ECLI:NL:GHAMS:2026:537

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.348.698/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 424 RvArt. 2 Rome I-VoArt. 1 lid 2 Rome I-VoArt. 10:154 BWArt. 1029 IBW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepasselijkheid Iraans recht en afwijzing verzoek tot afgifte bruidsgave na echtscheiding

Partijen zijn in 2010 in Iran gehuwd en hebben een overeenkomst gesloten waarbij de man aan de vrouw 500 gouden Bahar Azadi munten als bruidsgave verschuldigd is. Na hun verhuizing naar Nederland en verkrijging van de Nederlandse nationaliteit is het huwelijk in 2021 in Nederland ontbonden. De vrouw vordert in hoger beroep alsnog de afgifte van de bruidsgave.

De Hoge Raad heeft de zaak terugverwezen naar het gerechtshof Amsterdam om te beoordelen welk recht van toepassing is op de bruidsgave en of het verzoek toewijsbaar is. Het hof stelt vast dat de overeenkomst over de bruidsgave buiten het toepassingsgebied van Rome I valt en dat de commune Nederlandse conflictregels van toepassing zijn. Het hof concludeert dat Iraans recht van toepassing is, omdat de bruidsgave onlosmakelijk verbonden is met het Iraanse huwelijk.

Het hof beoordeelt dat er geen ondubbelzinnige rechtskeuze voor Iraans recht is gemaakt, maar dat de omstandigheden en de aard van de overeenkomst toch leiden tot toepassing van Iraans recht. De Nederlandse rechter heeft wel rechtsmacht, maar kan de omvang van de aanspraak niet vaststellen zolang partijen geen Iraanse echtscheidingsprocedure hebben doorlopen. Daarom wijst het hof het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave op dit moment af.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De beschikking van de rechtbank Rotterdam wordt bekrachtigd voor zover het hof daarover oordeelt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot afgifte van de bruidsgave af en stelt Iraans recht van toepassing op de bruidsgave.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.348.698/01
zaaknummer rechtbank Rotterdam: C/10/606149 / FA RK 20-8048 en C/10/613653/ FA RK 21-1388
zaaknummer gerechtshof Den Haag: 200.301.719/01
zaaknummer Hoge Raad: 23/02858
beschikking van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K. Mohasselzadeh te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,
en
[de man] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. C.E. Koopmans te Dordrecht.

1.Het verloop van het geding na verwijzing

1.1
De Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) heeft in deze zaak op 18 oktober 2024 een beschikking gegeven onder bovenvermeld zaaknummer en daarbij de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) van 21 december 2022 en 10 mei 2023 vernietigd. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar dit hof (hierna ook: het verwijzingshof) ter verdere behandeling en beslissing.
Voor het verloop van de procedure tot de datum van de beschikking van de Hoge Raad verwijst het verwijzingshof naar de beschikking van de Hoge Raad.
1.2
De vrouw heeft het verwijzingshof bij e-mail van 29 november 2024 elektronisch de beschikking van de Hoge Raad toegezonden met het verzoek de zaak verder in behandeling te nemen. Het verwijzingshof heeft partijen bij brief van 5 december 2024 onder meer uitgenodigd zich uit te laten over de vraag wat nog ter beslissing voorligt. Bij brief van 16 januari 2025 heeft de vrouw zich nader uitgelaten. Op 17 januari 2025 is een memorie na verwijzing van de zijde van de man ingekomen. Verder heeft de vrouw op 13 februari 2025 een kennisgeving van de inschrijving op 14 oktober 2021 van de echtscheiding ingediend.
Op 28 augustus 2025 heeft de vrouw een verklaring van de Iraanse familierechtbank met Engelse vertaling ingediend.
1.3
De mondelinge behandeling bij het verwijzingshof heeft op 11 september 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en mw. S.M. Amini, tolk Farsi.

2.De omvang van het geschil na verwijzing

2.1
Bij beschikking van 5 juli 2021 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank Rotterdam, voor zover hier nog van belang, op verzoek van de vrouw (waarbij de man van zijn kant ook de echtscheiding heeft verzocht) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 438,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot afgifte van 500 Iraanse gouden Bahar Azadi munten is afgewezen. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank en zij heeft in hoger beroep verzocht de man alsnog te veroordelen tot afgifte van de genoemde gouden munten.
2.2
Bij beschikking van 21 december 2022 heeft het gerechtshof Den Haag partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken hun standpunt met betrekking tot hetgeen het hof onder 5.13 van die beschikking had overwogen - het betrof het toepasselijke recht op het verzoek van de vrouw over de bruidsgave en de gevolgen daarvan - aan het hof kenbaar te maken. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Bij de beschikking van 10 mei 2023 is de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de vrouw ter zake van de bruidsgave is afgewezen.
2.3
De man heeft in zijn memorie na verwijzing aangegeven dat het verwijzingshof primair dient vast te stellen dat het Nederlandse recht van toepassing is, waarbij de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave komt te vervallen nu het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als de vrouw bovenop de eerder aan haar toegekende voorzieningen ook nog aanspraak jegens de man kan maken ter zake van de bruidsgave. Subsidiair, indien het hof bepaalt dat Iraanse recht van toepassing is op de bruidsgave, verzoekt de man het verzoek van de vrouw af te wijzen, dan wel een beslissing ten aanzien van de bruidsgave over te laten aan de Iraanse rechter.
2.4
De vrouw heeft bij de behandeling van de zaak na verwijzing aangegeven dat zij zich primair op het standpunt stelt dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor Iraans recht als toepasselijk recht op de bruidsgave. Op grond van het Iraanse recht is de vrouw gerechtigd de bruidsgave op te vorderen en kan zij aanspraak maken op het equivalent van de goudwaarde van de overeengekomen Bahar Azadi (in euro’s) tegen de datum waarop zij aanspraak heeft gemaakt op de bruidsgave.

3.De motivering van de beslissing

Het geschil na verwijzing
3.1
In artikel 424 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft onder rechtsoverweging 3.4.2 overwogen dat het hof Den Haag kennelijk ervan is uitgegaan dat de toewijsbaarheid van het verzoek van de vrouw betreffende de bruidsgave in beginsel naar Iraans recht moet worden beantwoord. Het hof heeft echter niet onderzocht uit welke conflictregel de toepasselijkheid van het Iraanse recht voortvloeit, aldus de Hoge Raad. Daarbij heeft hij aangegeven dat na verwijzing alsnog moet worden beoordeeld (i) op grond van welke conflictenrechtelijke regeling moet worden bepaald welk recht van toepassing is op het verzoek betreffende de bruidsgave, en (ii) welk recht volgens die regeling van toepassing is. Daarbij moet in deze zaak worden uitgegaan van het in cassatie niet bestreden oordeel van het hof dat de aanspraak op de bruidsgave moet worden gekwalificeerd als een verbintenis uit overeenkomst. Vervolgens dient het verwijzingshof iii) de stellingen van partijen in hoger beroep verder te beoordelen, rekening houdende met de devolutieve werking van het hoger beroep.
3.2
Het verwijzingshof kan uitgaan van het volgende.
3.2.1
Partijen zijn [in] 2010 in Iran met elkaar gehuwd. Na de huwelijkssluiting hebben zij nog enige tijd in Iran gewoond (zie verkort proces-verbaal van 7 juni 2021, p. 1). De vrouw is vervolgens als vluchteling naar Nederland gekomen en op 1 november 2015 toegelaten. De man is ook naar Nederland gekomen, evenals de kinderen van de vrouw. Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit verkregen. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers op 14 oktober 2021.
3.2.2
Het hof Den Haag heeft in de beschikking van 21 december 2021 vastgesteld dat partijen bij de huwelijkssluiting zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw 500 Bahar Azadi gouden munten als bruidsgave dient te voldoen zoals in de huwelijksakte opgenomen.
3.2.3
De vrouw heeft een Nederlandse vertaling van de huwelijksakte in het geding gebracht, waarin voor zover hier van belang is opgenomen:

Bruidsgave: Een exemplaar van de heilige Koran, een stuk kandij, een set spiegel en kandelaren en vijfhonderd stukken gouden Bahar Azadi munten. De echtgenoot dient deze op aanvraag aan haar te voldoen [handtekening van het echtpaar].
(…)
De echtgenoot heeft toestemming gegeven aan zijn echtgenote om zelf (…) met de bevestiging van de rechtbank en het verkrijgen van een verklaring omtrent onmogelijke voortzetting van het huwelijksleven na de keuze voor het soort echtscheiding te scheiden van de man. Tevens is de echtgenote gemachtigd, met het recht om de machtiging aan derden over te dragen, ingeval van vrijgave van de bruidsgave namens hem te aanvaarden. De echtgenote kan op basis van de hieronder vermelde situaties een verzoek om echtscheiding bij de rechtbank indienen: 1 Het weigeren van het betalen van de alimentatie voor een periode van zes maanden door de echtgenoot (…) [handtekening van het echtpaar] 2 Wangedrag of verkeerde sociale contacten van de man, van dien aard dat dit de continuïteit van het gezamenlijke leven voor de ander onverdraaglijk maakt [handtekening van het echtpaar] (…).”
i) De toe te passen conflictregel(s)
3.3.1
In deze verwijzingsprocedure heeft als uitgangspunt te gelden dat de aanspraak op de bruidsgave moet worden gekwalificeerd als een verbintenis uit overeenkomst (zie rechtsoverweging 3.1 hiervoor). Nu partijen [in] 2010 zijn gehuwd en daarbij de afspraak betreffende de bruidsgave hebben gemaakt, dient het verwijzingshof na te gaan of het toepasselijke recht kan worden gevonden door toepassing van de Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Vo). Deze verordening is op 17 december 2009 in werking getreden en is daarmee temporeel van toepassing. Artikel 2 Rome Pro I-Vo geeft aan dat het door deze verordening aangewezen recht toepasselijk is, ongeacht de vraag of dat het recht van een lidstaat is, zodat deze verordening universele werking heeft.
3.3.2
Artikel 1, lid 2, Rome I-Vo beschrijft een aantal beperkingen van het toepassingsgebied van de verordening. Verbintenissen die voortvloeien uit familierechtelijke betrekkingen en uit betrekkingen die overeenkomstig het op die betrekkingen toepasselijke recht geacht worden vergelijkbare gevolgen te hebben, evenals verbintenissen die voortvloeien uit het huwelijksvermogensrecht, uit vermogensrechtelijke regelingen voor betrekkingen die volgens het op die betrekkingen toepasselijke recht met het huwelijk vergelijkbare gevolgen hebben, vallen buiten het toepassingsbereik van Rome I-Vo. Nu partijen in Iran gehuwd zijn en naar Iraans recht de huwelijkssluiting onlosmakelijk is verbonden met het maken van een afspraak over de bruidsgave, valt de overeenkomst ten aanzien van de bruidsgave naar het oordeel van het verwijzingshof buiten het toepassingsbereik van Rome I-Vo. Het voorgaande heeft mutatis mutandis (in die zin dat de beperking daarin nog ruimer is) te gelden voor het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (Evo verdrag).
3.3.3
Artikel 10:154 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft voor dat op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van Rome I-Vo vallen en die als verbintenissen uit overeenkomst kunnen worden aangemerkt, de bepalingen van Rome I-Vo (desalniettemin) van overeenkomstige toepassing zijn. Deze bepaling is eerst op 1 januari 2012 in werking getreden, terwijl het huwelijk van partijen is gesloten begin 2010. Om die reden dient het verwijzingshof zich te buigen over het overgangsrecht.
De wetsgeschiedenis van Boek 10 BW leert dat voor de betreffende Titel (Titel 13, Boek 10 BW) geen specifieke overgangsrechtelijke bepalingen zijn opgenomen. De Minister van Justitie heeft echter tijdens de behandeling van het voorstel van wet in de Eerste Kamer, op vragen van leden van de Eerste Kamer, aangegeven dat voor overeenkomsten die buiten het toepassingsgebied van Rome I-Vo vallen en waarop Boek 10 de regels van Rome I-Vo van overeenkomstige toepassing verklaart, de datum van inwerkingtreding van Boek 10 BW bepalend is. De minister vervolgt: “
Voor overeenkomsten die zijn gesloten na de inwerkingtreding van Boek 10, wijst Boek 10 het toepasselijk recht aan. Voor overeenkomsten die buiten het toepassingsgebied van Rome I vallen en zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van Boek 10, wijzen de commune Nederlandse conflictregels voor overeenkomsten het toepasselijke recht aan.” Dit is voor het verwijzingshof aanleiding de destijds geldende commune conflictregels in deze zaak toe te passen.
ii) De toepassing van de commune conflictregels
3.4.1
Indien partijen een (geldige) rechtskeuze hebben gemaakt, dient op grond van de commune conflictregels deze keuze voorrang te krijgen.
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen bij het sluiten van het huwelijk een rechtskeuze hebben gemaakt voor het Iraanse recht. De vrouw wijst daarbij op de inhoud van de huwelijksakte. De man heeft dit standpunt bestreden. Het hof is niet gebleken van een beding in de huwelijksakte dat kan worden gelezen of begrepen als een beding waarin een rechtskeuze ligt besloten.
Ook in hetgeen de vrouw overigens ten aanzien van het bestaan van een (impliciete) rechtskeuze heeft gesteld, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat partijen ten aanzien van de overeenkomst betreffende de bruidsgave ondubbelzinnig hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Iraans recht. De eis van ondubbelzinnigheid is gerechtvaardigd, omdat het aannemen van een rechtskeuze in beginsel tot gevolg heeft dat een eenmaal gekozen recht tussen partijen blijft gelden. De omstandigheden dat i) het huwelijk in Iran is gesloten, ii) partijen beiden de Iraanse nationaliteit hadden, en iii) betaling van de bruidsgave in gouden munten volgens een in Iran vastgestelde goudstandaard is bepaald, zijn, ook in samenhang bezien, naar het oordeel van het verwijzingshof onvoldoende om van het bestaan van een (impliciete) rechtskeuze uit te kunnen gaan. Ook ontbreken in de huwelijksakte meer ondubbelzinnige verwijzingen naar (Iraanse) wettelijke regelingen of een Iraans rechtscollege.
3.4.2
De commune Nederlandse conflictregels voor overeenkomsten kennen van oudsher als algemene conflictregel (ook neergelegd in Rome I-Vo en zijn voorganger het Evo verdrag) kort gezegd de leer van de kenmerkende prestatie. Of de kenmerkende prestatie nu wordt gevonden in de huwelijkssluiting - waarvan als gezegd de afspraak over de bruidsgave een noodzakelijk onderdeel is - of in de woonplaats van degene die de betalingsverplichting is aangegaan op het moment van het aangaan van de verplichting, dit betekent voor dit geval dat het Iraanse recht als het toepasselijk recht wordt aangewezen.
3.4.3
Het debat tussen partijen is in hoger beroep ook gegaan over de vraag of niettemin Nederlands recht van toepassing is, omdat een nauwere band bestaat met dat Nederlandse recht. Ook het verwijzingshof heeft zich te buigen over de toepassing van deze (corrigerende) commune conflictregel. Het verwijzingshof is van oordeel dat geen sprake is van een nauwere band met het Nederlandse recht, met name omdat de overeenkomst een naar zijn aard Islamitische oorsprong heeft en naar Iraans recht onlosmakelijk met het aldaar gesloten huwelijk is verbonden. De omstandigheid dat partijen inmiddels de Nederlandse nationaliteit hebben, geruime tijd in Nederland verblijven en de overige door het hof Den Haag in zijn beschikking van 10 mei 2023 onder rechtsoverweging 2.6 in aanmerking genomen omstandigheden, maken dit naar het oordeel van het verwijzingshof niet anders.
3.4.4
De slotsom van het voorgaande is dat het verwijzingshof dient uit te gaan van toepasselijkheid van het recht van Iran op de overeenkomst tot betaling van de bruidsgave.
iii) De verdere beoordeling
3.5.1
De man heeft in zijn verweerschrift in de procedure bij de rechtbank (onder 17 e.v.) gewezen op de in de huwelijksakte opgenomen tekst als hiervoor onder rechtsoverweging 3.2.3 aangehaald en de Iraanse wetgeving, waaruit zou voortvloeien dat de vrouw de echtscheiding kan aanvragen, mits zij afstand doet van haar aanspraak op de gouden munten. Het verwijzingshof constateert dat de huwelijksakte vermeldt dat “
de echtgenote[is]
gemachtigd, met het recht om de machtiging aan derden over te dragen, ingeval van vrijgave van de bruidsgave namens hem[lees: de man]
te aanvaarden”.De vrouw heeft de uitleg die de man aan het beding heeft gegeven niet gemotiveerd bestreden. De man heeft voorts gewezen op de regeling van het Iraanse echtscheidingsrecht op grond waarvan de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave, zo begrijpt het verwijzingshof de stellingen van de man, eveneens teniet zou gaan omdat de vrouw zonder rechtvaardiging een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend.
3.5.2
Het verwijzingshof heeft geconstateerd dat naar Iraans recht een echtgenote op basis van een aantal rechtsgronden zelfstandig een verzoek tot echtscheiding kan indienen. Deze gronden zijn neergelegd in artikel 1029, 1129 en 1130 van het Iraans Burgerlijk Wetboek (IBW). Daarnaast heeft de man erop gewezen dat hij de vrouw in de huwelijksakte de bevoegdheid heeft verleend om op een aanvullend aantal gronden de echtscheiding te verzoeken. De vrouw kan, in geval zich een van deze echtscheidingsgronden voordoet, het recht op de bruidsgave behouden. Indien de echtscheiding wordt verzocht door de vrouw en deze niet is gebaseerd op een van de eerder genoemde echtscheidingsgronden, kan er sprake zijn van een ‘Khul’a’ echtscheiding, zoals geregeld in artikel 1146 IBW Pro. In dat geval dient de vrouw de man een vergoeding aan te bieden. De compensatie bestaat meestal uit de kwijtschelding van (een deel van) de bruidsgave.
3.5.3
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ten overstaan van het verwijzingshof hebben de man en de vrouw verklaard dat zij nog steeds naar Iraans recht zijn gehuwd.
De man heeft vervolgens desgevraagd verklaard dat hij de echtscheiding naar Iraans recht wenst te verkrijgen en in dat kader naar voren gebracht: “
Ik wil graag de echtscheiding volgens de Sharia uitgesproken hebben. Dat is heel belangrijk voor mij. Als ik met een Iraanse vrouw een relatie wil beginnen, dan zal zij zeggen dat ik moet scheiden. Ik moet toestemming van mijn ex-vrouw krijgen om te scheiden, dat moet voordat ik opnieuw kan trouwen.
De vrouw heeft desgevraagd aangegeven: “
Voor mij is het niet belangrijk hoe het in Iran geregeld is. Ik […] heb geen behoefte […]. Ik wil de bruidsgave. […] Wil ik meewerken aan echtscheiding in Iran? Ik wil meewerken als ik de bruidsgave krijg.”
3.5.4
Het hof Den Haag heeft in zijn beschikking van 10 mei 2023 in overweging genomen dat het verzoek van de vrouw tot echtscheiding bij de Nederlandse rechter is ingediend en dat de vrouw bij haar verzoek heeft aangegeven dat zij uitdrukkelijk voor de toepassing van het Nederlandse recht kiest. De rechtbank heeft op het verzoek tot echtscheiding (en de daarbij verzochte nevenvoorzieningen) Nederlands recht van toepassing verklaard. Partijen zijn aldus naar Nederlands recht op grond van de duurzame ontwrichting van het huwelijk gescheiden. Uit het voorgaande volgt dat de verschuldigdheid en omvang van de bruidsgave evenwel onlosmakelijk is verbonden met de Iraanse echtscheiding en wordt beheerst door het Iraanse recht. Daarbij is onder meer van belang wie van de echtgenoten de echtscheiding vraagt, wat voor soort echtscheiding het betreft en wat de gronden voor en de omstandigheden rond de echtscheiding zijn.
Het ligt niet op de weg van de Nederlandse rechter om de echtscheiding tussen partijen naar Iraans recht te kwalificeren. Vast staat dat tussen partijen geen procedure tot echtscheiding in Iran aanhangig is. Indien een van partijen alsnog een dergelijke procedure in Iran zal starten, dient alsdan de kwalificatie van de echtscheiding naar Iraans recht plaats te vinden. Daarbij zullen ook de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave tussen partijen worden vastgesteld. In dat verband zal de Iraanse rechter, zoals de man onbetwist heeft aangevoerd, een volledig zelfstandige beoordeling uitvoeren, ongeacht de beslissing die een Nederlandse rechter over de echtscheiding en verschuldigdheid dan wel omvang van de bruidsgave reeds heeft gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat, alhoewel de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over het verzoek tot betaling van de bruidsgave te oordelen, het verzoek van de vrouw dienaangaande op dit moment niet kan worden toegewezen. Binnen de hiervoor beschreven context, waarbij de omvang van de eventuele aanspraak van de vrouw naar het toepasselijke recht van Iran pas wordt vastgesteld als partijen zich hebben ingespannen (of hebben kunnen inspannen) om een (religieuze) echtscheiding naar Iraans recht te verkrijgen (met de daarbij behorende kwalificatie van die echtscheiding), komt het verwijzingshof (op dit moment) niet toe aan toe- of afwijzing van het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave. Omdat de omvang van de vordering van de vrouw geenszins vast staat, terwijl de mogelijkheid om deze omvang vastgesteld te krijgen door geen van partijen wordt benut, komt haar verzoek op dit moment dus niet voor toewijzing in aanmerking.
De proceskosten
3.6
Het verwijzingshof zal, nu het een geschil tussen voormalig echtelieden betreft, de kosten op de gebruikelijke wijze tussen partijen compenseren.
3.7
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

Het verwijzingshof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam op 5 juli 2021 onder zaak en rekestnummer C/10/606149 / FA RK 20-8048 en C/10/613653/ FA RK 21-1388 tussen partijen gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten tussen partijen aldus dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. R.M. Troost en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 3 maart 2026 uitgesproken in het openbaar door de jongste raadsheer.