4.4.2.Verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat hij die bewuste avond en nacht op de kampeerplek, waar [slachtoffer 1] verbleef, is geweest. [medeverdachte 1] is op 19 november 2020 aangehouden en vanaf 23 november 2020 blijkt in het dossier van bereidheid van [medeverdachte 1] om – als verdachte – te verklaren wat volgens hem met [slachtoffer 1] is gebeurd en wat hij daarvan heeft waargenomen ( [slachtoffer 2] p. 35-39). [slachtoffer 2] heeft verklaard dat op een gegeven moment een ruzie ontstond tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] waarbij [verdachte] [slachtoffer 1] begon te slaan. Dit slaan duurde volgens hem ongeveer twintig minuten. Omdat [verdachte] later zijn schoenen controleerde en heeft gestampt met zijn schoenen, ging [slachtoffer 2] ervan uit dat [verdachte] met zijn schoenen [slachtoffer 1] op bepaalde plaatsen heeft verbrijzeld. Even later hoorde [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 1] een hard geluid maakte. [slachtoffer 2] dacht dat dat geluid zijn einde betekende. Kort daarna kwam [verdachte] eraan en zei hij tegen [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 1] waarschijnlijk niet meer leefde.
Bespreking verweer schending ondervragingsrecht
De verdediging heeft niet de mogelijkheid gehad om [slachtoffer 2] als getuige te horen, terwijl zijn verklaringen als belastend voor [verdachte] kunnen worden aangemerkt.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de voor [verdachte] belastende verklaringen van [slachtoffer 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat sprake is van schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 lid 3 sub d EVRM. Subsidiair heeft de raadsvrouw de onbetrouwbaarheid van die verklaringen bepleit.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.
Toetsingskader
Voor de verdediging moet er een behoorlijke en effectieve mogelijkheid hebben bestaan om belastende
getuigen te ondervragen. Dit is een belangrijk algemeen uitgangspunt dat op artikel 6 EVRM is gebaseerd. Heeft de verdediging die mogelijkheid ten aanzien van een getuige niet gehad, dan zal de rechter als hij de verklaring van die getuige voor het bewijs wil gebruiken, moeten beoordelen of daarmee het proces als geheel nog wel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn:
- de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend;
- het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit, en
- het bestaan van voldoende compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en de beperkingen die de verdediging daardoor heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring
van de getuige.
De rechter moet deze drie beoordelingsfactoren in onderling verband beoordelen. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het voordat de verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt des te meer van belang dat er een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er compenserende factoren bestaan.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
Onvindbaarheid [slachtoffer 2] : goede reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend
In de onderhavige zaak heeft de verdediging – na eerdere pogingen [slachtoffer 2] in eerste aanleg te horen – in hoger beroep wederom verzocht hem als getuige te horen. Dit verzoek is door het hof op de regiezitting van 19 oktober 2023 toegewezen, waarna de zaak is verwezen naar de raadsheer-commissaris. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 4 december 2024 blijkt echter dat [slachtoffer 2] ondanks meerdere inspanningen niet binnen een aanvaardbare termijn kon worden gehoord, omdat zijn verblijfplaats niet bekend was (geworden). Het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft contact gehad met de Poolse autoriteiten, die vervolgens weer contact hebben gehad met de lokale politie. Hoewel [slachtoffer 2] in eerste instantie was getraceerd, is uiteindelijk vastgesteld dat hij als dakloze verbleef op verschillende plaatsen in de stad Tychy in Polen.
In aanloop naar de inhoudelijke behandeling van 3 december 2025 in hoger beroep heeft de raadsheer-commissaris nogmaals getracht de verblijfplaats van [slachtoffer 2] te achterhalen. Uit het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2025 blijkt echter dat de huidige verblijfplaats van [slachtoffer 2] nog steeds niet bekend is (geworden) en dat daarom de eerder getrokken conclusie nog steeds in stand blijft. Uit de uitvraag in de systemen GBA en SKDB volgde geen nieuwe (adres)informatie van [slachtoffer 2] . Het kabinet heeft vervolgens contact gehad met de Liaison Officer in Polen en via het Internationaal Rechtshulpcentrum van het openbaar ministerie ook met Interpol . Zowel uit de informatie van de Liaison Officer als Interpol is geen verblijfadres van [slachtoffer 2] in Polen naar voren gekomen. De voorzitter van het hof heeft daarnaast de advocaat-generaal verzocht navraag te doen bij de politie in Nederland. Uit de bevindingen van de politie volgt dat de laatste registratie, die te maken had met zijn insluiting door de afdeling Vreemdelingenpolitie, dateert van 9 september 2021 en dat hieraan het adres van het arrestantencomplex in Houten is gekoppeld. Daarnaast is het historische adres [adres 2] een adres van een daklozenopvang. Derhalve is ook bij de politie geen nieuwe informatie bekend.
Tot slot heeft het hof bij de raadsvrouw van [slachtoffer 2] in aanloop naar de zitting van 3 december 2025 nagevraagd of zij concrete contactinformatie van haar cliënt kon verschaffen. De raadsvrouw kon echter geen actuele contactgegevens van haar cliënt delen, hetgeen zij ter terechtzitting van 3 december 2025 nogmaals heeft bevestigd. Zij heeft aangegeven enkel sporadisch telefonisch contact te hebben met haar cliënt.
Het hof is dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 288, eerste lid en onder a, Sv, van oordeel dat het onaannemelijk is dat [slachtoffer 2] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen om als getuige te worden gehoord. Het hof stelt daarmee vast dat sprake was van een goede reden dat [slachtoffer 2] niet in het bijzijn van de verdediging als getuige kon worden gehoord.
Het gewicht van de verklaringen van [slachtoffer 2] voor het bewijs
Het hof is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] in de bewijsvoering als verklaringen van
‘significant weight’moeten worden beschouwd en niet als
‘sole or decisive’, mede in het licht van de bewijsmiddelen die hierna worden besproken. Desalniettemin dient het hof, gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader, te beoordelen of (voldoende) compensatie is geboden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid van [slachtoffer 2] .
Het bestaan van voldoende compenserende factoren
Het hof constateert dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij tegen meerdere personen heeft gezegd wat met [slachtoffer 1] was gebeurd en/of dat [verdachte] verantwoordelijk is voor zijn dood. Dit zou hij hebben gezegd tegen [getuige 1] , [persoon 2] en [getuige 2] (die dit op zijn beurt weer heeft gezegd tegen [persoon 3] ), en [getuige 3] heeft hij in detentie hierover ingelicht (‘de auditu’-verklaringen van getuigen). Deze personen zijn door de politie gehoord, met uitzondering van [getuige 2] omdat hij inmiddels was overleden. [persoon 3] is daarentegen wel gehoord. En [medeverdachte 2] is meermaals door de politie gehoord, mede omdat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ook hij, naast [verdachte] , betrokken zou zijn geweest bij het tegen [slachtoffer 1] gepleegde geweld. Door die getuigen is de verdediging in de gelegenheid geweest om hun verklaringen, met [slachtoffer 2] als bron van die informatie, te toetsen. De verdediging heeft op verzoek een aantal van die personen zelf kunnen ondervragen. Zo heeft de verdediging [medeverdachte 2] in eerste aanleg en in hoger beroep kunnen horen. In dit laatste verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte 2] , die op dat moment geen verdachte meer was in deze zaak, een aanzienlijk aantal vragen van de raadsheer-commissaris, de raadsvrouw en de advocaat-generaal beantwoord en heeft hij niet meer telkens het verschoningsrecht ingeroepen. De verdediging heeft bij dat verhoor ruim de gelegenheid gekregen om [medeverdachte 2] te bevragen. Daarnaast is [getuige 1] – wiens verklaringen ondersteuning bieden voor de voor [verdachte] belastende onderdelen van de verklaringen van [slachtoffer 2] – in bijzijn van de verdediging bij de rechter-commissaris gehoord. Ook zijn de verhoren van [getuige 1] bij de politie woordelijk uitgewerkt en vertaald, en zijn de audio-opnames van deze verhoren in het dossier gevoegd. Tot slot zijn ook de verhoren van [slachtoffer 2] zelf woordelijk uitgewerkt en auditief opgenomen en stond het de verdediging vrij om te verzoeken om deze auditieve opnames te beluisteren.
Deze factoren brengen met zich dat de verdediging de verklaringen van [slachtoffer 2] – ondanks het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid – (indirect) heeft kunnen toetsen en vormen daarom naar het oordeel van het hof voldoende compensatie voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid van [slachtoffer 2] .
Conclusie bij de weging van de drie factoren
De drie beoordelingsfactoren in onderling verband beoordeeld, is het hof van oordeel dat het proces als geheel eerlijk is verlopen (vgl. EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 ( [persoon 4] /Duitsland), overweging 116) en dat de verklaringen van [slachtoffer 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt, nu geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2]
Voor zover [slachtoffer 2] op enig moment belastend is gaan verklaren over de rol van de verdachte als pleger van het geweld tegen [slachtoffer 1] heeft hij daarover op hoofdlijnen steeds consistent en gedetailleerd verklaard. Nu [slachtoffer 2] zelf ook verdachte is en daarom een belang zou kunnen hebben bij het afleggen van een belastende verklaring over anderen, dienen zijn verklaringen echter met behoedzaamheid te worden beschouwd. Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 2] toch bruikbaar voor het bewijs voor zover zij zien op het plegen van geweld door de verdachte tegen het slachtoffer door [slachtoffer 1] , nu deze verklaringen ook worden ondersteund door andere – door het hof betrouwbaar bevonden – bewijsmiddelen.
4.4.3.De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1]
heeft op meerdere momenten in het onderzoek gesproken met de politie. [getuige 1] zelf was toentertijd niet dakloos, hij had een woning. Hij kende de groep daklozen waartoe het slachtoffer behoorde. [getuige 1] dronk regelmatig alcohol met hen op een plein waar de groep zich vaak ophield en sprak met hen in zijn moedertaal. De recherche heeft in dit opsporingsonderzoek bemerkt dat meerdere getuigen uit angst voor wraak liefst geen openheid van zaken hebben willen geven.
Op 17 november 2020 is [getuige 1] als getuige gehoord. In dit verhoor lijkt [getuige 1] – mogelijk uit angst voor het afleggen van een belastende verklaring – nog niet het achterste van zijn tong te laten zien, maar verklaart hij al wel dat hij denkt dat [verdachte] ‘het heeft gedaan’. Ook verklaart [getuige 1] dat hij de dag na 23 augustus 2020 met [verdachte] van schoenen is gewisseld en dat [verdachte] en [slachtoffer 2] die dag (dus op 24 augustus 2020) nieuwe kleding droegen.
Vervolgens zijn politieagenten op 24 november 2020 naar de woning van [getuige 1] gegaan om de schoenen die hij met [verdachte] zou hebben gewisseld in beslag te nemen. Daarna hebben zij hem naar een afspraak vervoerd. Tijdens dit vervoer verklaarde [getuige 1] uit zichzelf:
“ [verdachte] is ermee begonnen. [verdachte] heeft [naam] geslagen met een houten stok/balk.”
Op 26 november 2020 is [getuige 1] opnieuw als getuige gehoord. In dit verhoor heeft hij verklaard dat hij in de ochtend van 24 augustus 2020 [verdachte] en [slachtoffer 2] ontmoette. Toen [getuige 1] vroeg waar [slachtoffer 1] was, zeiden [verdachte] en [slachtoffer 2] dat hij nooit meer ging praten en dat hij verstopt was in de bosjes met wat takken. [verdachte] had een houten stronk gepakt en “sloeg hem tot hij zweette”.
Anders dan de raadsvrouw en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat deze onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] als betrouwbaar zijn aan te merken. Al in zijn verklaring op 17 november 2020 lijkt [getuige 1] de politie te wijzen op de betrokkenheid van [verdachte] , maar wil hij mogelijk niet gezien worden als de verrader. Pas nadat de opname van het verhoor wordt gestopt, verklaart hij dat hij heeft gehoord dat [slachtoffer 1] niets meer zou zeggen, een kenmerkende woordkeuze die hij ook in zijn latere verhoren blijft herhalen en die de betrouwbaarheid van zijn verklaringen onderstreept. Deze bewoordingen komen ook terug in de getapte telefoongesprekken die [getuige 1] in de periode rond het afleggen van zijn verklaringen heeft gevoerd. In zijn verhoren komen gaandeweg steeds meer details naar voren en daarin wisselt [getuige 1] ook niet, zoals de houten stronk waarmee is geslagen en dat het slachtoffer in de bosjes met takken is gelegd. [getuige 1] heeft verklaard dat hij door [verdachte] en [slachtoffer 2] aan deze informatie komt en hij verklaart hierover reeds voordat de politie hem op dit punt nader bevraagt. Het hof ziet dan ook geen steun voor de stelling dat de politie hem deze details in de mond zou hebben gelegd.
Daarnaast wordt het wisselen van de kleding en schoenen ondersteund door de (beschrijving van de) camerabeelden en het slaan met de houten stronk door [verdachte] wordt ondersteund door de forensische bevindingen, die het hof hierna zal toelichten. Met de advocaat-generaal is het hof bovendien van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de informatie waarover [getuige 1] heeft verklaard als daderinformatie moet worden aangemerkt. Daarbij heeft het hof mede gelet op het – in hoger beroep nieuwe – proces-verbaal van bevindingen over de historische telecomgegevens van het telefoonnummer van [getuige 1] , waaruit volgt dat hij hoogstwaarschijnlijk in zijn woning verbleef ten tijde van het delict. Van een relevant verband tussen het door [getuige 1] verkregen tipgeld en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen is het hof, gelet op de opbouw in die verklaringen, evenmin gebleken.
De wijze waarop [getuige 1] mondjesmaat en stapsgewijs informatie prijsgeeft, laat zich goed verklaren door het feit dat [getuige 1] bang is om te verklaren, hetgeen ook naar voren komt in de – onderschepte – telefoongesprekken die hij rondom zijn verhoren heeft gevoerd.
Nadat [getuige 1] verklaarde over een houten stok/balk, is besloten om in beslag genomen stukken hout forensisch te laten onderzoeken. De resultaten daarvan – die het hof hieronder bespreekt – bleken de verklaring van [getuige 1] op overtuigende wijze te ondersteunen in belastend bewijs tegen de verdachte.
Daarnaast zijn in hoger beroep de verklaringen die hij op 17 en 26 november 2020 bij de politie heeft afgelegd, vertaald, woordelijk uitgewerkt en zijn de audio-opnames van deze verhoren in het dossier gevoegd. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook enkele fragmenten van deze verhoren afgespeeld, in aanwezigheid van een tolk Engels die de Engelse onderdelen van de verhoren ad hoc, zonder kennis van de zaak, heeft vertaald. Al deze verschillende varianten waarin kennis kon worden genomen van de verhoren van [getuige 1] brengen het hof niet tot een ander oordeel ten aanzien van de betrouwbaarheid van de hiervoor genoemde delen van zijn verklaringen. Het hof acht daarom deze verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar en zal deze in zoverre ook voor het bewijs gebruiken.
Deze verklaringen van [getuige 1] vinden, zoals in het voorgaande vermeld, steun in het volgende objectieve bewijsmateriaal.
4.4.5.Forensische bevindingen
Tijdens onderzoek op de plaats delict zijn stukken hout aangetroffen en veiliggesteld. Op de primitieve kampeerplaats, aangeduid als plaats delict 2, werd tussen een neergehaalde tent en een winkelwagen een afgebroken stuk hout aangetroffen. Bij een zogenaamde vuurplaats, aangeduid als plaats delict 3, werd nabij een blikje bier een deels verbrand stuk hout aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat deze twee stukken hout één geheel hebben gevormd.
Deze stukken hout zijn onderzocht op aanwezigheid van DNA van het slachtoffer en de verdachten. Uit het DNA-onderzoek dat het hof in de bewijsmiddelen heeft opgenomen en de daarin vermelde veel hogere graden van waarschijnlijkheid van herkomst van de DNA-profielen als het om DNA van [slachtoffer 1] of [verdachte] gaat, leidt het hof het volgende af.
Op het stuk hout dat is aangetroffen bij de primitieve kampeerplaats zat DNA van het slachtoffer. Op het stuk hout dat bij de vuurplaats is gevonden, is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen, namelijk van [verdachte] en een willekeurige andere persoon.
Tijdens de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] werd in de hals letsel geconstateerd en aan de voorkant in de hals werd zwart materiaal aangetroffen. Dit materiaal is met twee zogeheten folies bemonsterd en vervolgens onderzocht. Op de twee folies werd houtskool aangetroffen. Bovendien bleken de microscopische kenmerken die in het houtskoolfragment van een van de folies zijn geïdentificeerd, ook voor te komen bij de tak die was aangetroffen bij de primitieve kampeerplaats, waarop het DNA van het slachtoffer is aangetroffen.
Gelet op de voorgaande forensische bevindingen en in combinatie met de verklaringen van [getuige 1] , acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 1] met een houten stronk tegen zijn hals is geslagen en dat [verdachte] degene is geweest die dit heeft gedaan. Deze geweldshandeling heeft bijgedragen aan het uiteindelijk dodelijk letselbeeld dat is geconstateerd.