Het gerechtshof Amsterdam heeft op 10 maart 2026 het hoger beroep behandeld van een verdachte die was veroordeeld voor het uitvoeren van een cocaïnetransport. De verdachte voerde aan dat hij onder psychische overmacht handelde vanwege bedreigingen door schuldeisers, maar dit verweer werd door het hof verworpen omdat onvoldoende aannemelijk was dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan hij geen weerstand kon bieden.
De verdediging stelde dat de bedreigende chatberichten, waaronder berichten van bijna tien maanden voor het feit, niet direct verband hielden met het drugstransport en dat de verdachte niet actief betrokken was bij georganiseerde drugssmokkel. Het hof oordeelde dat de context van de bedreigingen onduidelijk was en dat de verdachte zelf ook bedreigingen en beledigingen uitte, wat zijn verweer ondermijnde.
Verder concludeerde het hof dat de verdachte niet overtuigend had aangetoond dat latere bedreigingen bestonden die hem noopten tot het drugstransport. Ook de stelling dat de verdachte de chats enkel gebruikte om schuldafbetaling te vertragen werd niet geloofd, mede vanwege de inhoud van gesprekken waarin de verdachte een informerende rol over 'slikkers' aannam.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Noord-Holland en bepaalde dat de opgelegde gevangenisstraf volledig zal worden uitgevoerd binnen de penitentiaire inrichting, met inachtneming van mogelijke deelname aan penitentiaire programma's of voorwaardelijke invrijheidsstelling. Daarnaast gelastte het hof de teruggave van in beslag genomen Amerikaanse bankbiljetten aan de verdachte.