ECLI:NL:GHAMS:2026:479

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-001161-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor onthouden verzorging en gebruik stroomhalsbanden bij honden

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het onthouden van de nodige verzorging aan meerdere honden en het gebruiken van stroomhalsbanden, in strijd met de Wet dieren. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en kwam tot een andere bewezenverklaring.

Het hof oordeelde dat de verdachte honden in te kleine benches hield, één hond in een ruimte met onvoldoende verlichting huisvestte en de honden geen onbeperkte toegang tot water bood. Daarnaast gebruikte hij stroomhalsbanden die verboden zijn volgens de Wet dieren. Voor sommige tenlastegelegde feiten ontbrak echter voldoende bewijs, waardoor de verdachte daarvan werd vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

De strafmaat werd vastgesteld op een taakstraf van 100 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van drie jaar, en een bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen dieren mag houden. Het hof vond een houdverbod passend gezien de ernst van de feiten, maar kon het formeel niet opleggen vanwege de datum van inwerkingtreding van de betreffende wetsbepaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 100 uur, voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en dierenhoudverbod gedurende proeftijd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001161-25
Datum uitspraak: 22 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer
13-160748-24 tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1hij, in of omstreeks de periode van 4 mei 2023 tot en met 7 februari 2024, te Amstelveen en/of Nieuwersluis en/of Vinkeveen en/of Voorthuizen en/of Lunteren, in elk geval in Nederland, als houder van een of meer dieren, te weten een of meerdere honden van het ras Hollandse Herder en/of Mechelse Herder en/of een ander herdershondenras, waaronder (maar niet beperkt tot) honden met de namen [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] , de nodige verzorging aan deze dieren heeft onthouden, door:
- deze honden te plaatsen en/of te houden in te kleine hokken, benches en/of transportkooien, en/of
- deze honden te houden onder onhygiënische omstandigheden, te weten in een vervuilde ruimte en/of in hun eigen uitwerpselen, en/of
- deze honden te huisvesten in een ruimte met onvoldoende verlichting, en/of
- deze honden geen of onvoldoende voeding te geven, en/of
- deze honden geen onbeperkte toegang tot water te bieden, en/of
- deze honden niet of onvoldoende uit te laten, en/of
- deze honden de noodzakelijke medische zorg te onthouden, door hen niet of niet tijdig op passende wijze te verzorgen en/of niet naar een dierenarts te brengen;
feit 2hij, in of omstreeks de periode van 21 januari 2024 tot en met 6 februari 2024, te Vinkeveen en/of Bennekom, in elk geval in Nederland, zonder redelijk doel en/of op een wijze waarbij de toelaatbare mate van pijn en/of letsel bij een dier werd overschreden, een of meerdere honden van het ras Hollandse Herder en/of Mechelse Herder en/of een ander herdershondenras,
- heeft voorzien van een stroomhalsband en/of deze honden heeft blootgesteld aan het gebruik daarvan, althans apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven, waarbij ten minste twee honden te Vinkeveen daadwerkelijk een stroomhalsband om hadden, en/of
- een of meerdere stroomhalsbanden voorhanden heeft gehad, bestemd voor gebruik bij honden,
zulks terwijl het gebruik van apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven, als verboden gedraging is aangewezen in de zin van artikel 2.1, derde lid, van de Wet dieren, juncto artikel 1.3 onder h van het Besluit houders van dieren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bespreking verweer nietigheid dagvaarding

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft preliminair en bij pleidooi herhaald betoogd dat de dagvaarding partieel nietig is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat ten aanzien van feit 1, voor zover het betreft het achter het tweede, derde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje vermelde op geen enkele manier duidelijk wordt welke verwijten op welke locaties gelden en ten aanzien van welke dieren.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. De tenlastelegging dient in combinatie met het dossier te worden gelezen en uit de verklaringen blijkt duidelijk wat er geconstateerd is en wat de verdachte verweten wordt.
Oordeel van het hof
Bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding gaat het om de vraag of het gemaakte verwijt voor de verdachte te begrijpen is, hetgeen naar het oordeel van het hof het geval is. De tekst van de tenlastelegging – waarin ook de namen van de honden worden genoemd – heeft in combinatie met het onderliggende dossier voldoende duidelijk gemaakt waartegen de verdachte zich heeft moeten verdedigen. Daarnaast is uit het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg niet gebleken dat de verdachte niet wist waartegen hij zich heeft moeten verdedigen. Ook uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte wist waarvan hij wordt verdacht. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bevestiging van het vonnis. De feiten kunnen worden bewezen op grond van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen. Ten aanzien van feit 1 heeft hij aangevoerd dat hetgeen vermeld staat achter het zesde (onvoldoende uitlaten) en zevende (onthouden noodzakelijke medische zorg) gedachtestreepje niet bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van feit 2 kan hetgeen vermeld staat achter het tweede gedachtestreepje niet bewezen worden verklaard. Bij repliek heeft de advocaat-generaal zich nog op het standpunt gesteld dat ook het niet of onvoldoende uitlaten van de honden bewezen kan worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van feit 1. Voor hetgeen vermeld staat achter het eerste gedachtestreepje (te kleine benches) blijkt uit het dossier niet meer dan dat enkele honden enkel in het begin van de tenlastegelegde periode zijn gezien in benches die als klein werden omschreven. Niet blijkt dat die honden daarin werden gehuisvest of daar dermate lange perioden aaneengesloten in verbleven, dat gesproken kan worden van een zodanige beperking in bewegingsvrijheid dat daarmee sprake is van zorgonthouding. Voor wat vermeld staat achter het tweede gedachtestreepje (onhygiënische huisvesting) geldt dat het dossier niet meer inhoudt dan dat bij de twee controles in het huis van de verdachte in [adres 2] is beschreven dat het huis ‘vervuild’ zou zijn. Van een onhygiënische huisvesting die zijn weerslag heeft op de gezondheid en het welzijn van de dieren is niet gebleken. Voor hetgeen vermeld staat achter het derde gedachtestreepje (onvoldoende verlichting) blijkt uit het dossier dat op één moment één hond op een wat donkere plek zit, maar dat is onvoldoende bewijs voor het hier tenlastegelegde. Voor hetgeen vermeld staat achter het vierde en vijfde gedachtestreepje (onthouden van voeding en water) geldt dat uit het dossier niet blijkt dat de dieren niet voldoende drinkwater of voeding kregen. Daarnaast bestaat er geen rechtsregel waaruit volgt dat een dier permanent de beschikking over water moet hebben en de voerbak steeds gevuld moet zijn. Weliswaar was één hond mager, maar dat staat haaks op het feit dat bij een eerdere controle werd opgemerkt dat de honden er goed uitzagen en een goede conditie hadden. Voor hetgeen vermeld staat achter het zesde en zevende gedachtestreepje (onvoldoende uitlaten en onthouden noodzakelijke medische zorg) ontbreekt het bewijs.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van hetgeen vermeld staat achter het tweede gedachtestreepje dient te worden vrijgesproken, omdat het enkele bezit van een stroomhalsband niet strafbaar is. Wat betreft hetgeen is opgenomen achter het eerste gedachtestreepje heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Feit 1
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verbalisanten op 12 juni 2023 in de woning van de verdachte vier honden hebben gezien die in te kleine benches zaten, die niet waren voorzien van drinkbakken met water. Eén van deze honden zat in een bench in een ruimte onder de trap waar nauwelijks daglicht was. Tijdens een controle op 21 juni 2023 was de bench onder de trap nog niet verplaatst. Tijdens een controle op 11 oktober 2023 hebben de verbalisanten wederom een bench onder de trap aangetroffen en had de hond – die de verbalisant herkende als de hond die bij eerdere controles in de bench onder de trap zat – niet vrij de beschikking over water. De drinkbak stond immers buiten het appartement op de galerij. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hetgeen is geconstateerd met betrekking tot de drinkbakken klopte en dat de honden als hij niet aanwezig was in benches waren opgesloten en niet vrij door het huis konden rondlopen, omdat dat lastig is als je vaak niet thuis bent. Hij ging vaak om 14:00 uur naar zijn vader en kwam dan om een uur of 22:00 uur weer thuis.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de nodige verzorging aan zijn honden heeft onthouden, door deze honden te plaatsen en/of te houden in te kleine benches, één van zijn honden te huisvesten in een ruimte met onvoldoende verlichting en de honden geen onbeperkte toegang tot water te bieden. Naar het oordeel van het hof kunnen de overige gedachtestreepjes niet worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 21 januari 2024 drie honden een halsband om hadden die stroomstoten konden afgeven. De verdachte heeft bekend dat hij schokstroombanden om de hals van de honden heeft gedaan en dat hij deze heeft gebruikt. Verder heeft hij op 6 februari 2024 twee stroomstoothalsbanden aanwezig gehad in zijn auto.
Gelet op het voorgaande acht het hof hetgeen onder feit 2 vermeld staat wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1hij in de periode van 12 juni 2023 tot en met 11 oktober 2023 in Nederland, als houder van meerdere honden van het herdershondenras, de nodige verzorging aan deze dieren heeft onthouden, door:
- deze honden te plaatsen en/of te houden in te kleine benches en/of
- deze hond te huisvesten in een ruimte met onvoldoende verlichting en/of
- deze honden geen onbeperkte toegang tot water te bieden;
feit 2hij
- op 21 januari 2024 te Vinkeveen zonder redelijk doel en/of op een wijze waarbij de toelaatbare mate van pijn en/of letsel bij een dier werd overschreden, meerdere honden van het herdershondenras heeft voorzien van een stroomhalsband en deze honden heeft blootgesteld aan het gebruik daarvan, waarbij ten minste twee honden te Vinkeveen daadwerkelijk een stroomhalsband om hadden
- en op 6 februari 2024 in Nederland meerdere stroomhalsbanden voorhanden heeft gehad, bestemd voor gebruik bij honden
zulks terwijl het gebruik van apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven, als verboden gedraging is aangewezen in de zin van artikel 2.1, derde lid, van de Wet dieren, juncto artikel 1.3 onder h van het Besluit houders van dieren.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje bewezenverklaarde (de honden geen onbeperkte toegang tot water bieden) en het onder 2 ten aanzien van het tweede gedachtestreepje (het voorhanden hebben van stroomhalsbanden) leveren geen strafbare feiten op. Met betrekking tot het geen onbeperkte toegang tot water bieden merkt het hof op dat uit het dossier en hetgeen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard wel vaststaat dat de verdachte op meerdere momenten volstrekt onvoldoende toegang tot water heeft geboden, maar dat geen wettelijke regeling dwingt tot een
onbeperktetoegang tot water.
De verdachte dient daarom in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Verder is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde ten aanzien van hetgeen achter het eerste en derde gedachtestreepje staat vermeld levert op:
zich gedragen in strijd met het voorschrift, vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde ten aanzien van hetgeen achter het eerste gedachtestreepje staat vermeld levert op:
zich gedragen in strijd met het voorschrift, vastgesteld krachtens artikel 2.1, eerste en derde lid, van de Wet dieren.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de politierechter een maatregel in de zin van artikel 8.11a, tweede lid, van de Wet dieren opgelegd en daarmee verboden dat de verdachte huisdieren zal houden, voor de duur van vijf jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft aangevoerd dat een lagere straf dan de politierechter heeft opgelegd is aangewezen, gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 1. Het opleggen van een houdverbod is een brug te ver, omdat de verdachte niet eerder is veroordeeld en uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat de verdachte in het geheel niet in staat zou zijn voor dieren te zorgen. Indien een houdverbod aangewezen zou zijn, geldt bovendien dat ook voor een beperkt houdverbod kan worden gekozen, bijvoorbeeld inhoudende dat het aantal dieren dat de verdachte mag houden wordt beperkt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft gedurende een langere periode meerdere honden niet de juiste zorg gegeven. Adequate huisvesting en verzorging zijn vanuit welzijnsoogpunt van groot belang voor ieder dier. Het houden van dieren is niet vrijblijvend. Wie (van) dieren houdt, draagt daarvoor ook de verantwoordelijkheid. Ondanks herhaalde aanmaningen daartoe, heeft de verdachte de zorg voor de dieren slechts zeer beperkt verbeterd. Daarnaast heeft hij verboden stroomhalsbanden voor enkele van de honden gebruikt. Dit zijn ernstige feiten.
Uit het strafblad van de verdachte van 18 december 2025 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Het hof zal, alles afwegende en gelet op het feit dat de verdachte van enkele tenlastegelegde gedachtestreepjes van feit 1 wordt vrijgesproken dan wel wordt ontslagen van rechtsvervolging, een lagere straf opleggen dan de politierechter en acht een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, passend en geboden. Het hof zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit en zal daarbij als bijzondere voorwaarde een verbod opleggen om gedurende de proeftijd dieren te houden. Het opleggen van een houdverbod in de zin van artikel 8.11a van de Wet dieren, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, is gelet op de datum van inwerkingtreding van die wetsbepaling (1 januari 2024) ten opzichte van de pleegdata van feit 1 naar het oordeel van het hof niet mogelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.1, 2.2, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren en artikel 1.3 onder h van het Besluit houders van dieren.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde, vijfde gedachtestreepje (onbeperkte toegang water) en het onder 2, tweede gedachtestreepje (voorhanden hebben stroomhalsbanden) niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde voor het overige strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende die proeftijd van 3 (drie) jaren de hierna de noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd, namelijk de voorwaarde:
- dat de veroordeelde gedurende de gehele proeftijd geen dieren zal houden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. P. Greve en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026.
Mr. Mijnsberge, mr. Systema en mr. Gielen zijn niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.