ECLI:NL:GHAMS:2026:481

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-000400-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 1 Wet WIAArt. 12 ToeslagenwetArt. 63 SrArt. 227b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke uitkeringsfraude met verzwijging inkomsten

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk niet tijdig verstrekken van gegevens aan het UWV over werkzaamheden als makelaar en adviseur en ontvangen huurinkomsten in de periode 2016-2019. Hierdoor ontving hij ten onrechte tienduizenden euro's aan WIA-uitkering en toeslagen.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en stelde vast dat de verdachte bewust de verplichting tot melding had geschonden, wat leidde tot een benadeling van ruim € 75.000. De strafbaarheid werd bevestigd omdat geen omstandigheden de schuld uitsloten.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omvang van de fraude en de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting. Gezien het benadelingsbedrag en de aard van het delict werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden passend geacht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens opzettelijke uitkeringsfraude.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000400-24
Datum uitspraak: 22 januari 2026
TEGENSPRAAK, na aanhouding niet verschenen
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 82-017280-23 tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Ook het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 te Barneveld, althans in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens een wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 27 lid 1 Wet Pro werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de Wet WIA) en/of artikel 12 Toeslagenwet Pro, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), zulks terwijl dit/deze feit(en) kon(den) strekken tot bevoordeling van hemzelf of een ander, terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn of een anders recht op (een) verstrekking(en) of tegemoetkoming(en) dan wel voor de hoogte of de duur van (een) dergelijke verstrekking(en) of tegemoetkoming(en), te weten zijn recht op een WIA-uitkering krachtens de Wet WIA en Toeslag krachtens de Toeslagenwet, immers heeft hij, verdachte, (telkens) verzuimd aan het UWV te melden dat hij werkzaamheden als makelaar en/of adviseur heeft verricht en/of inkomsten als huurinkomsten heeft ontvangen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen en een iets andere bewezenverklaring worden vernietigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 te Barneveld, in strijd met een hem bij of krachtens een wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 27 lid 1 Wet Pro werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de Wet WIA) en artikel 12 Toeslagenwet Pro, telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), zulks terwijl deze feiten konden strekken tot bevoordeling van hemzelf, terwijl hij wist dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op verstrekkingen of tegemoetkomingen dan wel voor de hoogte of de duur van dergelijke verstrekkingen of tegemoetkomingen, te weten zijn recht op een WIA-uitkering krachtens de Wet WIA en Toeslag krachtens de Toeslagenwet, immers heeft hij, verdachte, telkens verzuimd aan het UWV te melden dat hij werkzaamheden als makelaar en adviseur heeft verricht en huurinkomsten heeft ontvangen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, maar dat dat niets afdoet aan de verwijtbaarheid. De verdachte heeft op grote schaal uitkeringsfraude gepleegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte genoot een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en heeft in een periode van vier jaren telkens nagelaten het UWV in te lichten over de door hem verrichte werkzaamheden en verdiensten. De verdachte wist dat hij verplicht was deze inlichtingen te verstrekken, maar heeft dat opzettelijk niet gedaan. Hierdoor heeft hij het vertrouwen van de uitkeringsinstantie geschonden en misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld. De verdachte heeft ten onrechte voor tienduizenden euro’s aan uitkering ontvangen. Uit het dossier blijkt dat het benadelingsbedrag ruim € 75.000,00 betreft.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, hierop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daar wordt in het geval van een benadelingsbedrag van € 70.000,00 tot € 125.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden genoemd. Het hof ziet geen reden in dit geval van de oriëntatiepunten af te wijken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van vijf maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. E. Mijnsberge en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026.
De oudste en jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat het arrest te ondertekenen.