ECLI:NL:GHAMS:2026:62

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23-001427-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis politierechter inzake mishandeling en bedreiging met nepvuurwapen

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De verdachte, geboren in 1993, heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van 6 juni 2025, waarin hij werd veroordeeld voor mishandeling en bedreiging. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 6 maart 2025 in Heerhugowaard, waar de verdachte de aangeefster heeft mishandeld door haar bij de keel te grijpen en haar te bedreigen met een nepvuurwapen. De verdachte heeft verklaard dat hij handelde uit bezorgdheid voor zijn zoon, die eerder was mishandeld door een groep jongeren. Het hof heeft de verklaringen van getuigen en de omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet kon worden ontslagen van rechtsvervolging op basis van psychische overmacht, omdat hij redelijkerwijs anders had moeten handelen. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en het hof heeft de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd in de strafoplegging meegewogen. Het hof heeft ook beslist dat het in beslag genomen nepvuurwapen aan het verkeer moet worden onttrokken.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001427-25
datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-076805-25 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 6 maart 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermaals bij de keel te grijpen en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer] tegen een betonnen blok, althans een (hard) voorwerp, te slaan en/of duwen;
2.
hij op of omstreeks 6 maart 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard [slachtoffer] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door: - een nepvuurwapen te tonen en die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Moeten jullie kogels krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- meermaals slaande bewegingen te maken in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl hij een boksbeugel vast had;
3.
hij op of omstreeks 11 maart 2025 te Alkmaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk namelijk een nabootsing van een pistool, te weten een balletjespistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een Walther type P99, voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 6 maart 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 (op onderdelen dan wel integraal) vrijspraak bepleit.
Beoordeling van het hof
Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
De aangeefster bevond zich als zestienjarige op 6 maart 2025 met een aantal vrienden in een stadspark in Heerhugowaard. Daar was ook de twaalfjarige zoon van de verdachte. Op enig moment heeft de aangeefster de zoon van de verdachte een vuistslag in het gezicht gegeven. Deze vuistslag is gefilmd en online verspreid.
Het hof heeft die video ter terechtzitting in hoger beroep bekeken. Te zien is hoe een jongetje tussen grotere jongeren in staat, dat hij geen kant op kan en dat hij dan van een meisje een vuistslag in het gezicht krijgt, richting zijn oor. Te horen is een harde kreet, kennelijk van de pijn. De verdachte heeft toegelicht dat hier zijn zoontje te horen is en dat deze video één van de video’s was die over de pesterijen die zijn zoontje onderging op sociale media was gedeeld.
De verdachte heeft een vrijwel volledige zorgtaak voor zijn zoon, maar die middag was de zoon bij zijn moeder in Heerhugowaard, verdachtes ex-vrouw. Er zijn zichtbaar langere tijd zorgen over het welzijn van verdachtes zoon. In de politiesystemen is bekend dat deze twaalfjarige jongen door medeleerlingen wordt gepest, afgedreigd, bedreigd en geslagen en dat school en vader zich (ernstige) zorgen maken over het welzijn van deze jongen (dossierpagina 19).
Die middag is de verdachte gebeld door zijn ex-vrouw. Zij vertelde dat hun zoon in elkaar was geslagen door een groep van 15 tot 20 jongeren van 18 tot 20 jaar oud. De verdachte besloot hierop de groep te confronteren en naar het park in Heerhugowaard te gaan. De verdachte nam een boksbeugel en een nepvuurwapen mee, naar eigen zeggen omdat hij alleen op een groep afging. Vlak voordat de verdachte bij de groep aankwam, ontving hij van zijn ex-vrouw de video die het hof op zitting heeft bekeken. Hierna vond een incident plaats tussen de verdachte en aangeefster, waarvan zij aangifte heeft gedaan en waarop de tenlastelegging betrekking heeft.
Nadat de verdachte is vertrokken, heeft de aangeefster de politie gebeld, die ter plaatse is gekomen.
Het hof stelt voorop dat uit het dossier volgt dat de door de politie gehoorde en door de rechtbank tot het bewijs gebezigde getuigen, niet alleen bevriend zijn met de aangeefster maar ook door de aangeefster zijn aangewezen als getuigen. Dat was op verzoek van de politie: ter plaatse gekomen trof de politie veel minderjarige jongeren en het was lastig te duiden welke jongeren hun eigen verhaal vertelden (dossierpagina 12). Gelet hierop is niet zonder meer sprake van onafhankelijke getuigen. Daarnaast heeft aangeefster zelf mogelijk geprobeerd zichzelf buiten schot te houden, gelet op de wijze waarop zij over haar eigen aandeel in het ontstaan van de situatie verklaart. Het hof zal derhalve bij de weging en de waardering van deze getuigenverklaringen van de minderjarigen de nodige voorzichtigheid betrachten.
Ten aanzien van feit 1
Op grond van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg
,de aangifte en de verklaring van [naam] acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld door haar bij haar keel te grijpen. Dat de verdachte het hoofd van de aangeefster tegen een bettonnen blok of ander hard voorwerp zou hebben geslagen of geduwd, acht het hof niet bewezen. De verklaringen van de getuigen hierover lopen te veel uiteen.
Ten aanzien van feit 2
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft bedreigd door een nepvuurwapen te tonen. Het ging om een wapen dat bijna niet van echt is te onderscheiden. Dat is naar het oordeel van het hof zonder meer een gedraging die in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht oplevert. Dat de aangeefster en haar vrienden niet van de bedreiging onder de indruk zouden zijn geweest, zoals door de verdediging is aangevoerd, volgt niet uit het dossier maar maakt dit ook niet anders. De andere tenlastegelegde bedreigende handelingen acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen, nu de verklaringen van de aangeefster en de getuigen op deze onderdelen te zeer uiteenlopen. De verdachte dient dan ook van die onderdelen van wat hem onder 2 ten laste is gelegd te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3
Het door de raadsman in hoger beroep gevoerde bewijsverweer dat het wapen niet voor bedreiging of afdreiging geschikt zou zijn geweest wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 6 maart 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] bij de keel te grijpen;
2.
hij op 6 maart 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een nepvuurwapen te tonen;
3.
hij op 11 maart 2025 te Alkmaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen leek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool, te weten een balletjespistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een Walther type P99, voorhanden heeft gehad;
4.
hij op 6 maart 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggemaakt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte bij een bewezenverklaring een beroep op psychische overmacht toekomt. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte door toedoen van de aangeefster en de andere leden van haar groep zo diep getroffen is door de pesterijen jegens zijn uiterst kwetsbare zoontje, dat hij impulsief en zonder over de consequenties na te denken is overgegaan tot actie jegens de daders. Daarbij heeft de voorgeschiedenis hem parten gespeeld en ook het feit dat zijn zoontje inmiddels over zelfmoord nadacht en de wijze waarop zijn ex-vrouw hem over het incident informeerde. Onder deze omstandigheden dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman, en anders dient dit – al dan niet in de sleutel van verminderde toerekenbaarheid – in de strafoplegging te worden betrokken.
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon – en ook niet behoefde –
te bieden. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld onder omstandigheden die mede zijn terug te voeren op het feit dat zijn zoontje kort daarvoor was mishandeld door een groep minderjarigen. Niet is echter aannemelijk geworden dat deze druk ten tijde van het begaan van de feiten bij de verdachte een zodanige gemoedstoestand heeft veroorzaakt, dat hij redelijkerwijs onmogelijk anders
konen
behoefdete handelen dan hij gedaan heeft. Anders gezegd: de directe aanleiding en de voorgeschiedenis van pesterijen, mishandelingen en vernederingen jegens het zoontje van de verdachte leveren een verklaring voor het handelen van de verdachte, maar sluiten zijn strafbaarheid aan de – ernstige – feiten niet uit. De verdachte had anders moeten handelen en ziet dit overigens blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep zelf ook in. Het verweer wordt verworpen.
Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, is de verdachte strafbaar.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren taakstraf subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een minderjarige en bedreiging van haar door een nepvuurwapen te tonen. Dit nepvuurwapen was nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden. De verdachte heeft vervolgens ook nog de telefoon van het slachtoffer in het water gegooid. Dat zijn ernstige feiten, waartoe de verdachte niet had mogen overgaan.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde. Anders dan bepleit, ziet het hof ook geen aanknopingspunten voor verminderde toerekenbaarheid van de verdachte toen hij de feiten beging.
Het hof houdt bij de hoogte van de op te leggen straf wel in sterke mate rekening met de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd. Daaronder rekent het hof de lange voorgeschiedenis van pesterijen van de zoon van de verdachte, de ernstige zorgen die de verdachte zichtbaar parten hebben gespeeld en het feit dat de verdachte zeer kort voor de bewezenverklaarde feiten de video heeft ontvangen waarop te zien is dat zijn zoontje mishandeld wordt door de aangeefster en zichtbaar geen kant op kon.
De verdachte heeft zich rekenschap gegeven van het feit dat hij volstrekt anders jegens aangeefster en de groep had moeten handelen, heeft inmiddels extra hulp ingeroepen en heeft ingebed dat hij op een nieuwe acute situatie rond zijn zoontje niet meer zelf afgaat maar dat overlaat aan de autoriteiten.
Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de bevindingen van de reclassering in het advies van 24 april 2025. Bij de strafoplegging heeft het hof dan ook oog voor het feit dat de verdachte vrijwel alleen de intensieve zorg draagt voor zijn zoontje en dat hij dat combineert met werk nadat hij recent een intensieve opleiding daartoe heeft afgerond.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Het hof is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp - overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal – dient te worden onttrokken aan het verkeer. De verdachte wil het voorwerp ook niet meer terug, maar er moet nog rechtens op beslist worden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 3 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dat voorwerp is begaan en dat het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Wapen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. B.E. Dijkers en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[......]