ECLI:NL:GHAMS:2026:49
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Onderzoek naar ondertoezichtstelling van minderjarige in verband met contactherstel en identiteitsontwikkeling
In deze zaak gaat het om de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind 1], die door de kinderrechter is opgelegd voor de duur van een jaar, tot 3 juni 2026. De vader van [kind 1] is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing, omdat hij van mening is dat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging voor [kind 1]. De kinderrechter had eerder bepaald dat [kind 1] onder toezicht zou worden gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De vader stelt dat [kind 1] een stabiele thuissituatie heeft en dat er geen zorgen zijn vanuit school. De Raad voor de Kinderbescherming en de GI zijn van mening dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is, gezien het gebrek aan contact tussen [kind 1] en haar moeder en de zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader. Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat er al een jaar geen contact is tussen [kind 1] en haar moeder, wat volgens het hof een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [kind 1]. Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd, omdat het van mening is dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is voor het herstel van contact tussen [kind 1] en haar moeder en om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de vader. Het hof heeft de GI verzocht om voortvarend te werk te gaan in het belang van [kind 1].