Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:55

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23-004085-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WwftArt. 3 WwftArt. 33 WwftArt. 261 SvArt. 404 lid 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen rechtspersoon wegens overtreding meldplicht en cliëntenonderzoek Wwft

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van een rechtspersoon tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De tenlastelegging betrof het niet melden van ongebruikelijke transacties, het niet verrichten van cliëntenonderzoek en het niet bewaren van cliëntgegevens.

Het hof verklaarde de dagvaarding deels nietig vanwege onduidelijkheid over de term 'onder meer' in de tenlastelegging en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor enkele feiten wegens absolute verjaring. Het hof oordeelde dat de meldplicht een omissiedelict is met een beperkte verjaringstermijn, terwijl de bewaarplicht een voortdurend delict is met een langere verjaringstermijn.

De verdediging voerde onder meer een vertrouwensbeginselverweer en een bewijsuitsluitingsverweer, die door het hof werden verworpen. Het hof stelde vast dat de rechtspersoon als dader kan worden aangemerkt en dat de overtredingen wettig en overtuigend bewezen zijn, met uitzondering van enkele transacties waarvoor vrijspraak werd uitgesproken.

Gelet op de ernst van de feiten, de draagkracht van de verdachte en het tijdsverloop legde het hof een geheel voorwaardelijke geldboete van €15.000 op met een proeftijd van twee jaar. Tevens constateerde het hof een schending van de redelijke termijn in hoger beroep, zonder gevolgen voor de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €15.000 wegens overtreding van de Wwft, met deels nietigheid van de dagvaarding en deels niet-ontvankelijkheid van het OM wegens verjaring.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004085-19
datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-845236-17 tegen:
[bedrijf 1] B.V. ,
gevestigd te [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte en diens raadslieden naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde voor zover het betreft hetgeen bij het vijfde gedachtestreepje (betreft de transactie met [bedrijf 2] B.V.) is opgenomen. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Tegen deze partiële beslissing tot vrijspraak staat voor de verdachte, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep in zoverre gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na een in eerste aanleg toegelaten wijziging, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat:

1.zij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 8 april 2015, te Woerden en/of Linschoten en/of elders in Nederland,(telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen (voertuigen), voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer,meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet Pro ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, (een) verrichte ongebruikelijk transactie(s), niet (binnen 14 dagen / onverwijld) nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt/de Financiële inlichtingen eenheid,immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen melding gedaan van (onder meer):- (een) op of omstreeks 26 februari 2013 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 3]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 41.000,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 28 maart 2013 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 4]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 31.500,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 9 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 5]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 119.000,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 14 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 6]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 32.200,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 17 november 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 5]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 35.500,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 24 maart 2015 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [persoon 1]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 32.250,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003);

2.zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015, te Woerden en/of Linschoten en/of elders in Nederland,(telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen (voertuigen), voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen danwel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht,immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en/of gecontroleerd en/of niet vastgesteld wat de relatie was tussen een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en de handelsonderneming(en) en/of rechtsperso(o)n(en) namens wie zij optraden en/of geen identiteit vastgesteld/gecontroleerd van de uiteindelijk belanghebbende van die/een handelsonderneming(en)/rechtsperso(o)n(en),bij (onder meer) de volgende transactie(s):- (een) op of omstreeks 20 maart 2013 met [bedrijf 7] B.V., verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 17.000,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-009A ) en/of- (een) op of omstreeks 18 februari 2014 met [bedrijf 8], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 18.700,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-011A) en/of- (een) op of omstreeks 22 juli 2014 met [persoon 2], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 15.000,- euro (Doc-012A/B) en/of- (een) op of omstreeks 2 januari 2015 met [bedrijf 9], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(n) van (in totaal) (minstens) 15.550,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-014A/B) en/of- (een) op of omstreeks 9 januari 2015 met [persoon 4], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 23.500,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-015A);en/ofzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015, te Woerden en/of Linschoten en/of elders in Nederland,(telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen (voertuigen), voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 euro of meer,meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 33 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, niet danwel onvolledig, de gegevens van de cliënt op toegankelijke wijze bewaard gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactiebij (onder meer) de volgende transactie(s):- (een) op of omstreeks 20 maart 2013 met [bedrijf 7] B.V., verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 17.000,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-009A ) en/of- (een) op of omstreeks 18 februari 2014 met [bedrijf 8], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 18.700,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-011A) en/of- (een) op of omstreeks 22 juli 2014 met [persoon 2], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 15.000,- euro (Doc-012A/B) en/of- (een) op of omstreeks 2 januari 2015 met [bedrijf 9], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(n) van (in totaal) (minstens) 15.550,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-014A/B) en/of- (een) op of omstreeks 9 januari 2015 met [persoon 4], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 23.500,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-015A).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Opmerking vooraf
In het navolgende zullen formele en materiële verweren worden besproken. In dit verband zal worden verwezen naar bepalingen, opgenomen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft). Het hof heeft daarbij telkens het oog op de wet, zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde.
Bespreking van verweren over voorvragen
Partiële nietigheid van de dagvaarding
De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 en 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde partieel nietig verklaard dient te worden, voor zover dit ziet op het onderdeel “onder meer”.
Het hof overweegt als volgt.
T.a.v. feit 1
Gebruik van de woorden “onder meer” in een tenlastelegging leidt niet zonder meer tot nietigheid van de dagvaarding. Door de bewoordingen van de tenlastelegging in combinatie met het onderliggende dossier is hier evenwel niet duidelijk op welke transacties de woorden ‘onder meer’ betrekking hebben. Daartoe is van belang dat een deel van de transacties die in het dossier worden vermeld buiten de tenlastegelegde periode vallen. Ook behalen niet alle in het dossier opgenomen transacties de, in het kader van de handhaving gehanteerde, objectieve drempel van € 25.000,00. Daardoor is op voorhand niet telkens duidelijk welke transacties onder 'onder meer' vallen, en dus is niet duidelijk waartegen de verdachte zich moet verweren. De dagvaarding voldoet derhalve op dit onderdeel van de tenlastelegging niet aan de eisen die artikel 261 Sv Pro daaraan stelt. Het hof zal de dagvaarding dan ook ten aanzien van het onderdeel “onder meer” nietig verklaren.
T.a.v. feit 2, eerste en tweede cumulatief
Indien de woorden “onder meer” in een tenlastelegging worden opgenomen, mag van de steller van de tenlastelegging verwacht worden dat deze aanduidt wat de verdachte daaronder zou moeten verstaan. Een toelichting van zowel de officier van justitie als de advocaat-generaal is uitgebleven, terwijl het dossier betrekking heeft op een groot aantal transacties waarvan niet onmiddellijk duidelijk is op welke de tenlastelegging betrekking heeft. Daarom komt het hof tot de conclusie dat ook ten aanzien van feit 2 de dagvaarding partieel nietig is voor zover dit ziet op het onderdeel “onder meer”.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan om, in het geval dat het hof niet beslist om de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde “onder meer” nietig te verklaren, alle bij de genoemde transacties betrokken personen als getuigen te horen. Nu de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet is vervuld, komt het hof niet aan beoordeling van het verzoek toe.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging – verjaring
Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting (uiteindelijk) op het standpunt gesteld dat er bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten sprake is van voortdurende omissiedelicten, waarbij het delict pas voltooid is als de pleger niet langer in gebreke is. De verjaringstermijn is daarom op zijn vroegst aangevangen op 29 juni 2016, de datum waarop de ongebruikelijke transacties alsnog zijn gemeld. Gelet hierop is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de gehele tenlastelegging, aldus de advocaat-generaal.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van impliciet cumulatief tenlastegelegde commissiedelicten waarbij geen sprake is van het voortduren van een verboden situatie. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat sprake is van een omissiedelict geldt dat het niet voortdurend is. De strafbaarstelling van artikel 16 van Pro de Wwft ziet op het niet
onverwijldmelden van ongebruikelijke transacties. Het plegen van het feit geschiedt daarom tussen de datum van de transactie en wat het hof ‘onverwijld’ acht. Het openbaar ministerie dient ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde transacties van 26 februari 2013, 28 maart 2013 en 14 januari 2014 (eerste-, tweede- en derde gedachtestreepjes) niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging vanwege verjaring. Dat geldt ook ten aanzien van het onder 2 eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde eerste gedachtestreepje, te weten het niet doen van cliëntenonderzoek bij de transactie van 20 maart 2013 met [bedrijf 7] B.V en het niet bewaren van de gegevens van dat onderzoek, aldus de raadsman.
Beoordeling door het hof
De in artikel 3, 16, en 33 Wwft omschreven misdrijven worden op grond van artikel 6 van Pro de Wet op de Economische delicten bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal twee jaren. Dat brengt mee dat op grond van het bepaalde in artikel 70 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een verjaringstermijn van zes jaren geldt. Uit artikel 72 lid 2 Sr Pro volgt dat het recht tot strafvervolging, ondanks stuiting, vervalt na het verstrijken van een periode die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. In het onderhavige geval is derhalve sprake van een absolute verjaringstermijn van twaalf jaren.
Het hof wijst op 13 januari 2026 arrest. Gelet op deze absolute verjaringstermijn is het recht tot strafvordering thans vervallen en is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde voor zover dit de, in de tenlastelegging genoemde pleegperiode vóór 14 januari 2014 betreft.
Vervolgens is het de vraag welke transacties binnen die periode vallen, en dus verjaard zijn. Op grond van artikel 71 Sr Pro begint de verjaringstermijn te lopen op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Bepalend is aldus het moment waarop het feit voltooid is.
T.a.v. feit 1
Artikel 16 Wwft Pro verplicht een instelling tot het “onverwijld” doen van melding nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden. Het niet doen van die melding heeft de kenmerken van een omissiedelict. Het hof stelt voorts vast dat het in artikel 16 van Pro de Wwft omschreven delict zich moeilijk laat categoriseren in termen van het hebben van een al dan niet voortdurend karakter. De meldplicht is op zichzelf een voortdurende verplichting, maar als de delictsomschrijving van artikel 16 Wwft Pro in de kern wordt beoordeeld gaat het om het binnen een betrekkelijk korte periode – onverwijld – niet naleven van de meldingsplicht. Voor een in de tijd onbegrensde voortduring biedt de wetstekst onvoldoende aanknopingspunten.
Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient de tenlastelegging tot uitgangspunt te worden genomen. De tenlastelegging vermeldt bij elke ongebruikelijke transactie dat deze niet “binnen 14 dagen / onverwijld” is gemeld. Voorts legt het hof de tenlastelegging zo uit dat de genoemde data blijkens de bewoordingen de data zijn waarop de transacties hebben plaatsgevonden en dat de pleegdata van de deelfeiten geacht moeten worden te zijn geabsorbeerd in de pleegperiode.
Bij de tenlastegelegde transacties is het ongebruikelijke karakter van de transacties gelegen in het feit dat een bedrag van meer dan € 25.000,00 in contanten werd betaald. Het ongebruikelijke karakter van de transactie is dus, op zijn laatst, bekend geworden op het moment dat de transactie is verricht. Op grond van de bewoordingen van de tenlastelegging komt het hof daarom tot de slotsom dat de verjaringstermijn is aangevangen de dag na het aflopen van de in de tenlastelegging genoemde veertien dagen en daarmee vijftien dagen na de desbetreffende transactie.
Gelet hierop is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van de transacties die zijn verricht op 26 februari 2013 (met [bedrijf 3]) en 28 maart 2013 (met [bedrijf 4]).
T.a.v. feit 2 – artikel 3 Wwft Pro
Artikel 3 Wwft Pro regelt de verplichtingen van een instelling, als bedoeld in die wet, met betrekking tot het te verrichten cliëntenonderzoek. Door, onder andere, een transactie van ten minste € 15.000,00 te verrichten zonder vooraf cliëntenonderzoek te hebben gedaan maakt een instelling zich schuldig aan overtreding van artikel 3 Wwft Pro, uitzonderingen opgenomen in artikel 4 Wwft Pro daargelaten, welke zijn gesteld noch gebleken.
Omdat het cliëntenonderzoek vooraf dient te gaan aan een transactie en de bedoelde transacties telkens in de tenlastelegging zijn vermeld, heeft dit delict, anders dan door de advocaat-generaal is betoogd, geen voortdurend karakter. De verjaringstermijn vangt ten aanzien van de onder feit 2, eerste cumulatief/alternatief, tenlastegelegde schendingen van artikel 3 Wwft Pro aan op de dag na de betreffende transactie. Gelet hierop is de overtreding ten aanzien van de transactie van 20 maart 2013 met [bedrijf 7] B.V. verjaard.
T.a.v. feit 2 – artikel 33 Wwft Pro
Artikel 33 Wwft Pro verplicht een instelling om gegevens te bewaren gedurende vijf jaar na het uitvoeren van een transactie. Dit delict is naar zijn aard voortdurend. De verjaringstermijn begint ten aanzien van de onder 2, tweede cumulatief/alternatief, tenlastegelegde overtreding van artikel 33 Wwft Pro te lopen vijf jaar na de desbetreffende transacties. Gelet hierop zijn de onder feit 2, tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feiten niet verjaard voor zover zij zien op het niet voldoen aan de verplichting om de gegevens op toegankelijke wijze te bewaren, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging voor deze feiten.
Bespreking ontvankelijkheidsverweer vanwege schending van het vertrouwensbeginsel
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat tijdens een gesprek tussen [vertegenwoordiger verdachte] (die destijds vertegenwoordiger was van de verdachte, hierna: de directeur), diens medewerker [getuige 1] en de toezichthoudende ambtenaren [getuige 2] en [getuige 3] op 21 juni 2016, bij de verdachte het vertrouwen is gewekt dat als de achterwege gebleven meldingen ongebruikelijke transacties alsnog gedaan zouden worden, zij niet strafrechtelijk vervolgd zou worden. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen.
Het hof overweegt als volgt. Het verweer dient te worden beoordeeld op basis van de feitelijke gang van zaken tijdens het gesprek op 21 juni 2016, zoals deze kan worden gereconstrueerd op grond van de verklaringen van de vier bij het gesprek betrokken deelnemers. Dit betekent dat hetgeen in het controlerapport van 11 oktober 2016 of overigens in het dossier staat vermeld onbesproken kan blijven, nu het verweer ziet op toezeggingen die zouden zijn gedaan tijdens het gesprek op 21 juni 2016. Voor zover het verweer mede op deze processtukken is gebaseerd, wordt dit niet in de beoordeling betrokken. Teneinde de feitelijke toedracht van het gesprek te onderzoeken, zijn in hoger beroep zowel de ambtenaren [getuige 3] en [getuige 2], als de directeur van de verdachte en [getuige 1], gehoord.
De directeur van de verdachte heeft bij het verhoor, afgenomen door opsporingsambtenaren van de FIOD op 11 oktober 2017, verklaard “Die man suggereerde dat het daarbij bleef, tenminste, zo heb ik het begrepen”. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat de controleur, nadat hij de bevestiging stuurde dat de meldingen alsnog waren gedaan, zei: “dat het wat hem betreft goed was, maar dat hij de zaak door zou geven aan het openbaar ministerie”. Anders dan de directeur van de verdachte heeft getuige [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verbalisanten expliciet hebben toegezegd dat de verdachte niet strafrechtelijk vervolgd zou worden. Het hof stelt tegen deze achtergrond vast dat de directeur en [getuige 1] wisselend en (onderling) tegenstrijdig hebben verklaard.
De toezichthoudende ambtenaren [getuige 3] en [getuige 2] zijn op 9 oktober 2023 gehoord bij de raadsheer-commissaris, waar zij beiden uitdrukkelijk hebben ontkend dergelijke toezeggingen gedaan te hebben. [getuige 3] heeft verklaard dat hij het aantal overtredingen dat is aangetroffen bij de verdachte omvangrijk vond, ook wanneer dit wordt afgezet tegen het aantal auto’s dat het bedrijf jaarlijks verkoopt. Ook [getuige 2] heeft op 9 oktober 2023 bij de raadsheer-commissaris verklaard dat het aantal omissies omvangrijk is, en dat bij een dergelijk aantal overtredingen een vervolgtraject in strafrechtelijke zin voor de hand ligt.
Gelet op de inhoud van deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat [getuige 2] en [getuige 3] toezeggingen hebben gedaan, inhoudend dat de verdachte niet strafrechtelijk vervolgd zou worden.
Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven het antwoord op de vraag of [getuige 2] en [getuige 3] ambtenaren zijn wier uitlatingen kunnen worden toegerekend aan het openbaar ministerie.
Het verweer wordt verworpen.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de getuige [getuige 4], indien het hof zich niet voldoende geïnformeerd acht om het openbaar ministerie de ontvankelijkheid te ontzeggen vanwege schending van het vertrouwensbeginsel.
Aan de, met niet al te veel precisie geformuleerde, voorwaarde is in zoverre voldaan dat het hof oordeelt dat het openbaar ministerie het recht op vervolging van de verdachte niet heeft verloren op de grond van de gestelde schending van het vertrouwensbeginsel. Zoals hiervoor overwogen dient het verweer beoordeeld te worden op basis van de feitelijke gang van zaken tijdens het gesprek op 21 juni 2016, tussen de heren [getuige 2], [getuige 3], [vertegenwoordiger verdachte] en [getuige 1]. Het verzoek tot horen van [getuige 4] wordt afgewezen, omdat de punten waarover de getuige kan verklaren (namelijk dat in een ander geval anders is gehandeld door de bevoegde autoriteiten) in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het verweer. Voor zover er toezeggingen zouden zijn gedaan in het onderzoek jegens [getuige 4], is dat naar het oordeel van het hof niet van betekenis met betrekking tot de vraag of er in het onderzoek jegens de verdachte toezeggingen zijn gedaan.
Bespreking van een bewijsverkrijgingsverweer – schending cautieplicht en recht op verhoorbijstand
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de toezichthoudende ambtenaren op 21 juni 2016 niet de cautie hebben gegeven aan de directeur van de verdachte voorafgaand aan de vragen die hem zijn gesteld en dat hij voordat hij bevraagd werd over de vermeende overtredingen had moeten worden gewezen op zijn recht om zowel voorafgaand als tijdens het verhoor rechtsbijstand te genieten. De betreffende verklaring van de directeur van de verdachte moet daarom worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsman.
Het hof zal – evenals de rechtbank – bij de bewijslevering geen gebruik maken van de verklaring die de directeur heeft afgelegd in het kader van de Wwft-controle. Nu het belang bij dit verweer hierdoor komt te vervallen, laat het hof dit verweer onbesproken.
Beoordeling van de tenlastelegging ten aanzien van feit 2, eerste cumulatief/alternatief
Het cliëntenonderzoek (artikel 3 Wwft Pro)
Partiële vrijspraak feit t.a.v. de transactie met [bedrijf 8]
Uit het controlerapport van de Belastingdienst (DOC-007) blijkt dat er ten tijde van de controle door de belastingdienst in 2015 een identiteitsbewijs van de eigenaar van [bedrijf 8] beschikbaar was. In navolging van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte daarom partieel dient te worden vrijgesproken van het niet doen van cliëntenonderzoek voorafgaand aan de transactie op 18 februari 2014 met [bedrijf 8]
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de transacties met [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] (respectievelijk het derde-, vierde- en vijfde gedachtestreepje) aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu er wel degelijk cliëntenonderzoek is verricht. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij het overschrijven van een auto op naam van een particulier altijd een identiteitsbewijs nodig is. Ook bij overschrijving op naam van een aankopend autobedrijf dient een koper te beschikken over de bedrijfsvoorraadpas alsmede de RDW- en de inloggegevens en een wachtwoord. Nu door [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] aangekochte auto’s in het RDW-register zijn overgezet op naam van de kopers, blijkt dat de verdachte wel degelijk cliëntenonderzoek heeft verricht. Ten aanzien van de transacties met [persoon 2] en [persoon 3] heeft de verdediging voorts aangevoerd dat, nu de koopprijs gedeeltelijk giraal (het hof begrijpt: via een bankoverschrijving) is voldaan, de verdachte mocht aannemen dat de gebruiker van die bankrekening behoorlijk is geïdentificeerd door de bank.
Beoordeling van het hof
Op grond van artikel 4 Wwft Pro dient cliëntenonderzoek verricht te worden
voorafgaand aanhet verrichten van een incidentele transactie. Zowel de overschrijving in de tenaamstellingsapplicatie van de RDW als de betaling via de bank vinden plaats
nahet verrichten van een transactie. Daarnaast geeft een bancaire overschrijving enkel duidelijkheid over de tenaamgestelde van de tegenrekening vanwaar het geld wordt ontvangen, maar dit zegt evenwel niets over de persoon of de rechtspersoon met wie feitelijk zaken is gedaan. Voorts merkt het hof op dat het verrichten van cliëntenonderzoek een verplichting is die niet zonder meer kan worden overgelaten aan een andere instantie. Slechts indien aan de in artikel 5 Wwft Pro gestelde voorwaarden is voldaan, kan dit onderzoek door een andere instelling worden verricht, hetgeen is gesteld noch gebleken.
Gelet op het voorgaande acht het hof, mede op grond van de elders in dit arrest te bezigen overweging over het de daderschap van het rechtspersoon, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met betrekking tot [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] artikel 3 Wwft Pro heeft overtreden. In het midden kan blijven welke uitleg moet worden gegeven aan de Leidraad Wwft 2013 en de toen vigerende Uitvoeringsregeling Wwft waar het gaat om de wijze waarop het cliëntenonderzoek kan plaatsvinden.
Beoordeling van de tenlastelegging ten aanzien van feit 2, tweede cumulatief/alternatief
De bewaarplicht (artikel 33 Wwft Pro)
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2, tweede cumulatief/alternatief, tenlastegelegde transacties, voor zover dit ziet op schending van de bewaarplicht. Hij heeft voorts betoogd dat beantwoording van de vraag of de verdachte de hoedanigheid had als bedoeld in artikel 33, eerste lid, Wwft, aan de orde komt bij de tweede hoofdvraag van artikel 350 Sv Pro.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde schending van de bewaarplicht.
Juridisch kader
Artikel 33 eerste Pro lid van de Wwft luidde in de ten laste gelegde periode, voor zover, als resultaat van de vastgestelde partiële verjaring, in hoger beroep nog aan de orde en voor zover relevant, als volgt:
Een instelling die op grond van deze wet een persoon heeft geïdentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd, of bij wie een cliënt is geïntroduceerd conform de procedure van artikel 5, legt op opvraagbare wijze de documenten en gegevens vast (…).
Beoordeling door het hof
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 33 Wwft Pro, niet dan wel onvolledig de gegevens van de cliënt op toegankelijke wijze heeft bewaard. Het hof legt de tenlastelegging zo uit dat daarmee is bedoeld om in de tenlastelegging op te nemen dat de verdachte een instelling is die op grond van haar uit de Wwft voortvloeiende verplichtingen een cliëntenonderzoek heeft verricht. Met deze uitleg wordt aangesloten bij de delictsomschrijving zoals verwoord in artikel 33, eerste lid, Wwft.
In afwijking van het standpunt van de advocaat-generaal betreft de vaststelling van die hoedanigheid van de instelling naar het oordeel van het hof een bewijskwestie. Het gaat immers om de vraag of is bewezen dat de instelling de in artikel 33 Wwft Pro omschreven hoedanigheid had.
Uit de vaststellingen die het hof in het voorgaande heeft gedaan ten aanzien van de onder 2 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde overtredingen van artikel 3 Wwft Pro, volgt dat ten aanzien van de transacties met [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] bewijs ontbreekt voor het bestanddeel dat de verdachte een instelling is die op grond van de Wwft cliëntenonderzoek heeft verricht. Hetzelfde geldt ten aanzien van [bedrijf 7] B.V.: ook hier stelt het hof vast dat de verdachte geen cliëntenonderzoek heeft verricht. Bij die stand van zaken moet de verdachte partieel worden vrijgesproken van de onder 2, tweede cumulatief/alternatief, tenlastegelegde overtreding van artikel 33 Wwft Pro ten aanzien van de transacties met [persoon 2], [persoon 3], [persoon 4] en [bedrijf 7] B.V.
Dat ligt echter anders met betrekking tot [bedrijf 8] Zoals hiervoor overwogen blijkt uit het rapport van de Belastingdienst dat de verdachte ten aanzien van [bedrijf 8] wel cliëntenonderzoek heeft verricht. Gelet hierop had de verdachte de hoedanigheid van een instelling die op grond van de Wwft cliëntenonderzoek heeft verricht, als bedoeld in artikel 33 Wwft Pro, zodat zij gehouden was de documenten en gegevens uit dit onderzoek op opvraagbare wijze te bewaren. Nu vaststaat dat de gegevens ten tijde van het onderzoek door de toezichthoudende ambtenaren niet op opvraagbare wijze aanwezig waren, is niet voldaan aan de wettelijke bewaarplicht. Dat de stukken tijdens de controle door de Belastingdienst in 2015 wel beschikbaar waren, doet hier niet aan af. Gelet op het voorgaande acht het hof, mede op grond van de elders in dit arrest te bezigen overweging over het daderschap van de rechtspersoon, overtreding van artikel 33 Wwft Pro door de verdachte wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van [bedrijf 8]
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft – indien het hof zich niet voldoende geïnformeerd mocht achten om ten aanzien van [bedrijf 8] tot vrijspraak van de onder 2 tenlastegelegde overtreding van artikel 33 Wwft Pro te komen – een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [getuige 5] en [getuige 1] als getuigen.
Het hof merkt op dat de voorwaarde zo is geformuleerd dat kennelijk bepalend is of het hof zich voldoende geïnformeerd acht. Uit voorgaande overwegingen moge duidelijk zijn geworden dat het hof van oordeel is dat voldoende feitelijk substraat is verschaft om de tenlastelegging te beoordelen. Indien en voor zover de raadsman heeft beoogd de voorwaarde zo in te richten dat deze inhoudt dat de bedoelde situatie intreedt als het hof een bewezenverklaring overweegt, stelt het hof met enige welwillendheid vast dat er in zoverre aan is voldaan. Het hof ziet evenwel geen noodzaak om [getuige 5] en [getuige 1] als getuigen te horen. Aan de hand van de tenlastelegging staat de toegankelijkheid van de vastgelegde of vast te leggen gegevens ter beoordeling. De daarmee verbonden gebreken zijn tijdens het handhavingsonderzoek vastgesteld. Niet valt in te zien hoe de genoemde personen een verklaring kunnen afleggen die voor die beoordeling van belang kan zijn. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Daderschap van de rechtspersoon
De verdachte is een rechtspersoon. Deze kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.
Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
Het hof stelt vast dat de in het voorgaande bewezen geachte verboden gedragingen aan deze criteria voldoen, waarmee het daderschap van de verdachte is bewezen.
Het opzet van de verdachte op de verboden gedragingen leidt het hof af uit de bestendigheid van de vastgestelde gedragingen hetgeen wijst op een vaker voorkomende gang van zaken binnen het bedrijf.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.zij in de periode van 14 januari 2014 tot en met 8 april 2015, in Nederland,

als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van voertuigen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer,
meermalen, opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet Pro ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, verrichte ongebruikelijke transacties, niet binnen 14 dagen / onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van deze transacties bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid,
immers heeft zij opzettelijk geen melding gedaan van:
- een op of omstreeks 9 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie met [bedrijf 5], te weten een contante betaling van 119.000,00 euro, en
- een op of omstreeks 14 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie met [bedrijf 6], te weten een contante betaling van 32.200,00 euro, en
- een op of omstreeks 17 november 2014 verrichte ongebruikelijke transactie met [bedrijf 5], te weten een geheel of gedeeltelijk contante betaling van 35.500,00 euro, en
- een op of omstreeks 24 maart 2015 verrichte ongebruikelijke transactie met [persoon 1], te weten een contante betaling van 32.250,00 euro;

2.zij de periode van 14 januari 2014 tot en met 31 december 2015 in Nederland,

als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van voertuigen, voor zover betaling van deze goederen plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer,
meermalen, opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen danwel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht,
immers heeft zij opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en/of gecontroleerd en/of niet vastgesteld wat de relatie was tussen een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en de handelsonderneming(en) en/of rechtsperso(o)n(en) namens wie zij optraden en/of geen identiteit vastgesteld/gecontroleerd van de uiteindelijk belanghebbende van die/een handelsonderneming(en)/rechtsperso(o)n(en),
bij de volgende transacties:
- een op of omstreeks 22 juli 2014 met [persoon 2], verrichte transactie, te weten een betaling van 15.000,- euro, en
- een op of omstreeks 2 januari 2015 met [bedrijf 9], verrichte transactie, te weten een betaling van 15.550,- euro, en
- een op of omstreeks 9 januari 2015 met [persoon 4], verrichte transactie, te weten een betaling van 23.500,- euro;
en
zij in de periode van 13 januari 2014 tot en met 31 december 2015 in Nederland,
als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van voertuigen, voor zover betaling van deze goederen plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 euro of meer,
opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 33 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, onvolledig, de gegevens van de cliënt op toegankelijke wijze bewaard gedurende vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie
bij de volgende transactie:
- een op of omstreeks 18 februari 2014 met [bedrijf 8], verrichte transactie, te weten een betaling van 18.700,- euro.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat, indien het hof bij het onder 2 tenlastegelegde ten aanzien van enige transactie zowel overtreding van artikel 3 Wwft Pro als artikel 33 Wwft Pro bewezen acht, de verdachte ter zake van het laatstgenoemde feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens, naar het hof begrijpt, niet-kwalificeerbaarheid van het bewezen verklaarde (deel-)feit. Het hof volstaat met de vaststelling dat, gelet op de bewezenverklaring, van een door de advocaat-generaal en de raadsman bedoelde situatie geen sprake is.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
en
opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 15.000,00 waarvan € 7.500,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft in strijd met de Wwft nagelaten vier ongebruikelijke transacties te melden. Ook heeft de verdachte drie transacties verricht zonder vooraf cliëntenonderzoek te doen, en heeft zij ten aanzien van één transactie de bewaarplicht geschonden. De verdachte heeft door haar handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te verkrijgen op mogelijke geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om mogelijk achterliggende strafbare feiten op te sporen. Gelet daarop, en gezien de strafafdoening in soortgelijke zaken, is een onvoorwaardelijk geldboete in beginsel passend.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof echter rekening met de veranderingen die bij haar zijn doorgevoerd. Ook houdt het hof rekening met het forse tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten. Gelet op het hiervoor overwogene, ziet het hof aanleiding om een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft plaatsgevonden. De redelijke termijn is in eerste aanleg in acht genomen maar is in hoger beroep met meer dan vier jaar en twee maanden overschreden. Gelet op soort en modaliteit van de straf die het hof zal opleggen, wordt volstaan met de enkele constatering dat het recht op berechting binnen redelijke termijn is geschonden, zonder dat hieraan gevolgen voor de strafoplegging worden verbonden.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 3, 16 en 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (oud).
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover het betreft feit 1, vijfde gedachtestreepje.
Verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft de woorden “onder meer”, zoals telkens opgenomen in de tenlastelegging onder 1 en 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft feit 1, eerste en tweede gedachtestreepje en feit 2, eerste cumulatief/alternatief, eerste gedachtestreepje.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan €
15.000,00 (vijftienduizend euro).
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. R.M. Steinhaus en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]