ECLI:NL:GHAMS:2026:57

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23-001939-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vrijspraak van bedreiging, belediging, diefstal, vernieling en belaging

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte was eerder vrijgesproken van bedreiging en diefstal in zaak A, maar heeft in hoger beroep onbeperkt beroep ingesteld. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep voor zover dit gericht is tegen de vrijspraken, conform artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof heeft de zaak onderzocht op basis van de zittingen van 17 december 2025 en 13 januari 2026. De verdachte is beschuldigd van meerdere strafbare feiten, waaronder bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], belediging, diefstal, vernieling en belaging. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten en heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 100 uren. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot schadevergoeding is niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen wettelijke grondslag voor immateriële schadevergoeding is aangetoond. Het hof heeft ook geconstateerd dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden, wat heeft geleid tot een matiging van de op te leggen straf.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001939-22
datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-115016-19 (zaak A) en 13-188943-21 (zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van wat aan hem in zaak A onder 1 als bedreiging van [slachtoffer 1] en bedreiging van [slachtoffer 2] , alsmede in zaak A onder 3 als diefstal van babyspullen is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus ook gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en het slachtoffer [slachtoffer 1] naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging (zaak A, feit 2 met betrekking tot [slachtoffer 3] ) is, voor zover aan het oordeel van het gerechtshof onderworpen, aan de verdachte tenlastegelegd dat:
Zaak A
1.
hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 oktober 2018 tot en met 11 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen - "Jij komt niet bij mijn kind! Ik ga je tanden uit je bek slaan!" en/of
-“Kom niet in de buurt van mijn zoontje anders sla ik de tanden uit je bek of reet” en/of
- “ Hij komt niet bij mijn kind! Ik ga 2000 euro betalen aan een van de jongens van de Mocro Maffia om hem te doden!
althans woorden van gelijke bedreigende aard of strekking;
2.
hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 oktober 2018 tot en met 26 oktober 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk
[slachtoffer 3] , door een toegezonden of aangeboden elektronisch geschrift of afbeelding, heeft beledigd door aan die [slachtoffer 3] via Whatsapp een bericht te sturen inhoudende:
-"Luister stink Arubaan ik heb je gezegd dat je uit de buurt moet blijven van me kind” en/of
- “ Vieze tering monkey dat je bent ik hoop dat jullie de kanker krijgen allemaal kleine flikkertje” en/of
[slachtoffer 1] , in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen:
- " kanker schijnheilig" en/of
”kankerhoer” en/of
"vieze crackjunk" en/of
"vìeze tokkie" en/of
“vuile rat”
althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij, op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 4 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij, op of omstreeks 11 oktober 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland. opzettelijk en wederrechtelijk een raam, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield;
5.
hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 14 maart 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen door meermalen
- die [slachtoffer 1] thuis op te zoeken en/of
- meermalen zich in persoon dan wel in een auto op te houden in de directe omgeving van de woning van die [slachtoffer 1] en/of
- die [slachtoffer 1] in een auto te volgen en/of
- die [slachtoffer 1] meermalen ongewenst telefonisch te benaderen en/of
- die [slachtoffer 1] meermalen - al dan niet bedreigende - berichten/teksten te sturen althans woorden van gelijke aard of strekking;
Zaak B
hij op of omstreeks 14 juli 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Ik ga je iets aan doen. Ik ga je een pak slaag geven als je niet luistert" en/of
- " Zie je die tanden die je nog in je bek hebt? Die gaan eruit geslagen worden. M'n moeders, m'n vaders dood. Ze gaan er allemaal uitgeslagen worden. Ik heb jouw gezegd Sabah. Mijn kinderen gaan niet zomaar bij jouw blijven Sabah. Het gaat echt helemaal uit de hand lopen en dan ga ik vast zitten, en/of
- " Dan moet je de consequenties zelf aanvaarden. Jij hebt gespeeld met mijn leven en met je eigen leven." en/of
- " Als ik niets heb dan gaat alles kapot. Ik ga kapot, jij gaat kapot, de kinderen gaan kapot, alles gaat kapot Sabah. Ik kan niet met mijn emoties omgaan." en/of
- " Als ik ga gaan we allemaal. Als ik kapot ga, ga jij kapot en de kinderen gaan kapot en je moeder gaat kapot. We gaan allemaal kapot. Never nooit dat je de kinderen krijgt.",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het in zaak A onder 2 met betrekking tot F.A [slachtoffer 3] tenlastegelegde
Aan de verdachte is in zaak A onder 2 onder meer tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan belediging van [slachtoffer 3] . Vervolging van belediging vindt ingevolge artikel 269, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) niet plaats dan op klacht van degene tegen wie dit misdrijf is begaan. Het bepaalde in artikel 164 Sv strekt ertoe te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Uit het dossier volgt niet dat de klachtgerechtigde een klacht heeft ingediend. Evenmin kan uit het dossier worden afgeleid dat deze uitdrukkelijk de wens heeft gehad dat de verdachte ter zake van belediging zou worden vervolgd. Het in de aangifte opgenomen verzoek van [slachtoffer 3] aan de politie om onderzoek te doen, is niet aan te merken als een klacht in voormelde zin. Aan het klachtvereiste is daarmee niet voldaan.
Het hof zal het openbaar ministerie daarom ten aanzien van de in zaak A onder 2 tenlastegelegde belediging van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging zaak A feit 3

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal van de telefoon; allereerst staat niet vast hoe de telefoon bij de verdachte terecht is gekomen, bovendien is er geen sprake geweest van wederrechtelijke toe-eigening. De verdachte heeft de telefoon van [slachtoffer 1] slechts kort onder zich gehouden waarna deze aan haar is geretourneerd.
Het hof overweegt dat de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de telefoon zonder toestemming van [slachtoffer 1] heeft gepakt en meegenomen en hier als heer en meester over heeft beschikt door in de telefoon te kijken en berichten en screenshots te verwijderen. Dat dit slechts een korte tijd in beslag heeft genomen doet daaraan niet af. Er is dus sprake van wederrechtelijke toe-eigening en daarmee diefstal. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en in de zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A
1.
hij op tijdstippen in de periode van 9 oktober 2018 tot en met 10 oktober 2018 te Amsterdam, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Jij komt niet bij mijn kind! Ik ga je tanden uit je bek slaan!" of “Kom niet in de buurt van mijn zoontje anders sla ik de tanden uit je bek of reet” en
- “ Hij komt niet bij mijn kind! Ik ga 2000 euro betalen aan een van de jongens van de Mocro Maffia om hem te doden!”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.
hij op 10 oktober 2018 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 1] , in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen:
- " kanker schijnheilig" en “kankerhoer” en crackjunk" en/"vìeze tokkie", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij omstreeks 4 december 2018 te Amsterdam, een telefoon die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op 11 oktober 2018 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een raam, dat aan een ander, toebehoorde, heeft vernield;
5.
hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2018 tot en met 14 maart 2019 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen door
- die [slachtoffer 1] in een auto te volgen en
- die [slachtoffer 1] meermalen ongewenst telefonisch te benaderen en
- die [slachtoffer 1] meermalen - al dan niet bedreigende - berichten/teksten te sturen althans woorden van gelijke aard of strekking;
Zaak B
hij op 14 juli 2021 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Ik ga je iets aan doen. Ik ga je een pak slaag geven als je niet luistert" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Wat in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling.
Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging.
Het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het in zaak A onder 4 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het in zaak A onder 5 bewezenverklaarde levert op:
belaging.
Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren met algemene en bijzondere voorwaarden; te weten een contact- en locatieverbod en daarnaast tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, met dien verstande dat voor iedere dag die in verzekering is doorgebracht aftrek zal plaatsvinden naar de maatstaf van twee uren per dag.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en daarnaast tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht bij het bepalen van de straf in strafmatigende zin rekening te houden met het feit dat sprake is van zeer oude feiten en dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het contact tussen de verdachte en [slachtoffer 1] is inmiddels verbeterd en er is geen sprake van nieuwe politie of justitiecontacten. Dit maakt dat er niet langer aanleiding is om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en de op te leggen taakstraf beperkt kan worden tot 30 of 40 uur.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte zich gedurende de periode van oktober 2018 tot en maart 2019 schuldig gemaakt aan een reeks van nare strafbare feiten jegens zijn (inmiddels ex) partner, haar moeder en haar stiefvader, te weten belaging, belediging en bedreiging. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van de telefoon van zijn (inmiddels ex) partner en vernieling van een raam in haar woning. In juli 2021 heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn (inmiddels ex) partner. Het hof beschouwt het handelen van de verdachte als intieme terreur en neemt dit de verdachte zeer kwalijk; waarbij het hof gewicht toekent aan het feit dat verschillende feiten zich afspeelden in de kraamperiode van de oudste zoon van de verdachte en zijn (inmiddels ex) partner en dat het gedrag van de verdachte zodanig was dat zij op enig moment met haar zoontje haar toevlucht moest zoeken in een Blijf van mijn Lijfhuis.
Het hof heeft kennis genomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 december 2025 waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, belediging, vernieling en bedreiging.
Het hof stelt vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep behoort te zijn afgerond binnen twee jaren. In zaak A is de verdachte verhoord op 14 maart 2019 en heeft de politierechter op 20 juli 2022 uitspraak gedaan. Hieruit volgt dat de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden met een jaar en vier maanden. Op 20 juli 2022 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 13 januari 2026 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim een jaar en vijf maanden. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Gelet op het aantal en de ernst van de strafbare feiten acht het hof een taakstraf van 120 uren passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot 100 uren.
Het hof stelt verder vast dat de feiten inmiddels van jaren her dateren en begrijpt dat het contact tussen de verdachte en zijn ex-partner inmiddels tekenen van verbetering vertoont. Het hof acht de situatie echter nog dusdanig precair dat het hof aanleiding ziet naast een taakstraf een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om de verdachte extra te motiveren zich te onthouden van nieuwe strafbare feiten.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een taakstraf van 100 uren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00 en bestaat geheel uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 350,00. De benadeelde partij is voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft het hof geadviseerd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 350,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het verzoek tot schadevergoeding begrijpt het hof dat de benadeelde partij zijn vordering tot toekenning van immateriële schadevergoeding grondt op de bedreigingen die de verdachte jegens hem heeft geuit.
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals geregeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van een grond voor vergoeding van schade in de zin van artikel 6:106 sub b BW. Daartoe overweegt het hof dat de benadeelde partij weliswaar heeft gesteld dat hij vanwege de bedreigingen E.M.D.R. therapie volgt bij het Sinai centrum maar deze stelling is door hem niet met concrete gegevens onderbouwd. Om deze reden kan bij deze stand van zaken niet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel en daarmee dus ook geen grondslag voor toekenning van immateriële schade.
Het hof is van oordeel dat nader onderzoek naar de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom in dit strafgeding in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 266, 285, 285b, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 1 als bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , alsmede onder 3 als diefstal van babyspullen tenlastegelegde.
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde in zaak A onder 2 voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. W.S. Ludwig en mr. M.C. van der Mei en, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[......]