ECLI:NL:GHAMS:2026:58

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23-000879-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van vonnis met aanpassing van straf en schadevergoeding in hoger beroep na mishandeling

Op 13 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2022. De zaak betreft een mishandeling die plaatsvond tijdens een burenruzie, waarbij de verdachte het slachtoffer met een hard voorwerp op het hoofd sloeg, wat resulteerde in letsel. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren en 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal een zwaardere straf geëist, maar het hof heeft uiteindelijk besloten om de straf te matigen. Het hof heeft de gevangenisstraf vastgesteld op 1 dag en een taakstraf van 60 uren, met inachtneming van de omstandigheden van de zaak en de overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding behandeld, waarbij het hof heeft besloten om een bedrag van € 563,51 toe te wijzen, bestaande uit materiële en immateriële schade. Het hof heeft de beslissing van de politierechter bevestigd, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de schadevergoeding, die zijn aangepast. Het arrest is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier en is openbaar gemaakt.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000879-22
datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-346430-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
volgens haar verklaring ter zittingen wonende te: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen,
behalve ten aanzien van de strafoplegging, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd,
en met dien verstande dat het hof in de overwegingen van de politierechter op pagina 10 laatste alinea van het vonnis de zin welke begint met “ Hoewel de verdachte...” en eindigt met “ tegenstrijdig” schrapt.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 1 dag gevangenisstraf en een taakstraf voor de duur van 100 uur, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Tijdens een escalatie van een al vele jaren slepende burenruzie tussen twee families heeft de verdachte het slachtoffer met een hard voorwerp op het hoofd geslagen. Dit heeft bij hem geleid tot pijn en letsel, te weten een zwelling van 4 bij 4 centimeter op zijn hoofd en een hersenschudding. De verdachte heeft aldus de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.
Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het L.O.V.S. Daarin wordt voor een
first offenderterzake van mishandeling met een slagwapen, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een taakstraf voor de duur van 120 uur genoemd. In het feit dat bij voornoemde escalatie door meerdere personen over en weer klappen zijn uitgedeeld en de zus van de verdachte hierbij ook letsel, onder meer een kaakbreuk, heeft opgelopen ziet het hof aanleiding de straf enigszins te matigen.
Het hof stelt verder vast dat in hoger beroep de redelijke termijn met bijna 1 jaar en 10 maanden overschreden is. Op 30 maart 2022 is immers hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 13 januari 2026 arrest. Daarmee is inbreuk gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat het hof een taakstraf zal opleggen van minder dan 100 uur is er voor compensatie in de straf geen aanleiding en is de termijnoverschrijding voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.
Het hof weegt tot slot mee dat de verdachte blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 december 2025 eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens openlijk geweld. Uit dit uittreksel blijkt ook dat het taakstrafverbod als bedoeld in artikel 22b en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en een taakstraf voor de duur van 60 uur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.063,51, waarvan € 63,51 bestaat uit materiele schade en € 1.000,00 uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 500,00 waarvan € 63,51 bestaat uit materiele schade en € 436,49 uit immateriële schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de vordering voor zover deze ziet op materiële schade geheel toe te wijzen en voor zover deze ziet op immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 500,00 met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering, gelet op de bepleitte vrijspraak, af te wijzen.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting toegelicht dat de vordering van de materiële schade ziet op reis- en parkeerkosten en verzocht de vordering in het geheel toe te wijzen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden bestaande uit reis- en parkeerkosten tot na te melden bedrag, gelet op de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij en de toelichting ter terechtzitting, die van de zijde van de verdachte niet zijn betwist. Nu dit deel van de vordering het hof voorts niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt ligt dit deel van de vordering, groot € 63,51, voor toewijzing gereed.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade
Het hof is, gelet op de onderbouwing en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu sprake is van lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de ernst van het letsel. Voorts let het hof bij de begroting op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de Rotterdamse schaal. Al met al begroot het hof de immateriële schade op € 500,00. Voor het overige zal de benadeelde partij in de vordering van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
De verdachte is tot vergoeding van voornoemde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) dag.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 563,51 (vijfhonderddrieënzestig euro en eenenvijftig cent) bestaande uit € 63,51 (drieënzestig euro en eenenvijftig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 563,51 (vijfhonderddrieënzestig euro en eenenvijftig cent)
bestaande uit € 63,51 (drieënzestig euro en eenenvijftig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 maart 2022 en voor de immateriële schade op 27 juli 2021.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, R. van der Heijden en mr. M.C. van der Mei, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[......]