Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten en procesverloop
(…) de tot mijn nalatenschap behorende vordering, waarvan blijkt uit een akte op elf december tweeduizend achttien verleden voor mr. [notaris 1] , notaris te [plaats C] , dan wel het gedeelte daarvan dat ten tijde van mijn overlijden nog bestaat, zulks tegen inbreng in mijn nalatenschap van vijf en twintig procent (25%)
van de netto opbrengst (…).
Ik ben van mening dat deze schade bedraagt ongeveer één miljoen Euro. Ik stel jou voor, [broer] , dat wij het eens worden over een schadebedrag van 500.000 Euro, vermeerderd met de wettelijke rente min 2%, ingaande 1 december 2002.”
3.Beoordeling
zijn hele levennog mocht schenken. Daarnaast acht het hof het niet voor de hand liggend dat [broer] en [erflater ] hebben bedoeld om de schenking aan het WPF als een ontbindende voorwaarde aan te merken, omdat dit zou betekenen dat [broer] het bedrag van € 500.000,- steeds van [erflater ] had kunnen vorderen, dat [erflater ] dit bedrag dan aan hem had moeten betalen, maar dat [erflater ] terugbetaling had kunnen vorderen van [broer] , indien hij op enig moment nog een bedrag van € 400.000,- aan het WPF had geschonken (met alle risico’s voor [erflater ] van dien). Het voorgaande betekent dat op grond van de afspraak die [broer] en [erflater ] op 3 oktober 2007 hebben gemaakt de verjaringstermijn van de vordering tot betaling van het bedrag van € 500.000,- op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro niet eerder dan na het overlijden van [erflater ] [in] 2019 is gaan lopen. Op 17 juli 2023, de datum waarop de onderhavige procedure is gestart, was de verjaringstermijn van vijf jaar dus nog niet verstreken. Hoewel op basis van een andere beoordeling dan de rechtbank, komt het hof dus eveneens tot het oordeel dat het verjaringsverweer van [eiser] niet slaagt. De grieven 1 en 2 van [eiser] treffen dan ook geen doel.
toelichting hof:die bij beschikking van 9 maart 2000 was bevolen een notariële boedelbeschrijving op te maken van de nalatenschap van [erflater ] ) heeft ingebracht. Aldus heeft [broer] eraan bijgedragen dat bij [eiser] de gedachte kon postvatten dat van een claim van [broer] geen sprake meer was. De aangedragen documenten waarop de vordering van [broer] op [erflater ] wordt gebaseerd, zijn bovendien schimmig en de ondertekening vond plaats in de periode dat [erflater ] ernstig ziek was. [broer] had van [erflater ] nooit mogen verwachten dat hij na september 1999 de beleggingsactiviteiten zou voortzetten, laat staan dat het ethisch toelaatbaar was hem hard af te rekenen op een niet adequaat beheer van de portefeuille in die periode. Al het voorgaande draagt bij aan het oordeel dat [broer] in de gegeven omstandigheden zijn recht op incassering van de vordering heeft verwerkt, aldus [eiser] . Dit heeft evenzeer te gelden voor [verweerder] als de verkrijger van de vordering. Onder verwijzing naar artikel 6:23 BW Pro stelt [eiser] dat [broer] , die belang had bij de niet-vervulling van de ontbindende voorwaarde in de overeenkomst van 3 oktober 2007, door het bestaan van de overeenkomst voor [eiser] te verzwijgen, heeft belet dat de voorwaarde in vervulling kon gaan, waardoor in de onderlinge verhouding tussen [broer] en [eiser] de voorwaarde als vervuld moet worden beschouwd. Door het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde wordt [broer] geacht kwijting te hebben verleend voor zijn vordering, aldus [eiser] . Concluderend beroept [eiser] zich primair op rechtsverwerking en subsidiair op de redelijkheid en billijkheid, die zich ertegen zouden verzetten dat [eiser] door de bewuste verzwijging in een slechtere vermogenspositie zal geraken.