ECLI:NL:GHAMS:2026:67

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
23-002269-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het om het leven brengen van een Poolse dakloze man in Amsterdam

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is veroordeeld voor het om het leven brengen van een Poolse dakloze man, die in de nacht van 23 op 24 augustus 2020 in Amsterdam is overleden. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer met een houten stronk tegen het hoofd en de hals te slaan, en door meermalen geweld op het lichaam van het slachtoffer toe te passen. Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer ernstig gewond is aangetroffen en later in het ziekenhuis is overleden aan zijn verwondingen. De verdachte heeft tijdens het proces ontkend dat hij meer geweld heeft gebruikt dan het geven van een klap, maar het hof heeft zijn verklaring als ongeloofwaardig terzijde geschoven. De advocaat-generaal heeft gepleit voor een gevangenisstraf van 11 jaar en 8 maanden, maar het hof heeft uiteindelijk een straf van 10 jaar en 6 maanden opgelegd, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof heeft de vordering tot gevangenneming afgewezen, omdat de verdachte in vrijheid mag afwachten op een eventueel cassatieberoep. De zaak is gekarakteriseerd door de ernst van het geweld en de impact op de nabestaanden van het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002269-22
datum uitspraak: 15 januari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-317634-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982,
adres: [adres 1] ).

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2025 en 15 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
Primair
hij op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft/hebben beroofd, door
- de krukken bij die [slachtoffer 1] weg te halen en/of die [slachtoffer 1] (meermalen) vast te pakken en/of vast te houden en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) met een hard voorwerp, te weten een houten stronk, tegen het hoofd en/of de hals te slaan en/of
- ( meermalen) met geschoeide voet op het hoofd van die [slachtoffer 1] te springen en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen, althans een of meer vorm(en) van uitwendig geweld op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] toe te passen en/of
- het lichaam van die [slachtoffer 1] (strak) in een tent(doek) te wikkelen en/of te verpakken en/of in te pakken en/of
- ( vervolgens) die (zwaar) gewonde en/of (zeer) verzwakte [slachtoffer 1] (terwijl hij (strak) in de voornoemde tent(doek) was gewikkeld) vast te pakken en/of te verslepen en/of (vervolgens) die (zwaar) gewonde [slachtoffer 1] (aan armen en benen) heen en weer te slingeren en/of zwaaiend te bewegen en/of (vervolgens) te werpen en/of gooien in en/of in richting van het water en/of in het/de riet(kraag) en/of de bosjes, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
Subsidiair
hij op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam , openlijk, te weten de bosschages bij de [plaats] ter hoogte van het [plaats ] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door
- de krukken bij die [slachtoffer 1] weg te halen en/of die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of vast te houden en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) met een hard voorwerp, te weten een houten stronk, tegen het hoofd en/of de hals te slaan en/of
- ( meermalen) met geschoeide voet op het hoofd van die [slachtoffer 1] te springen en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen, althans een of meer vorm(en) van uitwendig geweld op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] toe te passen en/of
- het lichaam van die [slachtoffer 1] (strak) in een tent(doek) te wikkelen en/of te verpakken en/of in te pakken en/of
- ( vervolgens) die (zwaar) gewonde en/of (zeer) verzwakte [slachtoffer 1] (terwijl hij (strak) in de voornoemde tent(doek) was gewikkeld) vast te pakken en/of te verslepen en/of (vervolgens) die (zwaar) gewonde [slachtoffer 1] (aan armen en benen) heen en weer te slingeren en/of zwaaiend te bewegen en/of (vervolgens) te werpen en/of gooien in en/of in richting van het water en/of in het/de riet(kraag) en/of de bosjes,
terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood, althans zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten
- één of meer fracturen aan het aangezicht en/of de hals en/of het hoofd en/of het lichaam, te weten aan de/het schedel(dak) en/of neus(been) en/of jukbeen(deren) en/of onderkaak en/of schildkraakbeen en/of het borstbeen en/of (deel van het) strottenhoofd en/of rechterellepijp en/of linkerschouderblad en/of
de ribben en/of
- één of meer kneuzing(en) en/of bloeduitstorting(en) en/of huidbeschadiging(en) en/of schaafplek(ken) aan het aangezicht en/of de hals en/of het hoofd en/of het lichaam en/of
- bandvormig letsel in de hals en/of
- ernstig schedelhersenletsel en/of hersenbloedingen en/of ernstige inklemmingsverschijnselen,
voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de rechtbank – tot een bewezenverklaring komt.

4.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

4.1.
Inleiding
Op maandag 24 augustus 2020 rond 17.09 uur ontving de politie een melding over een vermoedelijk onwel persoon die bij de [plaats] in Amsterdam lag. De politie ging ter plaatse en trof daar het slachtoffer [slachtoffer 1] (ook wel ‘ [naam] ’ genoemd) aan, half gewikkeld in een tent in de rietkraag aan de waterkant. Hij bleek ernstig gewond en verkeerde in kritieke toestand. [slachtoffer 1] is vervolgens naar het ziekenhuis gebracht, waar hij later die avond is overleden aan zijn verwondingen.
Het lichaam van [slachtoffer 1] is onderzocht. Tijdens de schouw kort na zijn overlijden werd geconstateerd dat [slachtoffer 1] was overleden ten gevolge van ernstig schedelhersenletsel en dat sprake was van diverse andere letsels met fracturen, kneuzingen, bloeduitstortingen, schaafplekken en ontvellingen. Vervolgens heeft een sectie plaatsgevonden. Daarbij werd een zeer uitgebreid en complex letselbeeld vastgesteld, passend bij meervoudige en (tenminste deels hevige) krachtsinwerkingen. Er waren meerdere letsels uitwendig aan het hoofd, die zijn ontstaan door een meervoudige stomp-botsende krachtsinwerking. Er waren meerdere breuken van het schedeldak, hetgeen aangeeft dat de krachtsinwerking aldaar tenminste deels zeer hevig moet zijn geweest. Verder was sprake van een bloeduitstorting onder de hersenvliezen en een kneuzing van hersenweefsel. Bij deze hersenkneuzing was sprake van hersenzwelling die samen met de bloeduitstortingen in het hoofd de tekenen van herseninklemming verklaren. Ook waren er meerdere letsels in de hals die zijn ontstaan door de inwerking van een stomp-botsende, of samendrukkende krachtsinwerking op de hals. Daarnaast waren er talrijke letsels op het lichaam die door de inwerking van stomp-botsende krachtsinwerking zijn ontstaan. Het comateuze beeld en het uiteindelijke overlijden wordt verklaard door inklemming van de hersenen ten gevolge van krachtsinwerking op het hoofd.
De politie heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar het overlijden van [slachtoffer 1] . Hij bleek deel uit te maken van een groep Poolse daklozen die zich onder andere rondom de [plaats] ophield. Als verdachten kwamen in het onderzoek naar voren de verdachte [verdachte] (hierna: de verdachte of [verdachte] ), de medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . In hoger beroep is gebleken dat [medeverdachte 2] niet langer verdachte is in deze zaak.
4.2.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het (impliciet subsidiair) ten laste gelegde medeplegen van doodslag kan worden bewezen verklaard.
De advocaat-generaal gaat ervan uit dat [slachtoffer 1] is geschopt en geslagen – ook met een houten stronk –, dat hij mogelijk ten val is gekomen en vervolgens in een tent naar de rietkraag is versleept en daar is achtergelaten, waarna [slachtoffer 1] is komen te overlijden. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 1] tegen hem hebben gezegd dat zij het geweld op het slachtoffer hebben gepleegd. De verklaringen van [getuige 1] zijn betrouwbaar. Deze zijn gedetailleerd en consistent en worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, te weten de camerabeelden, de tapgesprekken van [medeverdachte 1] en [getuige 1] en het forensisch bewijs. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] (delen van) het lichaam van het slachtoffer met zijn schoenen heeft verbrijzeld. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben beiden verklaard dat zij die bewuste avond op de plaats delict waren. De verdachte heeft daarnaast bekend dat hij het slachtoffer met zijn vuist tegen het gezicht heeft geslagen. Uit de camerabeelden en de verklaringen van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [getuige 1] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 24 augustus 2020 hun kleding hebben gewisseld en hun oude kleding hebben weggegooid, volgens de advocaat-generaal om sporen uit te wissen. Bovendien is er een TCI-melding die inhoudt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] betrokken zijn bij deze doodslag.
De verdachten hadden opzet op de dood van [slachtoffer 1] en ook het medeplegen kan volgens de advocaat-generaal worden bewezen verklaard. Zij hebben beiden actieve geweldshandelingen verricht die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer 1] en zij hebben voor, tijdens en na het delict bewust en nauw samengewerkt. Moord acht de advocaat-generaal niet bewezen, omdat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor voorbedachte raad.
4.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair integrale vrijspraak bepleit vanwege een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de getuigenverklaringen in het dossier – met uitzondering van de verklaringen van [medeverdachte 1] –
de auditu-verklaringen zijn. Deze zijn onbetrouwbaar en vormen geen steunbewijs. Dit geldt ook voor de verklaringen van [getuige 1] . Deze verklaringen hebben een onbekende bron. Indien ervan wordt uitgegaan dat [medeverdachte 1] de bron is, geldt dat dit een getuige is met een groot eigen belang om niet naar waarheid te verklaren, omdat hij zelf verdachte is. Deze verklaringen van [getuige 1] kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebezigd. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat [getuige 1] zelf betrokken is geweest bij de fatale mishandeling.
Ook de belastende verklaringen van [medeverdachte 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, allereerst omdat sprake is van schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 lid 3 sub d EVRM. De verdediging heeft [medeverdachte 1] niet kunnen horen en er is geen sprake van compenserende factoren. De verklaring vindt geen steun in enig objectief bewijsmiddel. Indien het hof dit verweer niet volgt, heeft de raadsvrouw betoogd dat de verklaring van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is en ook om deze reden niet voor het bewijs kan worden gebezigd.
In de forensische bevindingen kan evenmin steunbewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] bij het dodelijke geweld worden gevonden. Uit deze bevindingen kan namelijk niet worden opgemaakt dat [slachtoffer 1] met een houten stronk is geslagen, laat staan dat [verdachte] daarmee zou hebben geslagen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de houten stronken, met daarop het DNA van [verdachte] en [slachtoffer 1] , het moordwapen vormt.
Nu niet kan worden bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd, ook niet als medepleger, kan de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging evenmin worden bewezen verklaard. Daarnaast kan het bestanddeel “openlijk” niet worden bewezen.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte vrij te spreken van de primair (impliciet cumulatief) ten laste gelegde moord, omdat uit het dossier niet volgt dat aan de vereisten van voorbedachte raad is voldaan.
4.4.
Oordeel van het hof
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld wat zich in de avond en nacht van 23 op 24 augustus 2020 heeft afgespeeld, wat heeft geleid tot de dood van [slachtoffer 1] , en wie daarbij betrokken is of zijn geweest.
Het hof stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de directe nabijheid van de plaats waar [slachtoffer 1] is aangetroffen, is hevig geweld tegen hem uitgeoefend. Uit onderzoek naar de camerabeelden rondom de plaats delict aan de [plaats] komt naar voren dat [slachtoffer 1] op zondag 23 augustus 2020 rond 14.44 uur voor het laatst is te zien bij het [bedrijf] benzinestation aan de Pieter Calandlaan te Amsterdam . Hij is op dat moment in gezelschap van onder andere [verdachte] en [medeverdachte 1] . Daarna komt [slachtoffer 1] niet meer in beeld. Op 23 augustus 2020 om 20.32 uur zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] voor het laatst op beeld te zien die dag. Op maandag 24 augustus 2020 zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] rond 13.24 uur weer voor het eerst op beeld te zien onder het viaduct van de [adres 3] samen met [getuige 1] . [slachtoffer 1] is die dag rond 17.09 uur door de politie in comateuze toestand aangetroffen bij de [plaats] .
4.4.1.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft (op een later moment in zijn verhoren) verklaard dat hij die bewuste avond of nacht van zondag op maandag op de kampeerplek van [slachtoffer 1] aan de [plaats] is geweest, samen met in ieder geval [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1] . De verdachte heeft daar [slachtoffer 1] met zijn vuist een klap gegeven tegen diens tanden, waardoor [slachtoffer 1] op zijn achterwerk is gevallen. De verdachte plaatst zichzelf daarmee die nacht op de kampeerplek en ontkent ook niet dat hij daar die nacht geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt. Hij ontkent echter wel dat hij meer geweld zou hebben toegepast en heeft verklaard dat hij na het geven van die klap is vertrokken. Dit deel van zijn verklaring stelt het hof echter als ongeloofwaardig terzijde, gelet op wat het hof aan de hand van de volgende verklaringen en onderzoeksbevindingen vaststelt.
4.4.2.
Verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat hij die bewuste avond en nacht op de kampeerplek, waar [slachtoffer 1] verbleef, is geweest. [medeverdachte 1] is op 19 november 2020 aangehouden en vanaf 23 november 2020 blijkt in het dossier van bereidheid van [medeverdachte 1] om – als verdachte – te verklaren wat volgens hem met [slachtoffer 1] is gebeurd en wat hij daarvan heeft waargenomen ( [slachtoffer 2] p. 35-39). [slachtoffer 2] heeft verklaard dat op een gegeven moment een ruzie ontstond tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] waarbij [verdachte] [slachtoffer 1] begon te slaan. Dit slaan duurde volgens hem ongeveer twintig minuten. Omdat [verdachte] later zijn schoenen controleerde en heeft gestampt met zijn schoenen, ging [slachtoffer 2] ervan uit dat [verdachte] met zijn schoenen [slachtoffer 1] op bepaalde plaatsen heeft verbrijzeld. Even later hoorde [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 1] een hard geluid maakte. [slachtoffer 2] dacht dat dat geluid zijn einde betekende. Kort daarna kwam [verdachte] eraan en zei hij tegen [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 1] waarschijnlijk niet meer leefde.
Bespreking verweer schending ondervragingsrecht
De verdediging heeft niet de mogelijkheid gehad om [slachtoffer 2] als getuige te horen, terwijl zijn verklaringen als belastend voor [verdachte] kunnen worden aangemerkt.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de voor [verdachte] belastende verklaringen van [slachtoffer 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat sprake is van schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 lid 3 sub d EVRM. Subsidiair heeft de raadsvrouw de onbetrouwbaarheid van die verklaringen bepleit.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.
Toetsingskader
Voor de verdediging moet er een behoorlijke en effectieve mogelijkheid hebben bestaan om belastende
getuigen te ondervragen. Dit is een belangrijk algemeen uitgangspunt dat op artikel 6 EVRM is gebaseerd. Heeft de verdediging die mogelijkheid ten aanzien van een getuige niet gehad, dan zal de rechter als hij de verklaring van die getuige voor het bewijs wil gebruiken, moeten beoordelen of daarmee het proces als geheel nog wel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn:
- de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend;
- het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit, en
- het bestaan van voldoende compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en de beperkingen die de verdediging daardoor heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring
van de getuige.
De rechter moet deze drie beoordelingsfactoren in onderling verband beoordelen. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het voordat de verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt des te meer van belang dat er een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er compenserende factoren bestaan.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
Onvindbaarheid [slachtoffer 2] : goede reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend
In de onderhavige zaak heeft de verdediging – na eerdere pogingen [slachtoffer 2] in eerste aanleg te horen – in hoger beroep wederom verzocht hem als getuige te horen. Dit verzoek is door het hof op de regiezitting van 19 oktober 2023 toegewezen, waarna de zaak is verwezen naar de raadsheer-commissaris. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 4 december 2024 blijkt echter dat [slachtoffer 2] ondanks meerdere inspanningen niet binnen een aanvaardbare termijn kon worden gehoord, omdat zijn verblijfplaats niet bekend was (geworden). Het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft contact gehad met de Poolse autoriteiten, die vervolgens weer contact hebben gehad met de lokale politie. Hoewel [slachtoffer 2] in eerste instantie was getraceerd, is uiteindelijk vastgesteld dat hij als dakloze verbleef op verschillende plaatsen in de stad Tychy in Polen.
In aanloop naar de inhoudelijke behandeling van 3 december 2025 in hoger beroep heeft de raadsheer-commissaris nogmaals getracht de verblijfplaats van [slachtoffer 2] te achterhalen. Uit het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2025 blijkt echter dat de huidige verblijfplaats van [slachtoffer 2] nog steeds niet bekend is (geworden) en dat daarom de eerder getrokken conclusie nog steeds in stand blijft. Uit de uitvraag in de systemen GBA en SKDB volgde geen nieuwe (adres)informatie van [slachtoffer 2] . Het kabinet heeft vervolgens contact gehad met de Liaison Officer in Polen en via het Internationaal Rechtshulpcentrum van het openbaar ministerie ook met Interpol . Zowel uit de informatie van de Liaison Officer als Interpol is geen verblijfadres van [slachtoffer 2] in Polen naar voren gekomen. De voorzitter van het hof heeft daarnaast de advocaat-generaal verzocht navraag te doen bij de politie in Nederland. Uit de bevindingen van de politie volgt dat de laatste registratie, die te maken had met zijn insluiting door de afdeling Vreemdelingenpolitie, dateert van 9 september 2021 en dat hieraan het adres van het arrestantencomplex in Houten is gekoppeld. Daarnaast is het historische adres [adres 2] een adres van een daklozenopvang. Derhalve is ook bij de politie geen nieuwe informatie bekend.
Tot slot heeft het hof bij de raadsvrouw van [slachtoffer 2] in aanloop naar de zitting van 3 december 2025 nagevraagd of zij concrete contactinformatie van haar cliënt kon verschaffen. De raadsvrouw kon echter geen actuele contactgegevens van haar cliënt delen, hetgeen zij ter terechtzitting van 3 december 2025 nogmaals heeft bevestigd. Zij heeft aangegeven enkel sporadisch telefonisch contact te hebben met haar cliënt.
Het hof is dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 288, eerste lid en onder a, Sv, van oordeel dat het onaannemelijk is dat [slachtoffer 2] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen om als getuige te worden gehoord. Het hof stelt daarmee vast dat sprake was van een goede reden dat [slachtoffer 2] niet in het bijzijn van de verdediging als getuige kon worden gehoord.
Het gewicht van de verklaringen van [slachtoffer 2] voor het bewijs
Het hof is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] in de bewijsvoering als verklaringen van
‘significant weight’moeten worden beschouwd en niet als
‘sole or decisive’, mede in het licht van de bewijsmiddelen die hierna worden besproken. Desalniettemin dient het hof, gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader, te beoordelen of (voldoende) compensatie is geboden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid van [slachtoffer 2] .
Het bestaan van voldoende compenserende factoren
Het hof constateert dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij tegen meerdere personen heeft gezegd wat met [slachtoffer 1] was gebeurd en/of dat [verdachte] verantwoordelijk is voor zijn dood. Dit zou hij hebben gezegd tegen [getuige 1] , [persoon 2] en [getuige 2] (die dit op zijn beurt weer heeft gezegd tegen [persoon 3] ), en [getuige 3] heeft hij in detentie hierover ingelicht (‘de auditu’-verklaringen van getuigen). Deze personen zijn door de politie gehoord, met uitzondering van [getuige 2] omdat hij inmiddels was overleden. [persoon 3] is daarentegen wel gehoord. En [medeverdachte 2] is meermaals door de politie gehoord, mede omdat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ook hij, naast [verdachte] , betrokken zou zijn geweest bij het tegen [slachtoffer 1] gepleegde geweld. Door die getuigen is de verdediging in de gelegenheid geweest om hun verklaringen, met [slachtoffer 2] als bron van die informatie, te toetsen. De verdediging heeft op verzoek een aantal van die personen zelf kunnen ondervragen. Zo heeft de verdediging [medeverdachte 2] in eerste aanleg en in hoger beroep kunnen horen. In dit laatste verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte 2] , die op dat moment geen verdachte meer was in deze zaak, een aanzienlijk aantal vragen van de raadsheer-commissaris, de raadsvrouw en de advocaat-generaal beantwoord en heeft hij niet meer telkens het verschoningsrecht ingeroepen. De verdediging heeft bij dat verhoor ruim de gelegenheid gekregen om [medeverdachte 2] te bevragen. Daarnaast is [getuige 1] – wiens verklaringen ondersteuning bieden voor de voor [verdachte] belastende onderdelen van de verklaringen van [slachtoffer 2] – in bijzijn van de verdediging bij de rechter-commissaris gehoord. Ook zijn de verhoren van [getuige 1] bij de politie woordelijk uitgewerkt en vertaald, en zijn de audio-opnames van deze verhoren in het dossier gevoegd. Tot slot zijn ook de verhoren van [slachtoffer 2] zelf woordelijk uitgewerkt en auditief opgenomen en stond het de verdediging vrij om te verzoeken om deze auditieve opnames te beluisteren.
Deze factoren brengen met zich dat de verdediging de verklaringen van [slachtoffer 2] – ondanks het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid – (indirect) heeft kunnen toetsen en vormen daarom naar het oordeel van het hof voldoende compensatie voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid van [slachtoffer 2] .
Conclusie bij de weging van de drie factoren
De drie beoordelingsfactoren in onderling verband beoordeeld, is het hof van oordeel dat het proces als geheel eerlijk is verlopen (vgl. EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 ( [persoon 4] /Duitsland), overweging 116) en dat de verklaringen van [slachtoffer 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt, nu geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2]
Voor zover [slachtoffer 2] op enig moment belastend is gaan verklaren over de rol van de verdachte als pleger van het geweld tegen [slachtoffer 1] heeft hij daarover op hoofdlijnen steeds consistent en gedetailleerd verklaard. Nu [slachtoffer 2] zelf ook verdachte is en daarom een belang zou kunnen hebben bij het afleggen van een belastende verklaring over anderen, dienen zijn verklaringen echter met behoedzaamheid te worden beschouwd. Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 2] toch bruikbaar voor het bewijs voor zover zij zien op het plegen van geweld door de verdachte tegen het slachtoffer door [slachtoffer 1] , nu deze verklaringen ook worden ondersteund door andere – door het hof betrouwbaar bevonden – bewijsmiddelen.
4.4.3.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1]
heeft op meerdere momenten in het onderzoek gesproken met de politie. [getuige 1] zelf was toentertijd niet dakloos, hij had een woning. Hij kende de groep daklozen waartoe het slachtoffer behoorde. [getuige 1] dronk regelmatig alcohol met hen op een plein waar de groep zich vaak ophield en sprak met hen in zijn moedertaal. De recherche heeft in dit opsporingsonderzoek bemerkt dat meerdere getuigen uit angst voor wraak liefst geen openheid van zaken hebben willen geven.
Op 17 november 2020 is [getuige 1] als getuige gehoord. In dit verhoor lijkt [getuige 1] – mogelijk uit angst voor het afleggen van een belastende verklaring – nog niet het achterste van zijn tong te laten zien, maar verklaart hij al wel dat hij denkt dat [verdachte] ‘het heeft gedaan’. Ook verklaart [getuige 1] dat hij de dag na 23 augustus 2020 met [verdachte] van schoenen is gewisseld en dat [verdachte] en [slachtoffer 2] die dag (dus op 24 augustus 2020) nieuwe kleding droegen.
Vervolgens zijn politieagenten op 24 november 2020 naar de woning van [getuige 1] gegaan om de schoenen die hij met [verdachte] zou hebben gewisseld in beslag te nemen. Daarna hebben zij hem naar een afspraak vervoerd. Tijdens dit vervoer verklaarde [getuige 1] uit zichzelf:
“ [verdachte] is ermee begonnen. [verdachte] heeft [naam] geslagen met een houten stok/balk.”
Op 26 november 2020 is [getuige 1] opnieuw als getuige gehoord. In dit verhoor heeft hij verklaard dat hij in de ochtend van 24 augustus 2020 [verdachte] en [slachtoffer 2] ontmoette. Toen [getuige 1] vroeg waar [slachtoffer 1] was, zeiden [verdachte] en [slachtoffer 2] dat hij nooit meer ging praten en dat hij verstopt was in de bosjes met wat takken. [verdachte] had een houten stronk gepakt en “sloeg hem tot hij zweette”.
Anders dan de raadsvrouw en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat deze onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] als betrouwbaar zijn aan te merken. Al in zijn verklaring op 17 november 2020 lijkt [getuige 1] de politie te wijzen op de betrokkenheid van [verdachte] , maar wil hij mogelijk niet gezien worden als de verrader. Pas nadat de opname van het verhoor wordt gestopt, verklaart hij dat hij heeft gehoord dat [slachtoffer 1] niets meer zou zeggen, een kenmerkende woordkeuze die hij ook in zijn latere verhoren blijft herhalen en die de betrouwbaarheid van zijn verklaringen onderstreept. Deze bewoordingen komen ook terug in de getapte telefoongesprekken die [getuige 1] in de periode rond het afleggen van zijn verklaringen heeft gevoerd. In zijn verhoren komen gaandeweg steeds meer details naar voren en daarin wisselt [getuige 1] ook niet, zoals de houten stronk waarmee is geslagen en dat het slachtoffer in de bosjes met takken is gelegd. [getuige 1] heeft verklaard dat hij door [verdachte] en [slachtoffer 2] aan deze informatie komt en hij verklaart hierover reeds voordat de politie hem op dit punt nader bevraagt. Het hof ziet dan ook geen steun voor de stelling dat de politie hem deze details in de mond zou hebben gelegd.
Daarnaast wordt het wisselen van de kleding en schoenen ondersteund door de (beschrijving van de) camerabeelden en het slaan met de houten stronk door [verdachte] wordt ondersteund door de forensische bevindingen, die het hof hierna zal toelichten. Met de advocaat-generaal is het hof bovendien van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de informatie waarover [getuige 1] heeft verklaard als daderinformatie moet worden aangemerkt. Daarbij heeft het hof mede gelet op het – in hoger beroep nieuwe – proces-verbaal van bevindingen over de historische telecomgegevens van het telefoonnummer van [getuige 1] , waaruit volgt dat hij hoogstwaarschijnlijk in zijn woning verbleef ten tijde van het delict. Van een relevant verband tussen het door [getuige 1] verkregen tipgeld en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen is het hof, gelet op de opbouw in die verklaringen, evenmin gebleken.
De wijze waarop [getuige 1] mondjesmaat en stapsgewijs informatie prijsgeeft, laat zich goed verklaren door het feit dat [getuige 1] bang is om te verklaren, hetgeen ook naar voren komt in de – onderschepte – telefoongesprekken die hij rondom zijn verhoren heeft gevoerd.
Nadat [getuige 1] verklaarde over een houten stok/balk, is besloten om in beslag genomen stukken hout forensisch te laten onderzoeken. De resultaten daarvan – die het hof hieronder bespreekt – bleken de verklaring van [getuige 1] op overtuigende wijze te ondersteunen in belastend bewijs tegen de verdachte.
Daarnaast zijn in hoger beroep de verklaringen die hij op 17 en 26 november 2020 bij de politie heeft afgelegd, vertaald, woordelijk uitgewerkt en zijn de audio-opnames van deze verhoren in het dossier gevoegd. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook enkele fragmenten van deze verhoren afgespeeld, in aanwezigheid van een tolk Engels die de Engelse onderdelen van de verhoren ad hoc, zonder kennis van de zaak, heeft vertaald. Al deze verschillende varianten waarin kennis kon worden genomen van de verhoren van [getuige 1] brengen het hof niet tot een ander oordeel ten aanzien van de betrouwbaarheid van de hiervoor genoemde delen van zijn verklaringen. Het hof acht daarom deze verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar en zal deze in zoverre ook voor het bewijs gebruiken.
Deze verklaringen van [getuige 1] vinden, zoals in het voorgaande vermeld, steun in het volgende objectieve bewijsmateriaal.
4.4.4.
Camerabeelden
De politie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar camerabeelden van de omgeving van de plaats delict nabij de [plaats] en de locaties waar de groep Poolse daklozen, waartoe het slachtoffer behoorde, zich ophield. Op de camerabeelden van 24 augustus 2020 zijn [verdachte] en [slachtoffer 2] samen met [getuige 1] te zien. Wat opvalt, is dat [verdachte] en [slachtoffer 2] andere kleding dragen dan op de camerabeelden van 23 augustus 2020. Op de beelden van 24 augustus 2020 is ook te zien dat [verdachte] een kledingstuk in de vuilnisbak gooit. De verdachte heeft hiervoor geen aannemelijke uitleg gegeven. Het hof gaat er daarom net als de advocaat-generaal van uit dat [verdachte] hiermee het doel had sporen uit te wissen.
4.4.5.
Forensische bevindingen
Tijdens onderzoek op de plaats delict zijn stukken hout aangetroffen en veiliggesteld. Op de primitieve kampeerplaats, aangeduid als plaats delict 2, werd tussen een neergehaalde tent en een winkelwagen een afgebroken stuk hout aangetroffen. Bij een zogenaamde vuurplaats, aangeduid als plaats delict 3, werd nabij een blikje bier een deels verbrand stuk hout aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat deze twee stukken hout één geheel hebben gevormd.
Deze stukken hout zijn onderzocht op aanwezigheid van DNA van het slachtoffer en de verdachten. Uit het DNA-onderzoek dat het hof in de bewijsmiddelen heeft opgenomen en de daarin vermelde veel hogere graden van waarschijnlijkheid van herkomst van de DNA-profielen als het om DNA van [slachtoffer 1] of [verdachte] gaat, leidt het hof het volgende af.
Op het stuk hout dat is aangetroffen bij de primitieve kampeerplaats zat DNA van het slachtoffer. Op het stuk hout dat bij de vuurplaats is gevonden, is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen, namelijk van [verdachte] en een willekeurige andere persoon.
Tijdens de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] werd in de hals letsel geconstateerd en aan de voorkant in de hals werd zwart materiaal aangetroffen. Dit materiaal is met twee zogeheten folies bemonsterd en vervolgens onderzocht. Op de twee folies werd houtskool aangetroffen. Bovendien bleken de microscopische kenmerken die in het houtskoolfragment van een van de folies zijn geïdentificeerd, ook voor te komen bij de tak die was aangetroffen bij de primitieve kampeerplaats, waarop het DNA van het slachtoffer is aangetroffen.
Gelet op de voorgaande forensische bevindingen en in combinatie met de verklaringen van [getuige 1] , acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 1] met een houten stronk tegen zijn hals is geslagen en dat [verdachte] degene is geweest die dit heeft gedaan. Deze geweldshandeling heeft bijgedragen aan het uiteindelijk dodelijk letselbeeld dat is geconstateerd.
4.4.6.
Conclusie
Alles overwegende, is het hof van oordeel dat [verdachte] buitensporig, dodelijk geweld heeft toegepast op [slachtoffer 1] . Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte het slachtoffer na kalm beraad en rustig overleg heeft gedood, zodat de verdachte van de primair (impliciet cumulatief) ten laste gelegde moord moet worden vrijgesproken. Het hof acht wel de primair ten laste gelegde doodslag bewezen, maar komt – anders dan de advocaat-generaal – niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen. Hoewel [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] en [slachtoffer 2] beiden geweld zouden hebben gebruikt, bevat het dossier onvoldoende (steun)bewijs voor een bijdrage van voldoende gewicht van [slachtoffer 2] dan wel van een ander of anderen bij het geweld dat tot de dood van [slachtoffer 1] heeft geleid. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde medeplegen.

5.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door
- die [slachtoffer 1] met een houten stronk tegen de hals te slaan en
- die [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen, althans een of meer vorm(en) van uitwendig geweld op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit arrest zijn vervat.

6.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
doodslag.

7.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

8.Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde integraal vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde medeplegen van doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte gevorderd.
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Wel heeft zij verzocht de vordering tot gevangenneming af te wijzen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft dit gedaan door met een buitensporige hoeveelheid geweld het slachtoffer volledig in elkaar te slaan en te trappen. Het geweld heeft aanzienlijke tijd geduurd waardoor het slachtoffer mogelijk behoorlijk heeft geleden. Dit geweld vond ’s nachts plaats aan de rand van de [plaats] waar het dakloze slachtoffer in een tent verbleef. Het slachtoffer is uiteindelijk in een tent gewikkeld en achtergelaten in de rietkraag gedeeltelijk in het water. Pas na een melding van een voorbijganger werd hij de volgende middag door de politie in comateuze toestand aangetroffen. Enkele uren later overleed het slachtoffer aan zijn verwondingen. Door het toepassen van dit buitensporige en brute geweld heeft de verdachte het slachtoffer zijn meest wezenlijke bezit, namelijk zijn leven, ontnomen. De hoeveelheid geweld en de wijze van achterlaten heeft tot een troosteloos einde aan het leven van het slachtoffer geleid. In de periode daarna heeft de verdachte zijn gebruikelijke bezigheden hervat, zonder zich rekenschap te geven van wat er gebeurd is en zonder openheid van zaken te geven.
De verdachte heeft door zijn handelen onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De zoon van het slachtoffer was ten tijde van het ten laste gelegde twaalf jaar en zal zijn vader de rest van zijn leven moeten missen. Uit de slachtofferverklaring van de zus van het slachtoffer blijkt ook dat de gewelddadige dood van haar broer op haar en haar familieleden, die in het buitenland woonachtig zijn, een enorme impact heeft.
De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof enkel een straf die langdurige vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof is op grond van al het bovenstaande van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van elf jaar is aangewezen.
Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Door het openbaar ministerie is immers op 19 augustus 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof nu arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ongeveer 1 jaar en 4 maanden, hetgeen niet aan de verdachte is te wijten.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering gevangenneming
Het hof wijst de vordering tot gevangenneming af. Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis is op 21 juni 2022 door de rechtbank opgeheven. De ernstige bezwaren die tot het oorspronkelijke bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid bestaan naar het oordeel van het hof nog onverkort, mede gelet op dit veroordelend arrest. Bij de behandeling van een strafzaak geldt echter het uitgangspunt dat een verdachte een eventueel cassatieberoep in vrijheid mag afwachten. In deze zaak krijgt dit uitgangspunt extra gewicht, nu de rechtbank in deze strafzaak tot een integrale vrijspraak is gekomen en het hof tot een veroordeling komt.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. C.J. van der Wilt en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 januari 2026.