ECLI:NL:GHAMS:2026:475

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-001579-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voorhanden hebben grote hoeveelheid verdovende middelen en eenvoudig witwassen

Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid verdovende middelen (2C-B, MDMA en cocaïne) en het eenvoudig witwassen van een geldbedrag van €3.260,75.

De verdediging voerde onherstelbare vormverzuimen aan, waaronder een onrechtmatige staandehouding en het ontbreken van cautie bij verhoor, en betwistte het wettig en overtuigend bewijs. Het hof oordeelde echter dat de staandehouding rechtmatig was op basis van een redelijk vermoeden van schuld en dat de verdachte niet behoefde te worden gewezen op zijn recht op rechtsbijstand voorafgaand aan de vragen over drugsbezit.

Het hof achtte bewezen dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk bij zich had en dat het geldbedrag afkomstig was uit eigen misdrijf, waarbij de verklaring van de verdachte over een lening niet geloofwaardig werd bevonden. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met een subsidiaire hechtenis van 40 dagen, en het geldbedrag werd verbeurd verklaard. De Kamagra-pillen werden onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 80 uren en verbeurdverklaring van €3.260,75 wegens bezit van harddrugs en eenvoudig witwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001579-25
Datum uitspraak: 22 januari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2025 in de strafzaak onder de parketnummers
13-126029-24 en 15-335342-22 (TUL) tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
feit 1hij op of omstreeks 13 april 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 22 roze pillen (4,67 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
2C-B en/of
- ongeveer 35 grijze pillen (15,70 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of
- ongeveer 1 capsule met wit poeder (0,73 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde 2C-B en/of MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2hij op of omstreeks 13 april 2024, te Amsterdam, in elk geval in Nederland (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer € 3.260,75
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bevestiging van het vonnis. De advocaat-generaal heeft gesteld dat van onherstelbare vormverzuimen geen sprake is geweest nu er een redelijk vermoeden van schuld was, de verdachte terecht staande is gehouden, en van een verhoor als verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding geen sprake is geweest. Bewijsuitsluiting is derhalve niet aan de orde, aldus de advocaat-generaal.
Feit 1 kan worden bewezen op grond van het proces-verbaal van bevindingen van het aantreffen van de verdovende middelen en de rapporten van het NFI. Voor wat betreft het eerste gedachtestreepje kan ‘circa 4,40 gram’ worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 kan het aangetroffen geldbedrag worden gekoppeld aan het verkopen van drugs.
Standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen, nu tijdens het onderzoek een drietal onherstelbare vormverzuimen (het hof begrijpt: als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv)) heeft plaatsgevonden, hetgeen enkel kan worden gecompenseerd door bewijsuitsluiting. Ze heeft daartoe aangevoerd dat de staandehouding van de verdachte op 23 april 2024 op de Nassaukade in Amsterdam onrechtmatig was, nu er geen enkel redelijk vermoeden van schuld was aan enig strafbaar feit. Voorts is de verdachte door de politie gehoord zonder dat hem de cautie is meegedeeld of hem een kennisgeving is gedaan omtrent zijn recht op rechtsbijstand. Hierdoor zijn het recht op een eerlijk proces, het recht op privacy en de bewegingsvrijheid van de verdachte op dusdanig ernstige wijze aangetast, dat bewijsuitsluiting van de bevindingen van de politie en alle daaropvolgende onderzoeksresultaten het gevolg moeten zijn.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft een concrete en verifieerbare verklaring voor het geld en had het geld rechtmatig onder zich.
Oordeel van het hof
Geen vormverzuimen
Uit het proces-verbaal van 13 april 2024 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossier pagina 6 en verder), blijkt het volgende. Op 13 april 2024 omstreeks 2:40 uur kregen de verbalisanten de opdracht te gaan naar de Nassaukade te Amsterdam, alwaar twee mannen met zaklampen in voertuigen zouden kijken. Het was de verbalisanten bekend dat op de Nassaukade veel inbraken in voertuigen plaatsvonden. Dit gebeurde veelal in de nachtelijke uren. De twee mannen hadden het volgende signalement: 20-30 jaar en licht getint, waarbij de eerste man zwart kort haar had en een zwarte pufferjas droeg.
De verbalisanten zagen op de hoek van de Nassaukade met de Eerste Helmersstraat een blauwe scooter staan met draaiende motor waarop een man zat met het signalement: licht getint, tussen 20-30 jaar en met een zwarte pufferjas. Hierop hebben de verbalisanten de man staande gehouden om te controleren of deze in het bezit was van inbrekerswerktuig. Deze man bleek later de verdachte te zijn. De verbalisant [verbalisant 1] liep als eerste naar de verdachte toe en legde hem uit dat iemand met zijn signalement in auto’s aan het schijnen was. De verbalisant vroeg of hij in het bezit was van een zaklamp of inbrekersgereedschap. De verdachte zei dat hij niet zoiets bij zich had. De verbalisant [verbalisant 1] zei vervolgens dat zij dan wel even in zijn tas mocht kijken. De verdachte antwoordde daarop: “Maar je mag toch niet op de Opiumwet in mijn tas kijken?”. Hierop zei de verbalisant [verbalisant 1] : “Ik heb het nooit gehad over opium, heb je drugs bij je?”
De verbalisanten zagen dat de verdachte erg zenuwachtig werd en van de zenuwen begon te stotteren. Ambtshalve was het de verbalisanten bekend dat in het gebied dat grenst aan de Nassaukade veel horecagelegenheden zijn met grote aantallen bezoekers, waarvan een aantal cocaïne gebruikt en dat in dit gebied met grote regelmaat in verdovende middelen wordt gehandeld. De verbalisant [verbalisant 2] heeft bij de verdachte in verband met zijn zenuwachtige gedrag transportboeien aangelegd, dit omdat het de verbalisanten bekend was dat verdachten die zich bezighouden met handel in verdovende middelen zich vaak proberen te onttrekken aan hun aanhouding. De verbalisant [verbalisant 1] vorderde vervolgens de uitlevering van alle verdovende middelen. Hierop vroeg zij nogmaals of de verdachte drugs in zijn tas had zitten. Ze hoorde hem zeggen: “Ja”. Hierop opende de verbalisant de tas van de verdachte en trof daar een doorzichtige plastic zak aan met wat haar ambtshalve bekend was als verdovende middelen. De verbalisanten hebben de verdachte vervolgens aangehouden ter zake van handel in verdovende middelen, en de verdachte is overgebracht naar het cellencomplex Nieuw West om te worden voorgeleid aan de hulpofficier van justitie.
Gelet op de voorinformatie die de verbalisanten hadden omtrent personen die mogelijk bezig waren met auto-inbraken en het signalement van de ter plaatse aangetroffen verdachte, dat overeenkwam met het signalement van een van de twee mannen die in de voorinformatie voorkwamen, was de staandehouding naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig.
Ten aanzien van het verweer dat de verdachte door de politie is gehoord zonder dat hem de cautie is meegedeeld of hem een kennisgeving is gedaan omtrent zijn recht op rechtsbijstand overweegt het hof als volgt. Artikel 29 lid 2 Sv Pro beoogt de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. Op grond van die bepaling dient de verdachte voor zijn verhoor te worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden en dient die mededeling in het proces-verbaal te worden opgenomen. Wanneer door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, is sprake van een verhoor. Op grond van artikel 27 lid 1 Sv Pro wordt als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Daarom kan, ook als (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en daardoor van een verhoorsituatie (vgl. HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056).
In de onderhavige zaak hoefde echter aan de verdachte niet de in artikel 29 lid 2 Sv Pro bedoelde mededeling te worden gedaan voorafgaand aan de door de opsporingsambtenaren bij herhaling gestelde vraag of hij verdovende middelen bij zich had, omdat deze vraag niet ging over de betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte was aangemerkt. Op het moment dat de opsporingsambtenaar de hiervoor bedoelde vraag aan de verdachte stelde, bestond er (nog) geen redelijk vermoeden van schuld ter zake van het aanwezig hebben van verboden spullen in het algemeen of van overtredingen van de Opiumwet. Deze opsporingsambtenaar had immers niet meer geconstateerd dan dat de verdachte uit eigen beweging de opmerking maakte dat de verbalisant toch niet op grond van de Opiumwet in zijn tas mocht kijken en dat hij zich in de nachtelijke uren – na te zijn aangesproken door de politie – zenuwachtig gedroeg op een plek nabij een gebied waar veel in verdovende middelen werd gehandeld. Omdat er op dat moment nog geen sprake was van een verhoorsituatie zoals hiervoor omschreven behoefde de verdachte, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, ook niet te worden gewezen op een recht op rechtsbijstand. Het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de verdachte met betrekking tot handelen in strijd met de Opiumwet ontstond eerst nadat de verdachte ‘ja’ antwoordde op de vraag of hij drugs in zijn tas had. Op grond van artikel 9 lid 3 van Pro de Opiumwet waren zij gerechtigd in de tas te kijken en bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen.
Uit het voorgaande volgt dat van een vormverzuim als bedoeld door de raadsvrouw is geen sprake geweest. Het verweer wordt om die reden verworpen.
Feit 1
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de tas van de verdachte de volgende verdovende middelen zijn aangetroffen: 22 pillen (4,40 gram) van een materiaal bevattende 2C-B, 35 pillen (15,70 gram) van een materiaal bevattende MDMA en een capsule (0,73 gram) van een materiaal bevattende cocaïne.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Feit 2
In de tas van de verdachte is in totaal een bedrag van € 3.260,75 aangetroffen. Het hof stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen het geldbedrag en een concreet aan te duiden misdrijf. Niettemin kan bewezen worden dat dit geldbedrag ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden, waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
In de tas van de verdachte is, naast het geldbedrag, ook een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen gepaard gaat met grote hoeveelheden contant geld. Deze omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf van de verdachte.
De verdachte heeft zich bij het verhoor van de politie op 13 april 2024 op vragen over het in beslag genomen geldbedrag op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw een schriftelijke verklaring van de verdachte van 7 januari 2026 overgelegd, waarin staat dat hij een lening had bij [persoon] om zijn schulden af te betalen en dat dat de reden was waarom hij geld op zak had. Ter onderbouwing van deze verklaring is een verklaring van [persoon] en een overeenkomst van 3 april 2024 overhandigd, waarin staat vermeld dat de verdachte een bedrag van € 4.000,00 heeft geleend.
Het hof is van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het aangetroffen geldbedrag niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, zodat het witwasvermoeden in zoverre niet is weerlegd. Het hof acht de verklaring volstrekt ongeloofwaardig. Het hof betrekt daarbij dat de verklaring pas in een zeer laat stadium is afgelegd, terwijl de verdachte daartoe veel eerder de gelegenheid heeft gehad. In eerste aanleg is door de
gemachtigdraadsman ook geen enkele melding gemaakt van een - volstrekt onschuldige - herkomst van de gelden.
Daarbij merkt het hof nog op dat uit de ‘overeenkomst van geldlening’ niet blijkt dat het geld dat zou zijn geleend van [persoon] (en zou moeten worden terugbetaald op de bankrekening van een vennootschap, [bedrijf] BV) contant ter beschikking zou zijn gesteld. Tenslotte blijkt niet van een relatie tussen de beweerdelijke geldlening van 3 april 2024 en het in het holst van de nacht op 13 april 2024 bij de verdachte aangetroffen contante geldbedrag. Het hof merkt in dat verband op dat het geleende geld ter beschikking zou zijn gesteld om CJIB- en huurschulden te voldoen, en dat het dan onaannemelijk is dat de verdachte dit bedrag (dat dus per bank zou worden terugbetaald) 10 dagen later ’s nachts nog bij zich zou dragen.
Het hof acht daarmee bewezen dat het bedrag van € 3.260,75 afkomstig is uit misdrijf.
De bewezen gedraging omvat niet meer dan het enkele voorhanden hebben van het voorwerp. Door de wijze en het moment van aantreffen van de gelden gaat het hof er vanuit dat het geld onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan ‘eigen’ misdrijf. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1hij op 13 april 2024 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 22 roze pillen (4,40 gram) van een materiaal bevattende 2C-B en
- 35 grijze pillen (15,70 gram) van een materiaal bevattende MDMA en
- 1 capsule met wit poeder (0,73 gram) van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde 2C-B en MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2hij op 13 april 2024 te Amsterdam een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 3.260,75 voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals weergegeven in de bij dit arrest gevoegde bijlage.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudig witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring één of beide feiten komt – te volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dan wel een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een baan en een relatie heeft, de feiten van anderhalf jaar geleden dateren en artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Het opleggen van een gevangenisstraf zou de positieve ontwikkeling in het leven van de verdachte doorkruisen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een grote hoeveelheid verdovende middelen voorhanden gehad. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs. De verdachte heeft bij het plegen van het feit alleen gedacht aan zijn eigen gewin. Hij heeft namelijk ook een geldbedrag voorhanden gehad, terwijl hij wist dat het geldbedrag afkomstig was uit eigen misdrijf. Door witwassen wordt het financiële en economische verkeer aangetast. Dit heeft eveneens een ontwrichtende werking op de maatschappij.
Uit het strafblad van de verdachte van 18 december 2025 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Het hof heeft bij het bepalen van de soort en omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daar wordt in het geval van het aanwezig hebben van 20,83 gram harddrugs een taakstraf van 80 uren genoemd. Het hof acht deze straf passend en geboden. Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding geen straf of maatregel op te leggen in de zin van artikel 9a Sr, dan wel een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Beslag
Onder de verdachte zijn een geldbedrag van € 3.260,75 en zeven Kamagra pillen in beslag genomen. Deze voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Het geldbedrag is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit een voorwerp betreft met betrekking tot welke het onder 2 tenlastegelegde is begaan. De Kamagra pillen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feiten aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Deze pillen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Het hof zal geen beslissing nemen ten aanzien van de in beslag genomen telefoon, omdat uit het dossier blijkt dat deze al aan de verdachte is teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36d, 57, 63 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de tenuitvoerlegging is gekoppeld aan een ander vonnis.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen, omdat de straf reeds op 2 april 2025 ten uitvoer is gelegd. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw desgevraagd meegedeeld niet zeker te weten of de verdachte de taakstraf al heeft uitgevoerd.
Meer subsidiair dient de vordering te worden afgewezen vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Meest subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Niet is gebleken dat de voorwaardelijk opgelegde straf reeds ten uitvoer is gelegd. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof ziet in de geschetste persoonlijke omstandigheden geen aanleiding de vordering af te wijzen dan wel de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een bedrag van € 15,75 (goednummer 6488838);
- een bedrag van € 3.245,00 (goednummer 6488829).
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
zeven Kamagra pillen (goednummer 6488841).
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2023, parketnummer 15-335342-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. P. Greve en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026.
De voorzitter en de jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat het arrest te ondertekenen.

Bijlage: bewijsmiddelen

1.
Een proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 9).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
Op 13 april 2024 waren wij met noodhulp belast. Wij kregen van het operationeel centrum de opdracht om te gaan naar de Nassaukade te Amsterdam. Wij zagen op de hoek van de Nassaukade en de Eerste Helmerstraat een scooter staan met draaiende motor. Wij zagen dat op de scooter één persoon zat. Deze man bleek later te zijn: [verdachte] ( [verdachte] ). Ik vorderde de uitlevering van alle verdovende middelen. Hierop vroeg ik of [verdachte] drugs in zijn tas had zitten. Ik hoorde hem zeggen: “Ja”. Hierop opende ik zijn tas en trof daar een plastic zak aan met wat mij ambtshalve bekend is als zijnde verdovende middelen.
2.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 13 april 2024 (doorgenummerde pagina’s 24 tot en met 28).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Datum: 13 april 2024
Beslagene: [verdachte]
Omstandigheden: aangetroffen in de tas van de verdachte
Goednummer: PL1300-2024086205-6488839
Object: pillen
Aantal/eenheid: 22 stuks
Bijzonderheden: roze pilletjes, verpakt in gripzakjes
Goednummer: PL1300-2024086205-6488850
Object: pillen
Aantal/eenheid: 35 stuks
Bijzonderheden: 7 x gripzakjes met in totaal 5 grijze pillen
Goednummer: PL1300-2024086205-6488852
Object: poeders
Bijzonderheden: 1 x capsule met wit poeder
3.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 13 april 2024 (doorgenummerde pagina 29).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Datum: 13 april 2024
Beslagene: [verdachte]
Omstandigheden: aangetroffen in de tas van de verdachte
Goednummer: PL1300-2024086205-6488838
Object: geld (munten)
Totale hoeveelheid: € 15,75
4.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 13 april 2024 (doorgenummerde pagina 22).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Datum: 13 april 2024
Beslagene: [verdachte]
Omstandigheden: aangetroffen in het tasje van de verdachte
Goednummer: PL1300-2024086205-6488829
Object: geld
Totale hoeveelheid: € 3245
5.
Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 30 mei 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 50 tot en met 54).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
De volgende onderzoeksitems zijn aangeboden voor onderzoek:
Uniek Voorwerp Nummer: AARC0418NL
BVH Goednummer: G6488852
Object omschrijving: Wit poeder, in een potje met een snuiflepel
Kleur: Wit
Nettogewicht: 0,73 gram
Uniek Voorwerp Nummer: AARC0417NL
BVH Goednummer: G6488850
Object omschrijving: Grijs tablet, diamantvorm, met logo ‘PUNISHER’. Verpakt per 5 in een
gripzak.
Kleur: Grijs
Nettogewicht: 15,70 gram
Uniek Voorwerp Nummer: AARC0416NL
BVH Goednummer: G6488839
Object omschrijving: 22 hele tabletten, waarop logo van paddenstoel (mario), en gruis. Opschrift 2-CB op achterzijde breuklijn.
Kleur: Roze
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AARC0416NL
Uniek Voorwerp Nummer: AAQH1348NL
Object omschrijving: Monstername
6.
Een geschrift, te weten een NFI-rapport met nummer 2025.05.19.078 (aanvraag 001) van 19 mei 2025, opgemaakt door ing. C.M.M. Diever-Heezen, NFI-deskundige (doorgenummerde pagina 48).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Kenmerk: AARC0417NL
Omschrijving FO: tablet, grijs, uit 15,70 gram
Conclusie: bevat MDMA
7.
Een geschrift, te weten een NFI-rapport met nummer 2025.05.19.078 (aanvraag 002) van 19 mei 2025, opgemaakt door ing. C.M.M. Diever-Heezen, NFI-deskundige (doorgenummerde pagina 49).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Kenmerk: AARC0418NL
Omschrijving FO: poeder, wit, uit 0,73 gram
Conclusie:bevat cocaïne
8.
Een geschrift, te weten een NFI-rapport met nummer 2025.05.19.078 (aanvraag 003) van 6 juni 2025, opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, NFI-deskundige (losse bijlage).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Kenmerk: AAQH1348NL
Omschrijving: monster, gleuftabletten (à 0,20 gram), poeder en tabletdelen, roze, Mario Paddenstoel / “2-CB”
Resultaat:bevat 2C-B
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° Sv betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.