ECLI:NL:GHAMS:2026:588

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
23-000057-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 240b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor bezit en verspreiding kinderporno met aanpassing bijzondere voorwaarden en beslag

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 6 maart 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 januari 2024, waarin de verdachte werd veroordeeld voor bezit en verspreiding van kinderporno.

Het hof bevestigt de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en acht deze straf passend gezien de ernst van het feit. De bijzondere voorwaarden die door de rechtbank waren opgelegd en de beslissingen met betrekking tot het beslag op twee telefoontoestellen worden vernietigd, mede omdat de verdachte afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen goederen.

Het hof heeft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meegewogen, waaronder zijn positieve afronding van een behandeling en het betuigen van spijt, maar acht deze onvoldoende om tot een mildere straf te komen. De redelijke termijn in hoger beroep is met ongeveer twee maanden overschreden, wat het hof constateert zonder verdere sancties.

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, bestaande uit de rechters M. Iedema, N.E. Kwak en A.C. Bijlsma.

Uitkomst: Bevestiging gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met vernietiging van bijzondere voorwaarden en beslissingen op het beslag.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000057-24
datum uitspraak: 6 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-202273-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de gestelde bijzondere voorwaarden en de beslissingen op het beslag. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het hof naar aanleiding van het verhandelde in hoger beroep een nadere overweging aan die van de rechtbank toevoegen.
Nadere overweging omtrent de opgelegde straf en de gestelde algemene en bijzondere voorwaarden
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest, passend en geboden is; met een andere dan een vrijheidsbenemende straf kan in een geval als dit, gelet op de (extreme) aard en ernst van het feit, niet worden volstaan.
Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals die door de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Daaruit is gebleken dat de verdachte na zijn aanhouding direct een behandeling heeft ondergaan en dat hij deze na twee jaar positief heeft afgerond. De verdachte heeft daarnaast zijn oprechte spijt betuigd. Inmiddels heeft de verdachte zijn leven weer weten op te bouwen en heeft hij een baan en woning gevonden.
Hoewel het hof zich realiseert dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte zwaar zal vallen, legt hetgeen in hoger beroep omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte naar voren is gebracht tegen de achtergrond van de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende gewicht in de schaal om een mildere strafoplegging te rechtvaardigen.
Het hof ziet, gelet op het reclasseringsadvies van 10 december 2025, geen aanleiding om de verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden kunnen komen te vervallen en dat kan worden volstaan met de algemene voorwaarden zoals deze in het vonnis waarvan beroep zijn omschreven.
Tot slot constateert het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 8 januari 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 6 maart 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus ongeveer twee maanden. Vanwege deze geringe overschrijding is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
STK Telefoontoestel merk Huawei (omschrijving: G733714);
1 STK Telefoontoestel merk Samsung (omschrijving: G733715).
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk afstand gedaan van beide inbeslaggenomen goederen. Gelet op die afstandsverklaring hoeft het hof geen beslissing meer te nemen met betrekking tot het beslag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bij de strafoplegging opgelegde bijzondere voorwaarden en de beslissingen op het beslag, zoals hiervoor overwogen, en doet in zoverre opnieuw recht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. N.E. Kwak en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 maart 2026.