ECLI:NL:GHAMS:2026:48

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.358.031/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel in gezag van moeder over minderjarige en beëindiging voogdij

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over het verzoek van de moeder om hersteld te worden in haar gezag over haar zoon [minderjarige 1] en de beëindiging van de voogdij. De rechtbank Noord-Holland had eerder het verzoek van de moeder afgewezen, waarop zij in hoger beroep ging. De moeder stelt dat het noodzakelijk is dat zij in het gezag wordt hersteld, omdat dit duidelijkheid voor haar zoon zou scheppen. De GI, die belast is met de voogdij, is van mening dat het prematuur is om de moeder in het gezag te herstellen, gezien de onduidelijkheid over de thuissituatie en de gedragsproblemen van [minderjarige 1]. Het hof heeft de bestreden beschikking bekrachtigd, omdat het in het belang van [minderjarige 1] acht dat de GI voorlopig met de voogdij belast blijft. De moeder heeft een belaste geschiedenis en er zijn zorgen over de stabiliteit van de thuissituatie. Het hof concludeert dat er nog veel onzekerheden zijn en dat het herstel van het gezag op dit moment niet in het belang van de minderjarige is.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.031/01
zaaknummer rechtbank: C/15/337095 / FA RK 23-861
beschikking van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. P.J. van de Pol te Haarlem,
en
de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI.
Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna bij zijn roepnaam te noemen: [minderjarige 1] ).
Het hof heeft als informanten aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te [plaats B] (hierna te noemen: DJGB);
- stichting [stichting] , advocaat mr. J.J.C. Engels.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak gaat over de vraag of de moeder hersteld moet worden in haar gezag over haar zoon [minderjarige 1] (7 jaar) en de voogdij over hem moet worden beëindigd.
1.2
De rechtbank Noord-Holland heeft het verzoek van de moeder om haar te herstellen in het gezag, afgewezen. Op verzoek van DJGB heeft de rechtbank DJGB ontslagen van de voogdij over [minderjarige 1] en de GI tot (opvolgend) voogdes benoemd.
De moeder is het daar deels niet mee eens en wil dat zij (alsnog) in haar gezag wordt hersteld, al dan niet tezamen met een ondertoezichtstelling van zes maanden.
De GI is het eens met de bestreden beschikking.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 13 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 16 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de GI van 29 september 2025, met bijlagen,
- een bericht van de moeder van 17 november 2025 met bijlage;
- een bericht van de moeder van 19 november 2025 met bijlage.
2.3
De zitting heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Regout;
- twee vertegenwoordigers van DJGB;
- stichting [stichting] , bijgestaan door mr. J.J.C. Engels.

3.De feiten

3.1
[minderjarige 1] is een kind van de moeder. Hij is geboren [in] 2018.
De biologische vader is niet in beeld; de moeder is in verwachting geraakt van een zaaddonor.
3.2
Daarnaast heeft de moeder nog twee kinderen, te weten:
- [minderjarige 2] (roepnaam: [minderjarige 2] ), geboren [in] 2021;
- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren [in] 2024.
3.3
Bij beschikking van 3 mei 2018 heeft de rechtbank de moeder geschorst in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] en is DJGB belast met de voorlopige voogdij over hem. [minderjarige 1] is direct na de geboorte geplaatst bij pleegouders [naam 1] en [naam 2] . Later zijn zij gezinshuisouders geworden van stichting [stichting] .
3.4
Bij beschikking van 16 januari 2019 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] beëindigd en heeft zij DJGB benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] . Deze beslissing is bij beschikking van dit hof van 31 december 2019 bekrachtigd.
3.5
Op 1 mei 2019, 2 juni 2022, 28 maart 2023 en 19 januari 2024 zijn er beschikkingen gewezen over de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] . In de laatstgenoemde beschikking heeft de rechtbank de raad verzocht om ten aanzien van de voogdij / het gezag een onderzoek te verrichten. In afwachting van de resultaten van dit onderzoek heeft de rechtbank de beslissingen over de voogdij / het gezag en de omgangsregeling aangehouden. De raad heeft onderzoek verricht en heeft op 14 augustus 2024 een rapport uitgebracht.
3.6
[minderjarige 1] is in juni 2023 opgenomen bij het [verblijfplaats] . De klinische opname is verlengd, waarna hij bij GGZ [plaats ] Jeugd en Gezin te [plaats B] (hierna: GGZ- [plaats ] ) in de [afdeling] is geplaatst. Zijn verblijf daar is tot nu toe steeds verlengd.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de verzoeken van de moeder om haar te belasten met het gezag over [minderjarige 1] en de voogdij te beëindigen, al dan niet met een ondertoezichtstelling van zes maanden, afgewezen.
Op verzoek van DJGB heeft de rechtbank DJGB ontslagen van de voogdij over [minderjarige 1] en de GI tot voogdes benoemd. Daartegen is geen verweer gevoerd.
4.2
De moeder verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, haar alsnog met het gezag over [minderjarige 1] te belasten en de voogdij te beëindigen, subsidiair eenzelfde verzoek met een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden.
4.3
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:277 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen, indien:
a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en
b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen.
Standpunt van de moeder
5.2
De moeder vindt dat het noodzakelijk is dat zij in het gezag over [minderjarige 1] wordt hersteld, omdat er met deze beslissing eindelijk duidelijkheid voor hem ontstaat. De moeder acht zich in staat de zorg voor [minderjarige 1] duurzaam op zich te nemen en met ondersteuning van hulpverlening [minderjarige 1] te begeleiden. De moeder draagt ook de verzorging van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zonder dat sprake is van een beschermingsmaatregel, terwijl er wel een beschermingsonderzoek is geweest.
Zij acht het voor [minderjarige 1] van belang dat hij samen met zijn broertje en zusje thuis kan opgroeien. Bovendien was er na de Verklarende Analyse van 14 april 2025 duidelijkheid over het toewerken naar een thuisplaatsing van [minderjarige 1] . Desondanks lukt het GGZ- [plaats ] , de GI en DJGB niet om met elkaar samen te werken. De moeder is van mening dat er duidelijkheid komt als zij met het gezag belast wordt en samen met GGZ- [plaats ] kan zoeken naar een geschikte plek voor [minderjarige 1] . De voogdijmaatregel zorgt nu voor vertraging en is slechts een extra schakel tussen de moeder en GGZ- [plaats ] .
Subsidiair verzoekt de moeder haar te herstellen in het gezag van [minderjarige 1] met daarbij een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden. Zij merkt op dat dit gelet op de verhoudingen tussen haar en de GI lastig zal worden. De moeder wenst mee te werken aan een vrijwillige plaatsing van [minderjarige 1] in bijvoorbeeld een gezinshuis om vanuit daar te werken naar thuisplaatsing bij de moeder. Als wettelijk gezien in dat geval ook een machtiging uithuisplaatsing nodig is, zal de GI een machtiging uithuisplaatsing moeten verzoeken, aldus de moeder.
Standpunt GI
5.3
De GI is vanaf juni 2025 betrokken bij [minderjarige 1] . Voor de GI is het onduidelijk waarom [minderjarige 1] al tweeënhalf jaar bij de Petteflet verblijft, terwijl dit een behandelgroep is waar kinderen maximaal zes maanden worden opgenomen. GGZ- [plaats ] heeft geen duidelijkheid kunnen geven over de diagnose van [minderjarige 1] en ook niet over de behandeling die [minderjarige 1] al die tijd heeft gekregen.
Onduidelijk is of [minderjarige 1] thuis kan wonen of dat er sprake is van zodanige gedragsproblemen dat hij in een gezinshuis plus zal moeten wonen. Bovendien is er geen zicht op de thuissituatie van de moeder. Op dit moment is het nog te vroeg om te kunnen vaststellen dat [minderjarige 1] veilig thuis kan wonen. Vanwege het gebrek aan informatie kan de GI ook niet bepalen wat de beste vervolgplek voor [minderjarige 1] is. Wel heeft de GI besloten dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om nog langer bij de Petteflet te blijven.
Op dit moment is het volgens de GI prematuur om de moeder in het gezag over [minderjarige 1] te herstellen. Volgens de GI is de moeder in een strijdmodus, waardoor het onwerkbaar zou zijn als zij met het gezag belast zou worden.
De focus moet volgens de GI liggen op het herstel van het contact van [minderjarige 1] met de moeder en met de mensen om wie [minderjarige 1] geeft, zoals de gezinshuisvader. De GI is van mening dat het nodig is dat zij belast blijft met de voogdij, om deze ingezette koers te kunnen uitvoeren.
Standpunt van de raad
5.4
De raad heeft in 2024 op verzoek van de rechtbank onderzoek gedaan. Sindsdien is de moeder veel intensiever betrokken in het leven van [minderjarige 1] en is er een hechtingsrelatie tussen [minderjarige 1] en de moeder ontstaan. Of hij bij zijn moeder kan wonen blijft onduidelijk. Er zal eerst naar een tussenstap gezocht moeten worden. De raad merkt op dat kinderen meerdere hechtingsrelaties kunnen aangaan naast elkaar. Het is dus niet zo dat contact tussen de gezinshuisvader en [minderjarige 1] de hechting tussen de moeder en [minderjarige 1] in de weg zou staan.
Ondanks de positieve ontwikkeling van contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] voorziet de raad ook risicovolle situaties wanneer de moeder in het gezag zal worden hersteld. De GI wil inzetten op contactherstel tussen [minderjarige 1] en de gezinshuisvader, wat volgens de raad strijd zal opleveren als de moeder belast zal worden met het gezag. Daar zal [minderjarige 1] last van hebben waardoor herstel van de moeder in het gezag over hem op dit moment niet in zijn belang is.
[minderjarige 1]
5.5
[minderjarige 1] is een jongen van zeven jaar met een belaste geschiedenis. Hij woonde vanaf zijn geboorte bij pleegouders [naam 1] en [naam 2] . Later zijn zij gezinshuisouders geworden van stichting [stichting] . [minderjarige 1] is vanaf 3-jarige leeftijd in zorg bij GGZ- [plaats ] vanwege gedragsproblemen (emotieregulatieproblemen, zelfbepalend gedrag, rigiditeit). In juni 2023 is de poliklinische zorg opgeschaald naar een klinische opname bij [verblijfplaats] , in verband met overbelasting van het gezinshuis en vanwege de aanhoudende gedragsproblemen. Daarnaast was sprake van slaapproblemen, eetproblemen, problemen rond zindelijkheid en psychomotorische onrust. De klinische opname is verlengd, waarna hij in de [afdeling] (van GGZ- [plaats ] ) is geplaatst. Zijn verblijf daar is tot nu toe steeds verlengd.
5.6
Sinds 2024 heeft [minderjarige 1] wekelijks speltherapie. Eerst in de vorm van sessies met de gezinshuisouders en in de loop van 2024/2025 zijn er zeer frequent sessies geweest met de moeder en zijn broertje, zusje en oma. Ook heeft hij wekelijks systeemtherapie vanaf maart 2025. Hij wordt beschreven als een in aanleg zintuiglijk overgevoelige jongen, die zich vaak angstig voelt en die getraumatiseerd is geraakt als gevolg van alle meegemaakte gebeurtenissen. [minderjarige 1] vertoont gedragsproblemen, hij heeft problemen met emotieregulatie. Zo is hij snel boos, raakt hij gemakkelijk ontstemd, gefrustreerd en ontremd en kan hij zichzelf dan niet kalmeren of tot rust brengen. [minderjarige 1] heeft weinig vertrouwen in andere volwassenen en kinderen, waardoor hij zich veelal zelfbepalend gedraagt en niet goed in staat is om zijn gedrag af te stemmen op anderen. Tijdens de opname zijn wisselend aanwijzingen voor het eventueel bestaan van een autisme spectrum stoornis en/of ADHD gezien. Daarnaast is geconcludeerd dat [minderjarige 1] klem zat in de lang bestaande spanningen tussen zijn gezinshuisouders en zijn moeder.
Er is voor [minderjarige 1] een levensverhaal gemaakt. Hij heeft (opnieuw) kennis gemaakt met zijn moeder, zijn broertje, zusje en oma en het contact met hen is opgebouwd. De contacten vonden eerst plaats tijdens de therapiesessies en later op de groep. In eerste instantie werd dat begeleid door sociotherapie en inmiddels zijn de contacten op de groep onbegeleid. De stap naar contactmomenten buiten de groep lijkt te groot te zijn geweest. Een aantal keren is de omgang in de aanwezigheid van het broertje en zusje niet positief verlopen. Daarom is er een stap teruggezet.
De moeder en [minderjarige 1] zien elkaar op dit moment elke maandagmiddag van 15.30 uur tot 17.00 uur bij de speltherapeute en samen brengen ze [minderjarige 1] naar de groep. Iedere dinsdagmiddag is moeder van 15.30 uur tot 17.00 uur op de groep en heeft zij fysiek contact met [minderjarige 1] . Daarnaast is het de bedoeling dat de moeder om het weekend een dagdeel op zaterdag of zondag langskomt op de groep. Nadat deze opbouw was stopgezet door de wisseling van de voogdij, is dit onlangs weer gestart en is de moeder inmiddels een dagdeel in het weekend bij [minderjarige 1] langs geweest. Er zijn daarnaast drie vaste videobelmomenten en als [minderjarige 1] extra wil bellen dan is dat mogelijk.
5.7
Uit de systeemtherapie is naar voren gekomen dat ook de moeder een belaste geschiedenis kent waarin zij veel onveiligheid heeft gekend en traumatische ervaringen heeft opgedaan. Zij kan in boosheid schieten en voelt snel dat haar onrecht wordt aangedaan. Er heeft zich een aantal momenten voorgedaan waarbij de moeder [minderjarige 1] eerder terugbracht omdat het voor hen allemaal teveel werd en [minderjarige 1] dit in negatief gedrag liet zien. De moeder heeft een eigen behandeltraject gericht op traumaklachten doorlopen (IKB-ouders).
Verklarende Analyse van 14 april 2025
5.8
DJGB was vanaf de geboorte van [minderjarige 1] belast met de voogdij over hem. Het is DJGB echter niet gelukt om een constructieve samenwerking met GGZ- [plaats ] en moeder tot stand te brengen. Daarom heeft Levvel een Verklarende Analyse opgesteld en afgesproken is dat allen zich aan het advies zouden committeren. Uit de Verklarende Analyse, gedateerd 14 april 2025, volgt dat terugplaatsing van [minderjarige 1] naar de moeder gewenst is. Om deze plaatsing te kunnen laten slagen moet allereerst de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder uitgebreid worden, waarbij [minderjarige 1] uiteindelijk ook gaat overnachten bij de moeder. Daarna zal een intensieve gezinsopname volgen, waarbij aandacht is voor de trauma's van moeder en [minderjarige 1] en voor sensitief opvoeden en het aansluiten bij hetgeen [minderjarige 1] nodig heeft. Na een gezinsopname is het noodzakelijk, in het kader van de continuïteit van zorg, dat GGZ- [plaats ] de ambulante behandeling van [minderjarige 1] en zijn gezin vorm blijft geven. De ouder-kind behandeling zal hierbinnen de kern vormen, maar ook farmacotherapie voor [minderjarige 1] , systeemtherapie en pedagogische ondersteuning zullen een plek moeten krijgen.
In de Verklarende Analyse is verder overwogen dat de voogdijmaatregel opgeheven zou kunnen worden, omdat de moeder vrijwillig meewerkt aan de hulpverlening van GGZ [plaats ] en bereid is om mee te werken aan een gezinsopname. Wanneer beoordeeld wordt dat het te vroeg is voor opheffing van de voogdijmaatregel, dan is het volgens de Verklarende Analyse wenselijk dat er een nieuwe voogd wordt aangesteld.
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking waarvan beroep is DJGB daarom op eigen verzoek ontslagen van de voogdij over [minderjarige 1] en is de GI tot voogdes benoemd.
5.9
De GI stelt ter discussie of de Verklarende Analyse nog leidend moet zijn. Volgens de GI bestaat er aanzienlijke onenigheid over de inhoud van de Verklarende Analyse. Zo zijn de gezinshuisouders het niet eens met het advies dat zij niet meer aanwezig kunnen zijn in het leven van [minderjarige 1] . Omdat de GI met een open blik wil kijken naar wat het beste is voor [minderjarige 1] , wil de GI zich niet binden aan de Verklarende Analyse. Daarnaast heeft de GI twijfels over de onafhankelijkheid van de Verklarende Analyse, omdat deze is opgesteld door de GZ-psycholoog van Levvel en de bij [minderjarige 1] bekende psychiater van GGZ- [plaats ] . GGZ- [plaats ] heeft in een brief aan de GI van 17 november 2025 de bij de GI gerezen twijfels weersproken.
De beoordeling door het hof
5.1
Duidelijk is dat er op dit moment op veel verschillende vlakken onduidelijkheid bestaat.
Op dit moment verblijft [minderjarige 1] nog steeds bij de Petteflet waar zijn verblijf al vijf keer is verlengd. GGZ- [plaats ] is op zoek naar een vervolgplek voor [minderjarige 1] , idealiter in de buurt van de moeder. Op 8 december 2025 heeft het consortium (een samenwerkingsverband tussen GGZ- [plaats ] en meerdere zorgaanbieders) overlegd over een vervolgplek voor [minderjarige 1] .
Moeder heeft ter zitting in hoger beroep gezegd dat zij met de gemeente om de tafel is gegaan om passende woonruimte te zoeken voor als [minderjarige 1] thuis zou komen te wonen. De huidige woning van de moeder is niet geschikt voor [minderjarige 1] , omdat de woning te klein is en [minderjarige 1] behoefte heeft aan een eigen slaapkamer en een ruimte om zich terug te kunnen trekken.
Voordat [minderjarige 1] bij de moeder zou kunnen gaan wonen zal eerst de in de Verklarende Analyse aangeraden tussenstap moeten worden genomen. Het hof gaat er vanuit dat dit traject snel in gang zal worden gezet met de aangekondigde inzet van GGZ- [plaats ] . Zoals de rechtbank al overwoog, is dit traject nog met veel onzekerheden omkleed en staat nog niet vast dat het traject ook zal leiden tot opname van [minderjarige 1] in het gezin bij zijn moeder.
Hoewel er positieve stappen zijn gezet in de uitbreiding van de omgangsmomenten en er een hechtingsrelatie tussen [minderjarige 1] en de moeder is opgebouwd, is nog steeds sprake van een opbouwfase. Zeer recent is de omgang uitgebreid in die zin dat de moeder ook eens per twee weken een dagdeel in het weekend op de groep van [minderjarige 1] aanwezig is. De opbouw zal verder moeten worden uitgebreid met contacten waarbij zijn broertje en zusje ook aanwezig zijn. Om de moeder nu al te belasten met het gezag (al dan niet in combinatie met een ondertoezichtstelling) acht het hof, evenals de rechtbank, al met al voorbarig, ook indien dat zou worden gecombineerd met een ondertoezichtstelling. Het hof acht het in het belang van [minderjarige 1] dat een professionele instelling zoals de GI in elk geval nog de komende tijd met de voogdij belast blijft om dit traject vorm te geven en te begeleiden. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.11
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. A.V.T. de Bie en mr. M. Groenleer, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.