Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
in persoon verschenen.
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grieven 1 tot en met 6bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is omdat een dringende reden ontbreekt. [geïntimeerde] heeft de klanten van zijn werkgever onder werktijd, op de werkvloer en in werkkleding van zijn werkgever gevraagd om de leningen. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] het vertrouwen van de huurders - dat op zijn functie was gebaseerd - heeft gebruikt of misbruikt om leningen in privé af te sluiten. Volgens [appellant] is het altijd de taak van [geïntimeerde] geweest om huurders te waarschuwen en om boetes uit te schrijven aan huurders, en niet alleen om misdragingen van huurders te melden aan de coördinatoren. Dit blijkt ook uit de overgelegde verklaringen van de coördinatoren. Bij zijn beoordeling van 12 november 2021 was [geïntimeerde] gewaarschuwd dat hij voor [appellant] werkte en niet voor de huurders. [appellant] betwist dat [geïntimeerde] er nooit op is gewezen dat hij geen leningen mocht aangaan. Er is een specifieke waarschuwing in artikel 9 van Pro de arbeidsovereenkomst en in het personeelsreglement opgenomen waaruit volgt dat [geïntimeerde] op geen enkele wijze voor eigen rekening mocht handelen. Voorts wijst [appellant] erop dat er sprake was van herhaald gedrag gedurende een langere periode waarbij veel huurders zijn betrokken en dat het geleende bedrag aanzienlijk is. [geïntimeerde] heeft in het geheim van minimaal zeventien huurders, een uitzendkracht en een oud-huurder een bedrag van ten minste € 12.586,- geleend, waardoor hij zijn functioneren als controleur van de huurders onmogelijk maakte. [geïntimeerde] had moeten begrijpen dat het sluiten van leningen met de huurders, die de klanten van [appellant] zijn, hem zou kunnen belemmeren in de uitvoering van zijn werk. Tot slot betwist [appellant] dat zij de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde] onvoldoende gewicht heeft gegeven. [appellant] wist eind 2024 niet van financiële of persoonlijke problemen van [geïntimeerde] .
(1) het niet nakomen van verschillende afspraken die [geïntimeerde] als representant van de Bazaar in zijn persoonlijke belang met huurders van de Bazaar heeft gemaakt, waardoor het vertrouwen van huurders in de Bazaar is beschadigd en het vertrouwen van de Bazaar in [geïntimeerde] dusdanig is beschadigd dat voortzetting van zijn dienstverband onmogelijk is geworden;
(2) het niet meer naar behoren kunnen verrichten van zijn werkzaamheden omdat [geïntimeerde] daarin alle grenzen te buiten is gegaan, waardoor [geïntimeerde] zich in een positie heeft gebracht dat hij chantabel is en gevoelig voor omkoping;
(3) het door zijn gedragingen geven van een slechte naam aan de Bazaar.
ontslaggrond 1) en dat [geïntimeerde] door zijn gedragingen de Bazaar een slechte naam heeft gegeven (
ontslaggrond 3). In de ontslagbrief van 31 december 2024 noch later heeft [appellant] toegelicht welke concrete afspraken [geïntimeerde] met de huurders heeft gemaakt en welke daarvan hij niet is nagekomen. Integendeel: [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat hij alle geleende bedragen heeft terugbetaald. Dat hij door het maken van deze afspraken het vertrouwen van de huurders in de Bazaar heeft beschadigd, is niet nader onderbouwd of gebleken [appellant] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat door het maken en niet nakomen van deze afspraken sprake is geweest van gedragingen die een dringende reden voor ontslag op staande voet zouden kunnen opleveren. Datzelfde geldt voor ontslaggrond 3. In de ontslagbrief heeft [appellant] volstaan met de constatering dat de gedragingen van [geïntimeerde] de Bazaar een slechte naam geven. Een nadere toelichting of onderbouwing ontbreekt. Ook in het verweerschrift in eerste aanleg en het beroepschrift is [appellant] niet met een feitelijke onderbouwing van deze beide ontslaggronden gekomen. Dit betekent dat [appellant] het bestaan, de inhoud en de omvang van deze ontslaggronden (gelet op de betwisting daarvan door [geïntimeerde] ) onvoldoende concreet heeft onderbouwd en dat deze het gegeven ontslag derhalve niet kunnen dragen.
ontslaggrond 2. Niet is in geschil dat [geïntimeerde] de huurders van [appellant] heeft gevraagd om aan hem geld te lenen en deze leningen ook heeft gekregen. Voor [geïntimeerde] had voldoende duidelijk kunnen en moeten zijn dat het sluiten van leningen met huurders van de Bazaar door [appellant] niet zou worden toegestaan omdat hij daardoor, gelet op het feit dat het zijn taak was om te controleren of de huurders zich aan de regels hielden en hun zo nodig te waarschuwen en/of beboeten, gevoelig zou kunnen worden voor chantage en omkoping. Zowel in artikel 9 van Pro de arbeidsovereenkomst als in het personeelsreglement is opgenomen dat [geïntimeerde] zich op de Bazaar zal onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. Ook in zijn beoordeling van 12 november 2021 is hij gewaarschuwd dat hij voor [appellant] werkt en niet voor de huurders. Door desondanks leningen met huurders af te sluiten, heeft hij het risico genomen dat hij in een afhankelijke relatie ten opzichte van deze huurders zou komen te staan, waardoor hij zijn werkzaamheden niet naar behoren zou kunnen verrichten. [appellant] heeft in hoger beroep toegelicht dat [geïntimeerde] in 2024 aanzienlijk minder waarschuwingen heeft gegeven en boetes aan huurders heeft uitgeschreven dan in voorgaande jaren. Hoewel het uitschrijven van boetes volgens [geïntimeerde] in 2024 niet meer tot zijn taken behoorde, heeft [appellant] dit gemotiveerd betwist aan de hand van de verklaringen van de twee coördinatoren, P. van Meurs en J. van Rhijn. Deze handelwijze van [geïntimeerde] rechtvaardigt weliswaar de conclusie dat hij verwijtbaar heeft gehandeld, maar van een dringende reden voor ontslag op staande voet is geen sprake. Niet kan worden gezegd dat deze gedragingen zó ernstig zijn dat van [appellant] redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Van belang is daarbij het lange dienstverband van [geïntimeerde] bij [appellant] , zijn nagenoeg altijd goede functioneren in het verleden en de omstandigheden dat hij (zoals [appellant] wist) eerder met financiële problemen kampte. Bij de beoordeling van de ernst van de gedragingen moet bovendien worden meegewogen dat er geen aanwijzingen zijn dat [geïntimeerde] opzettelijk schade aan [appellant] heeft willen toebrengen, en dat niet gesteld of gebleken is dat sprake was van chantage of omkoping van [geïntimeerde] . Van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW Pro is derhalve geen sprake.
grief 7betwist [appellant] dat [geïntimeerde] recht heeft op een billijke vergoeding. Door het ontslag op staande voet heeft [appellant] niet ernstig verwijtbaar gehandeld, zo stelt [appellant] . Voor zover wel sprake is van een recht op een billijke vergoeding, dan is de billijke vergoeding van € 10.000,- onjuist. Indien [appellant] meteen een ontbindingsverzoek had ingediend, dan had er op korte termijn een ontbinding kunnen volgen. Bovendien had de duur van de ontbindingsprocedure van de opzegtermijn mogen worden afgetrokken (artikel 7:671b lid 9 onder a BW), zodat waarschijnlijk slechts één maand opzegtermijn zou resteren. Door de betaling van de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging verkeert [geïntimeerde] zelfs in een betere positie dan in geval van een ontbindingsprocedure wegens ernstig verwijtbaar handelen door [geïntimeerde] . Tot slot is de kantonrechter bij de berekening van deze vergoeding volgens [appellant] van een onjuist en te hoog salaris van [geïntimeerde] uitgegaan.
grief 8betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] geen recht heeft op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging omdat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2024 rechtsgeldig is geëindigd. Verder stelt [appellant] dat de kantonrechter bij de berekening van deze vergoeding van een onjuist en te hoog salaris van [geïntimeerde] is uitgegaan.
grief 9betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door van zoveel huurders in totaal een grote som geld te lenen en vervolgens zijn afspraken niet na te komen zodat de huurders zich hebben gewend tot [appellant] . Volgens [appellant] is de kantonrechter ook bij de berekening van deze vergoeding van een onjuist en te hoog salaris van [geïntimeerde] uitgegaan.
grief 10van [appellant] faalt.