zijn van overmacht of onvoorzienbare situaties: de vader moet wijzigingen in de omgangsregeling tijdig melden. Omdat de vader zich niet aan afspraken en rechterlijke uitspraken houdt, acht zij een dwangsom noodzakelijk.
Advies van de raad
5.4
De raad heeft het hof tijdens de zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Volgens de raad is de situatie in deze zaak verbeterd, en heeft de eerder door de rechtbank genomen beslissing hieraan in belangrijke mate bijgedragen. De raad acht de beslissing van de rechtbank in overeenstemming met de feitelijke situatie, waarin de moeder de dagelijkse beslissingen omtrent de kinderen neemt en er geen sprake is van vertraging in de besluitvorming. Het uitoefenen van gezag brengt niet uitsluitend rechten mee, maar eveneens verplichtingen, waaronder het bieden van onderdak en het voorzien in de dagelijkse verzorging. De vader onderneemt weliswaar activiteiten met de kinderen, zoals bezoeken aan Monkey Town en het bijwonen van voetbal, maar de opvoeding en verzorging van kinderen vergen verdergaande verantwoordelijkheden. De raad vindt niet dat de communicatie tussen de ouders via [minderjarige 1] dient te verlopen, zoals vanuit de vader in het verleden is gebeurd. Ten aanzien van de afspraak dat wijzigingen in het contact tussen de vader en de kinderen vier weken van tevoren moeten worden doorgegeven, wijst de raad erop dat dit tot praktische problemen kan leiden en dat een termijn van ongeveer één week mogelijk passender is.
De beoordeling van het hof
Gezag
5.5
Het hof dient te beoordelen of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd, zoals de rechtbank heeft gedaan. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is, zodat de moeder alleen het gezag over hen uitoefent. Daartoe overweegt het hof als volgt.
5.6
Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Het hof constateert dat de ouders een slechte verstandhouding hebben, waarbij zij niet tot nauwelijks met elkaar communiceren. De vader heeft in 2022 de voormalig echtelijke huurwoning verlaten en het huwelijk van de ouders is in december 2023 ontbonden. De omgangsregeling tussen de kinderen en de vader is moeizaam op gang gekomen en zorgt tot op heden nog voor spanning tussen de ouders. De vader is meermaals de zorg- en omgangsregeling niet nagekomen en zowel in de echtscheidingsprocedure als in de daaropvolgende procedure in kort geding is aan de orde gekomen dat hij onvoldoende ouderlijke verantwoordelijkheid neemt. Zoals de raad tijdens de zitting in hoger beroep in dit kader ook heeft opgemerkt, behelst de uitoefening van gezamenlijk gezag meer dan alleen maar leuke dingen doen met de kinderen, een (minimale) omgangsregeling uitvoeren of het zetten van een handtekening onder een toestemmingsformulier. De vader is door het minimale contact met de moeder over de kinderen, maar ook door de minimale omgangsregeling, onvoldoende betrokken in het leven van de kinderen. Dat staat in de weg aan een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. De vader communiceert alleen maar met de negenjarige [minderjarige 1] in plaats van met de moeder. Dat is voor [minderjarige 1] zeer belastend.
De moeder moet als hoofdopvoeder van de kinderen in staat zijn om adequaat, zonder vertraging en zonder onnodige mentale belasting gezagsbeslissingen te nemen. Dat is temeer van belang omdat twee van de drie kinderen extra aandacht nodig hebben, waardoor iedere vertraging bij een beslissing mogelijk gevolgen kan hebben. [minderjarige 2] heeft autisme en volgt speciaal onderwijs. [minderjarige 3] volgt een intensief logopedie- en fysiotherapietraject. Het hof heeft er geen vertrouwen in dat de ouders binnen afzienbare tijd voldoende in staat zullen zijn gezamenlijk te overleggen en te beslissen over kwesties die de kinderen aangaan. Concluderend is het hof daarom van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarin het gezamenlijk gezag van de ouders is beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag is belast.
Omgang
5.7
De rechtbank heeft bepaald dat de vader de kinderen eens in de veertien dagen op zaterdag van 12:00 uur tot 17:00 uur bij zich zal hebben, waarbij het hem in verband met vakantie tweemaal per jaar is toegestaan hier geen uitvoering aan te geven, mits hij de moeder (en niet de kinderen) hierover uiterlijk vier weken van te voren informeert. De vader heeft het hof verzocht te bepalen dat hij in geval van onvoorziene omstandigheden of noodsituaties niet gehouden is om zich aan de omgangsregeling te houden. Juist omdat zo’n situatie niet voorzienbaar is kan de vader de moeder hierover niet vooraf informeren.
5.8
Het hof overweegt dat het van belang is dat een omgangsregeling voorspelbaar en duidelijk is, zowel voor de kinderen als voor de ouders. Het hof is van oordeel dat de verplichting om de moeder vier weken van tevoren te informeren terecht kan zijn, omdat dit haar voldoende tijd biedt om alternatieve afspraken te maken en eventueel opvang voor de kinderen te organiseren. Het hof ziet echter aanleiding om de vader een kortere termijn van twee weken te geven om de moeder van een verhindering in de nakoming van de omgangsregeling op de hoogte te stellen. Het hof is van oordeel dat deze aangepaste regeling recht doet aan de belangen van de kinderen, waarbij de voorspelbaarheid en continuïteit van de omgangsregeling gewaarborgd blijven, terwijl ook rekening wordt gehouden met de behoefte aan flexibiliteit die voor de vader in sommige gevallen noodzakelijk kan zijn.
Gelet op het bovenstaande, zal het hof de beschikking van de rechtbank op dit punt vernietigen en beslissen zoals hierna zal volgen.
Dwangsom
5.9
Ten aanzien van de dwangsom overweegt het hof als volgt.
Het hof zal de door de rechtbank bepaalde dwangsom bekrachtigen. Een niet met het gezag belaste ouder heeft volgens artikel 1:377a lid 1 BW niet alleen het recht, maar ook de plicht tot omgang met zijn kind. In het verleden is de uitvoering van de zorg- en omgangsregeling niet altijd goed verlopen. De vader heeft zich hier meermaals niet aan gehouden en is een aantal keer niet komen opdagen bij de omgangsmomenten, waardoor de moeder in december 2024 een kortgedingprocedure tot nakoming van de zorgregeling heeft moeten starten. Ondanks dat beide ouders tijdens de zitting in hoger beroep hebben verklaard dat op dit moment wel uitvoering wordt gegeven aan de omgangsregeling, bevindt deze zich nog in een prille fase, waarbij de (uitvoering van de) omgangsregeling nog geregeld voor spanning zorgt. Het hof acht een financiële prikkel gerechtvaardigd, om de vader te bewegen om in het belang van de kinderen uitvoering te (blijven) geven aan de omgangsregeling. Daarbij heeft te gelden dat wanneer de vader de regeling nakomt, hij geen financieel nadeel zal ondervinden van deze veroordeling. Het hof wijst er tot slot op dat wanneer zich aan de kant van de vader werkelijk een noodsituatie voordoet en tussen de ouders een geschil daarover rijst, de vader zich met een beroep op artikel 611d lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot de rechter kan wenden.
5.1
Gelet op de aard en de uitkomst van deze procedure ziet het hof geen aanleiding om de vader in de proceskosten te veroordelen, zoals door de moeder verzocht. Iedere partij dient de eigen kosten te dragen.
5.11
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is beslist dat het de vader in verband met vakantie tweemaal per jaar is toegestaan geen uitvoering te geven aan de omgangsregeling, mits hij de moeder (en niet de kinderen) hierover uiterlijk vier weken van tevoren informeert, en, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat het de vader in verband met vakantie of een andere reden tweemaal per jaar is toegestaan geen uitvoering te geven aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling, mits hij de moeder (en niet de kinderen) hierover uiterlijk twee weken van tevoren informeert;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. M. Groenleer, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.