ECLI:NL:GHAMS:2026:68

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
23-002268-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van medeplegen van moord en doodslag, veroordeling voor nalaten van hulp aan slachtoffer

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van moord of doodslag op een Poolse dakloze man, die in de nacht van 23 op 24 augustus 2020 in Amsterdam bij de Sloterplas om het leven was gekomen. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de beschuldigingen van moord en doodslag, maar hem wel veroordeeld voor het nalaten van hulp aan het slachtoffer. De rechtbank had eerder een vonnis uitgesproken, maar het hof kwam tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs was voor de betrokkenheid van de verdachte bij de fatale geweldsdaad. De verdachte had weliswaar aanwezig geweest tijdens het geweld, maar het hof oordeelde dat zijn bijdrage niet van voldoende gewicht was om hem als medepleger aan te merken. De verdachte werd wel schuldig bevonden aan het nalaten van hulp, omdat hij had gezien dat het slachtoffer in levensgevaar verkeerde en geen hulp had geboden. Het hof legde een hechtenis van 10 weken op, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002268-22
datum uitspraak: 15 januari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-293976-20 (zaak A) en 13-343794-21 (zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982,
adres: [adres 1] ).

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2025 en 15 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. De verdachte heeft zijn hoger beroep blijkens de ‘akte instellen hoger beroep’ beperkt tot de beslissingen van de rechtbank in de zaak met parketnummer
13-343794-21.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

2.Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
Zaak A:
primair
hij op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft/hebben beroofd, door
- de krukken bij die [slachtoffer 1] weg te halen en/of die [slachtoffer 1] (meermalen) vast te pakken en/of vast te houden en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) met een hard voorwerp, te weten een houten stronk, tegen het hoofd en/of de hals te slaan en/of
- ( meermalen) met geschoeide voet op het hoofd van die [slachtoffer 1] te springen en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen, althans een of meer vorm(en) van uitwendig geweld op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] toe te passen en/of
- het lichaam van die [slachtoffer 1] (strak) in een tent(doek) te wikkelen en/of te verpakken en/of in te pakken en/of
- ( vervolgens) die (zwaar) gewonde en/of (zeer) verzwakte [slachtoffer 1] (terwijl hij (strak) in de voornoemde tent(doek) was gewikkeld) vast te pakken en/of te verslepen en/of (vervolgens) die (zwaar) gewonde [slachtoffer 1] (aan armen en benen) heen en weer te slingeren en/of zwaaiend te bewegen en/of (vervolgens) te werpen en/of gooien in en/of in richting van het water en/of in het/de riet(kraag) en/of de bosjes, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
subsidiair
[medeverdachte 2] en/of een of meer (onbekende) andere perso(o)n(en) op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 2] en/of die (onbekende) andere perso(o)n(en)
- de krukken bij die [slachtoffer 1] weggehaald en/of die [slachtoffer 1] vastgepakt en/of vastgehouden en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) met een hard voorwerp, te weten een houten stronk, tegen het hoofd en/of de hals geslagen en/of
- ( meermalen) met geschoeide voet op het hoofd van die [slachtoffer 1] gesprongen en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of geschopt, althans een of meer vorm(en) van uitwendig geweld op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] toegepast, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door
- het lichaam van die [slachtoffer 1] (strak) in een tent(doek) te wikkelen en/of te verpakken en/of (in)pakken en/of
- ( vervolgens) die (zwaar) gewonde en/of (zeer) verzwakte [slachtoffer 1] (terwijl hij (strak) in de voornoemde tent(doek) was gewikkeld) vast te pakken en/of te verslepen en/of (vervolgens) die (zwaar) gewonde [slachtoffer 1] (aan armen en benen) heen en weer te slingeren en/of zwaaiend te bewegen en/of (vervolgens) te werpen en/of gooien in en/of in richting van het water en/of in het/de riet(kraag) en/of de bosjes;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam, openlijk, te weten de bosschages bij de Sloterplas ter hoogte van het [Plaats] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door
- de krukken bij die [slachtoffer 1] weg te halen en/of die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of vast te houden en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) met een hard voorwerp, te weten een houten stronk, tegen het hoofd en/of de hals te slaan en/of
- ( meermalen) met geschoeide voet op het hoofd van die [slachtoffer 1] te springen en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen, althans een of meer vorm(en) van uitwendig geweld op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] toe te passen en/of
- het lichaam van die [slachtoffer 1] (strak) in een tent(doek) te wikkelen en/of te verpakken en/of in te pakken en/of
- ( vervolgens) die (zwaar) gewonde en/of (zeer) verzwakte [slachtoffer 1] (terwijl hij (strak) in de voornoemde tent(doek) was gewikkeld) vast te pakken en/of te verslepen en/of (vervolgens) die (zwaar) gewonde [slachtoffer 1] (aan armen en benen) heen en weer te slingeren en/of zwaaiend te bewegen en/of (vervolgens) te werpen en/of gooien in en/of in richting van het water en/of in het/de riet(kraag) en/of de bosjes,
terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood, althans zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten
- één of meer fracturen aan het aangezicht en/of de hals en/of het hoofd en/of het lichaam, te weten aan de/het schedel(dak) en/of neus(been) en/of jukbeen(deren) en/of onderkaak en/of schildkraakbeen en/of het borstbeen en/of (deel van het) strottenhoofd en/of rechterellepijp en/of linkerschouderblad en/of de ribben en/of
- één of meer kneuzing(en) en/of bloeduitstorting(en) en/of huidbeschadiging(en) en/of schaafplek(ken) aan het aangezicht en/of de hals en/of het hoofd en/of het lichaam en/of
- bandvormig letsel in de hals en/of
- ernstig schedelhersenletsel en/of hersenbloedingen en/of ernstige inklemmingsverschijnselen,
voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
Zaak B:
1.
hij op of omstreeks 24 augustus 2020 te Amsterdam, nadat (daarvoor) op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 enig misdrijf, te weten moord of doodslag in vereniging, of openlijke geweldpleging was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een voorwerp, waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd en/of andere sporen van dat misdrijf, te weten het lichaam van het slachtoffer en/of de krukken van het slachtoffer en/of de tent en/of tentstokken en/of kleding en/of schoenen (van verdachte [medeverdachte 2] ), heeft vernietigd, weggemaakt, verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken;
2.
hij op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam, terwijl hij getuige was van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander, te weten [slachtoffer 1] verkeerde, heeft nagelaten deze [slachtoffer 1] die hulp te verlenen of te verschaffen die hij, aan [slachtoffer 1] , zonder gevaar voor zichzelf of anderen, redelijkerwijs had kunnen duchten, had kunnen verlenen of had kunnen verschaffen, immers heeft hij, verdachte,
- terwijl die [slachtoffer 1] in een (zeer) verzwakte en/of (zwaar) gewonde, althans slechte lichamelijke toestand verkeerde en/of
- terwijl de ademhaling van die [slachtoffer 1] was gestokt, althans die [slachtoffer 1] moeite met ademhalen had, althans leek te hebben en/of
- terwijl die [slachtoffer 1] onderkoeld was geraakt en/of in het (koude) water lag en/of
- geen (tijdige) (medische) hulp en/of (medische) verzorging ingeroepen en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] alleen in de bosjes en/of het riet en/of het water achtergelaten, waarbij en/of waarna die [slachtoffer 1] is overleden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof langs een andere lijn tot vrijspraak komt ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde. Omwille van de helderheid van de beslissingen die het hof neemt, wordt het vonnis daarom vernietigd.

4.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

4.1.
Inleiding
Op maandag 24 augustus 2020 rond 17.09 uur ontving de politie een melding over een vermoedelijk onwel persoon die bij de Sloterplas in Amsterdam lag. De politie ging ter plaatse en trof daar het slachtoffer [slachtoffer 1] (ook wel ‘ [naam (slachtoffer)] ’ genoemd) aan, half gewikkeld in een tent in de rietkraag aan de waterkant. Hij bleek ernstig gewond en verkeerde in kritieke toestand. [slachtoffer 1] is vervolgens naar het ziekenhuis gebracht, waar hij later die avond is overleden aan zijn verwondingen.
Het lichaam van [slachtoffer 1] is onderzocht. Tijdens de schouw kort na zijn overlijden werd geconstateerd dat [slachtoffer 1] was overleden ten gevolge van ernstig schedelhersenletsel en dat sprake was van diverse andere letsels met fracturen, kneuzingen, bloeduitstortingen, schaafplekken en ontvellingen. Vervolgens heeft een sectie plaatsgevonden. Daarbij werd een zeer uitgebreid en complex letselbeeld vastgesteld, passend bij meervoudige en (tenminste deels hevige) krachtsinwerkingen. Er waren meerdere letsels uitwendig aan het hoofd, die zijn ontstaan door een meervoudige stomp-botsende krachtsinwerking. Er waren meerdere breuken van het schedeldak, hetgeen aangeeft dat de krachtsinwerking aldaar tenminste deels zeer hevig moet zijn geweest. Verder was sprake van een bloeduitstorting onder de hersenvliezen en een kneuzing van hersenweefsel. Bij deze hersenkneuzing was sprake van hersenzwelling die samen met de bloeduitstortingen in het hoofd de tekenen van herseninklemming verklaren. Ook waren er meerdere letsels in de hals die zijn ontstaan door de inwerking van een stomp-botsende, of samendrukkende krachtsinwerking op de hals. Daarnaast waren er talrijke letsels op het lichaam die door de inwerking van stomp-botsende krachtsinwerking zijn ontstaan. Het comateuze beeld en het uiteindelijke overlijden wordt verklaard door inklemming van de hersenen ten gevolge van krachtsinwerking op het hoofd.
De politie heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar het overlijden van [slachtoffer 1] . Hij bleek deel uit te maken van een groep Poolse daklozen die zich onder andere rondom de Sloterplas ophield. Als verdachten kwamen in het onderzoek naar voren de verdachte [de verdachte of] (hierna: de verdachte of [de verdachte of] ), de medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . In hoger beroep is gebleken dat [medeverdachte 1] niet langer verdachte is in deze zaak.
4.2.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde medeplegen van doodslag kan worden bewezen verklaard.
De advocaat-generaal gaat ervan uit dat [slachtoffer 1] is geschopt en geslagen – ook met een houten stronk –, dat hij mogelijk ten val is gekomen en vervolgens in een tent naar de rietkraag is versleept en daar is achtergelaten, waarna [slachtoffer 1] is komen te overlijden. Getuige [getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [de verdachte of] tegen hem hebben gezegd dat zij het geweld op het slachtoffer hebben gepleegd. De verklaringen van [getuige] zijn betrouwbaar. Deze zijn gedetailleerd en consistent en worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, te weten de camerabeelden, de tapgesprekken van [de verdachte of] en [getuige] en het forensisch bewijs. De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 2] (delen van) het lichaam van het slachtoffer met zijn schoenen heeft verbrijzeld. [medeverdachte 2] en de verdachte hebben beiden verklaard dat zij die bewuste avond op de plaats delict waren. [medeverdachte 2] heeft daarnaast bekend dat hij het slachtoffer met zijn vuist tegen het gezicht heeft geslagen. Uit de camerabeelden en de verklaringen van [de verdachte of] , [medeverdachte 2] en [getuige] blijkt dat [medeverdachte 2] en [de verdachte of] op 24 augustus 2020 hun kleding hebben gewisseld en hun oude kleding hebben weggegooid, volgens de advocaat-generaal om sporen uit te wissen. Bovendien is er een TCI-melding die inhoudt dat [medeverdachte 2] en [de verdachte of] betrokken zijn bij deze doodslag.
De verdachten hadden opzet op de dood van [slachtoffer 1] en ook het medeplegen kan volgens de advocaat-generaal worden bewezen verklaard. Zij hebben beiden actieve geweldshandelingen verricht die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer 1] en zij hebben voor, tijdens en na het delict bewust en nauw samengewerkt. Moord acht de advocaat-generaal niet bewezen, omdat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor voorbedachte raad.
Ten aanzien van zaak B heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, maar dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij als dader van de doodslag kan worden aangemerkt en daarmee sprake is van een strafuitsluitingsgrond.
4.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte, die hij vanaf 23 november 2020 heeft afgelegd, als uitgangspunt dienen te worden genomen. Vanaf dat moment heeft hij consistent, volledig, gedetailleerd en naar waarheid verklaard. In die verklaringen heeft de verdachte – kort gezegd – verklaard dat hij met [medeverdachte 2] , [slachtoffer 1] , [persoon 2] en [medeverdachte 1] rond middernacht naar de tenten was gegaan, dat [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1] sloegen, dat [slachtoffer 1] ook vasthield terwijl [medeverdachte 2] hem sloeg en dat ze vervolgens uit het zicht waren. [medeverdachte 2] vertelde later dat [slachtoffer 1] dood was. Deze verklaring van de verdachte wordt onder meer ondersteund door TCI-informatie, camerabeelden van de omgeving van de plaats delict en verklaringen van verschillende getuigen. [getuige] , die heeft verklaard dat ook de verdachte betrokken was bij de dood van [slachtoffer 1] , heeft niet consistent en eenduidig verklaard en is daarom niet als betrouwbaar aan te merken. Bovendien gaat het om een
de auditu-verklaring, omdat [getuige] zelf niet bij het ten laste gelegde aanwezig is geweest. Voor het schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer door de verdachte bestaat ook geen enkele bevestiging in het forensisch onderzoek. Hij heeft geen bijdrage van voldoende gewicht gehad en kan dus ook niet als medepleger worden aangemerkt. Dat de verdachte een actieve bijdrage heeft gehad aan het inpakken van het lichaam van [slachtoffer 1] in de tent en het verslepen daarvan, blijkt geenszins uit het dossier. Ook voor de in zaak A subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid en het in zaak B onder 1 ten laste gelegde verhullen van het misdrijf is daarom onvoldoende bewijs. Om de voorgaande redenen kan het meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweld evenmin worden bewezen verklaard, waarbij ook geldt dat niet kan worden bewezen dat het geweld ‘openlijk’ was. Daarnaast kan volgens de raadsvrouw het in zaak B onder 2 ten laste gelegde niet worden bewezen, omdat [medeverdachte 2] tegen de verdachte zei dat [slachtoffer 1] dood was. Met die wetenschap kan niet worden gezegd dat de verdachte heeft nagelaten hulp te bieden aan iemand die in levensgevaar verkeerde.
Indien de verklaringen van de verdachte onbetrouwbaar worden geacht en dus niet als uitgangspunt worden genomen, dient desalniettemin vrijspraak te volgen. Ook in dat geval is namelijk sprake van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte enige actieve rol heeft gehad dan wel heeft nagelaten hulp te verlenen.
4.4.
Oordeel van het hof ten aanzien van zaak A
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
4.4.1.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij die bewuste avond en nacht op de kampeerplek, waar [slachtoffer 1] verbleef, is geweest. Hij heeft verklaard dat op een gegeven moment een ruzie ontstond tussen [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1] . [medeverdachte 2] begon [slachtoffer 1] te slaan. Dit slaan duurde volgens hem ongeveer twintig minuten. Omdat [medeverdachte 2] later zijn schoenen controleerde en stampte met zijn schoenen, ging de verdachte ervan uit dat [medeverdachte 2] [slachtoffer 1] met zijn schoenen op bepaalde plaatsen heeft verbrijzeld. Even later hoorde de verdachte dat [slachtoffer 1] een hard geluid maakte. De verdachte dacht dat dat geluid zijn einde betekende. Kort daarna kwam [medeverdachte 2] eraan en zei hij tegen de verdachte dat [slachtoffer 1] waarschijnlijk niet meer leefde.
4.4.2.
Verklaringen van [getuige]
heeft op meerdere momenten in het onderzoek gesproken met de politie. [getuige] zelf was toentertijd niet dakloos, hij had een woning. Hij kende de groep daklozen waartoe het slachtoffer behoorde. [getuige] dronk regelmatig alcohol met hen op een plein waar de groep zich vaak ophield en sprak met hen in zijn moedertaal. De recherche heeft in dit opsporingsonderzoek bemerkt dat meerdere getuigen uit angst voor wraak liefst geen openheid van zaken hebben willen geven.
Op 17 november 2020 is [getuige] als getuige gehoord. In dit verhoor lijkt [getuige] – mogelijk uit angst voor het afleggen van een belastende verklaring – nog niet het achterste van zijn tong te laten zien, maar verklaart hij al wel dat hij denkt dat [medeverdachte 2] ‘het heeft gedaan’. Ook verklaart [getuige] dat hij de dag na 23 augustus 2020 met [medeverdachte 2] van schoenen is gewisseld en dat [medeverdachte 2] en [de verdachte of] die dag (dus op 24 augustus 2020) nieuwe kleding droegen. Aan het einde van het verhoor zegt [getuige] dat de geluidsopname van het verhoor moet worden gestopt. Wanneer de opname is gestopt, wijst hij [medeverdachte 2] en [de verdachte of] op foto’s aan en zegt hij: “They did it.” [de verdachte of] zou volgens hem hebben gezegd dat [slachtoffer 1] nooit meer iets zou zeggen en [de verdachte of] zou op [slachtoffer 1] hebben gesprongen.
Vervolgens zijn politieagenten op 24 november 2020 naar de woning van [getuige] gegaan om de schoenen die hij met [medeverdachte 2] zou hebben gewisseld in beslag te nemen. Daarna hebben zij hem naar een afspraak vervoerd. Tijdens dit vervoer verklaarde [getuige] uit zichzelf:
“ [medeverdachte 2] is ermee begonnen en [de verdachte of] “finished it”. [medeverdachte 2] heeft [naam (slachtoffer)] geslagen met een houten stok/balk.”
Op 26 november 2020 is [getuige] opnieuw als getuige gehoord. In dit verhoor heeft hij verklaard dat hij in de ochtend van 24 augustus 2020 [medeverdachte 2] en [de verdachte of] ontmoette. Toen [getuige] vroeg waar [slachtoffer 1] was, zeiden [medeverdachte 2] en [de verdachte of] dat hij nooit meer ging praten en dat hij verstopt was in de bosjes met wat takken. [de verdachte of] gaf toe dat hij op het hoofd van [slachtoffer 1] had gesprongen. [medeverdachte 2] had daarna een houten stronk gepakt en “sloeg hem tot hij zweette”.
Het hof is anders dan de raadsvrouw niet van oordeel dat de verklaringen van [getuige] zonder meer als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Voor een bewezenverklaring in zaak A is die verklaring echter op zichzelf onvoldoende. Daarvoor is ook steunbewijs nodig.
4.4.3.
Vrijspraak zaak A
Hoewel [getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en de verdachte beiden geweld hebben gebruikt, bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende (steun)bewijs voor een bijdrage van voldoende gewicht van de verdachte bij het geweld dat tot de dood van [slachtoffer 1] heeft geleid, ook niet in de vorm van medeplichtigheid. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van al hetgeen hem in zaak A is ten laste gelegd.
4.5.
Oordeel van het hof ten aanzien van zaak B
Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde, verenigt het hof zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank, zoals opgenomen op pagina’s 11 en 12 van het vonnis, en neemt die over. Op onderdelen past het hof die overwegingen aan.
Ten aanzien van zaak B geldt het volgende. De verdachte wordt onder 1 verweten dat hij het lichaam van [slachtoffer 1] , krukken, tent en tentstokken, kleding en schoenen zou hebben vernietigd, weggemaakt, verborgen of onttrokken aan het onderzoek van de politie.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende concreet bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring van dit feit. Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde daarom niet bewezen en zal de verdachte hiervan vrijspreken.
Onder 2 wordt de verdachte verweten dat hij, als getuige van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer 1] verkeerde, aan hem geen hulp heeft geboden en/of medische hulp heeft ingeroepen, waarna [slachtoffer 1] is overleden.
De verdachte heeft verklaard over het door hem waargenomen geweld dat tegen [slachtoffer 1] is gebruikt. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer 1] werd geslagen en dat hij een soort doodskreet van [slachtoffer 1] hoorde. Hij heeft gezien dat [slachtoffer 1] aan zijn armen richting het riet werd gesleept en hij heeft verklaard dat hij vermoedde dat [slachtoffer 1] in een tent werd gewikkeld.
Vaststaat dat [slachtoffer 1] door geweld om het leven is gekomen. Hij is door de politie zwaargewond
aangetroffen in de rietkraag, gewikkeld in een tent. Hij had ernstig schedel- en hersenletsel, diverse
andere letsels bestaande uit fracturen, kneuzingen, bloeduitstortingen, schaafplekken en ontvellingen.
Gelet op deze omstandigheden is het hof met de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van het levensgevaar waarin [slachtoffer 1] verkeerde. Hij wist dat [slachtoffer 1] in elkaar was geslagen en buiten bewustzijn achter was gelaten in de rietkraag, terwijl hij gewikkeld was in een tent. De stelling van de verdediging dat de verdachte door een opmerking van [medeverdachte 2] heeft gedacht dat [slachtoffer 1] al dood was, volgt het hof niet. Allereerst blijkt uit de hierboven weergegeven verklaring van de verdachte zelf dat [medeverdachte 2] tegen hem had gezegd dat [slachtoffer 1] ‘
waarschijnlijk(cursivering door het hof) dood’ was. Daaruit valt dus niet af te leiden dat het niet zinvol meer was om hulp te verlenen. Uit het tapgesprek op 2 januari 2021 met ene [persoon 4] blijkt bovendien dat de verdachte de noodzaak heeft onderkend om bij [slachtoffer 1] te gaan kijken, maar hij dat niet durfde omdat hij bang was dat hij dan zelf ook slachtoffer van geweld (lees: van [medeverdachte 2] ) zou worden. In het verhoor met de politie op 26 juli 2021 verklaart de verdachte op de vraag waarom hij later niet heeft gecontroleerd of [slachtoffer 1] nog leefde of dood was: “Wat zou ik moeten als ik hem zou aanraken? Als ik zou controleren of hij leefde dan zou mijn DNA zich daar bevinden. Dan zou ik later de schuld krijgen.”
Al aangenomen dat de verdachte op het moment van de mishandeling geen hulp kon bieden of
inschakelen, zonder gevaar voor zichzelf, dan nog had de verdachte alsnog in actie kunnen komen op enig moment na afloop van het geweld. Dit heeft hij niet gedaan. Het lijkt erop dat de verdachte vooral
oog had voor zijn eigen belang om niet te worden betrokken bij een eventuele strafrechtelijke
procedure en dat hij dit belang heeft laten prevaleren boven het beschermen van het leven van
[slachtoffer 1] .
Het hof is dan ook van oordeel dat er voldoende bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring van hetgeen de verdachte onder 2 wordt verweten.

5.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam, terwijl hij getuige was van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander, te weten [slachtoffer 1] verkeerde, heeft nagelaten deze [slachtoffer 1] die hulp te verlenen of te verschaffen die hij, aan [slachtoffer 1] , zonder gevaar voor zichzelf of anderen, redelijkerwijs had kunnen duchten, had kunnen verlenen of had kunnen verschaffen, immers heeft hij, verdachte,
- terwijl die [slachtoffer 1] in een zeer verzwakte en zwaargewonde, althans slechte lichamelijke toestand verkeerde en
- terwijl die [slachtoffer 1] onderkoeld was geraakt en in het koude water lag en
- geen tijdige medische hulp en/of medische verzorging ingeroepen en
- die [slachtoffer 1] alleen in het riet en het water achtergelaten, waarna die [slachtoffer 1] is overleden.
Hetgeen in zaak B onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit arrest zijn vervat.

6.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:
als getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert, nalaten deze die hulp te verlenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verlenen of verschaffen kan, terwijl de dood van de hulpbehoevende volgt.

7.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

8.Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak B onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een hechtenis van 3 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde medeplegen van doodslag en in zaak B onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte gevorderd.
De raadsvrouw heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde komt, verzocht geen onvoorwaardelijke hechtenis meer op te leggen, gelet op de persoon van de verdachte, zijn strafblad en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de vordering tot gevangenneming af te wijzen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte is getuige geweest van het op brute wijze doodslaan en -trappen van het slachtoffer. Toen de verdachte kort na het geweldsincident van de medeverdachte hoorde dat het slachtoffer waarschijnlijk was overleden, heeft hij geen hulp verleend of ingeschakeld, terwijl het slachtoffer op dat moment nog wel leefde en in levensgevaar verkeerde. De verdachte had gelegenheid om hulp te verlenen of om de hulpdiensten in te schakelen. Hij heeft dit nagelaten en probeerde slechts zijn eigen hachje te redden. Het hof acht dit een verwerpelijke keuze.
Het hof acht in beginsel, met name gelet op de ernst van het feit, een hechtenis voor de duur van 3 maanden passend.
Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte heeft immers op 22 augustus 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof nu arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ongeveer 1 jaar en 4 maanden, hetgeen niet aan de verdachte is te wijten.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een hechtenis voor de duur van 10 weken met aftrek van voorarrest passend en geboden. Niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die deze vrijheidsbeneming met zich brengt.
Vordering tot gevangenneming
Het hof wijst de vordering tot gevangenneming af. Hoewel het hof in dit veroordelend arrest tot een bewezenverklaring komt van het niet helpen van iemand die in levensgevaar verkeerde, betreft dit geen feit waarvoor de voorlopige hechtenis kan worden bevolen. Bovendien overstijgt de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in ruime mate de duur van de vrijheidsstraf die het hof bij dit arrest oplegt.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 450 van het Wetboek van Strafrecht.

10.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-293976-20 (zaak A) primair en subsidiair en meer subsidiair en in de zaak met parketnummer 13-343794-21 (zaak B) onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-343794-21 (zaak B) onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-343794-21 (zaak B) onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot
hechtenisvoor de duur van
10 (tien) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. C.J. van der Wilt en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 januari 2026.