ECLI:NL:GHAMS:2026:71

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
23-001039-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag en bewezenverklaring poging tot zware mishandeling na steekincident met schroevendraaier

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland. De verdachte was beschuldigd van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling na een steekincident op 17 augustus 2023 in Alkmaar. De rechtbank had de verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor poging tot doodslag, maar het hof heeft deze vrijgesproken. Het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de intentie om dodelijk letsel toe te brengen, ondanks dat de verdachte met een schroevendraaier in de wang van het slachtoffer had gestoken. Het hof heeft wel de poging tot zware mishandeling bewezen verklaard, omdat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel had willen toebrengen. De verdachte werd als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd, wat invloed had op de strafmaat. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden op, met een proeftijd van twee jaar. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat deze te laat was ingediend. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001039-24
datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-305151-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 1992,
thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een schroevendraaier, althans een langwerpig scherp en/of puntig voorwerp (meermaals) in de wang, althans in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een schroevendraaier, althans een langwerpig scherp puntig voorwerp (meermaals) in de wang, althans in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde poging tot doodslag. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat uit de gedragingen van de verdachte en de aard en omvang van het letsel niet blijkt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van dodelijk letsel.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting en door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte de primair tenlastegelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Uit de camerabeelden van het incident blijkt dat de verdachte op 17 augustus 2023 met de fiets aan zijn ene hand en een voorwerp in zijn andere hand, naar een persoon toe is gelopen en enkele keren onbeheerst in zijn richting heeft gezwaaid, terwijl hij dicht op hem stond. Daarbij heeft hij kennelijk één keer het gezicht van deze persoon geraakt. Hoewel op grond van het dossier vaststaat dat de verdachte op dat moment met een schroevendraaier in de wang van de aangever heeft gestoken waarbij letsel is ontstaan, is het hof van oordeel dat uit deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm nog niet is af te leiden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangever zou doden. Daarnaast biedt de overige inhoud van het dossier daar geen aanknopingspunten voor. Op grond van de wettige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof wel tot de overtuiging dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 17 augustus 2023 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een schroevendraaier in de wang heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met een schroevendraaier heeft gezwaaid om het slachtoffer op afstand te houden. Voor zover de verdachte heeft betoogd dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld is het hof van oordeel dat dit onvoldoende is onderbouwd en een noodweersituatie ook op basis van de inhoud van het dossier feitelijk geenszins aannemelijk is geworden.
Geen andere omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 7 november 2025 (hierna: PBC-rapport), opgesteld door [deskundige], psychiater, en [deskundige 2], GZ-psycholoog. Dit rapport is opgesteld ten behoeve van een Haagse strafzaak (09/000796-25) waarin de verdachte wordt vervolgd voor (gewelds)delicten gepleegd in 2024 en 2025 en waarin hij al langdurig in voorarrest verblijft. Het PBC-rapport houdt – kort gezegd – in dat ten aanzien van de verdachte de diagnose schizofrenie is gesteld en dat de stoornis invloed heeft gehad op zijn denken en gedrag ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Door de onderzoekers wordt geadviseerd om de tenlastegelegde feiten in ten minste sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en de maatregel van ter beschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.
Hoewel de conclusie van de deskundigen met betrekking tot de toerekenbaarheid van de verdachte ziet op een andere pleegperiode dan de feiten die in de voorliggende zaak aan de orde zijn, leidt het hof uit het PBC-rapport af dat in een Pro Justitia onderzoek in 2019 [1] al een psychotische stoornis bij de verdachte is vastgesteld en dat de verdachte in de aanloop naar de tenlastegelegde feiten in 2023 bij diverse instanties in beeld was, omdat hij verward en onvoorspelbaar gedrag vertoonde [2] . Het hof acht het dan ook aannemelijk dat voornoemde stoornis ook ten tijde van de tenlastegelegde feiten in 2023 aan de orde was en zal de bevindingen uit het rapport in zoverre overnemen. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen.
Ondanks de verminderde toerekenbaarheid, acht het hof de verdachte strafbaar. Er is immers geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezenverklaarde poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 226 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
Door de raadsvrouw is verzocht om een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat een voorwaardelijke straf geen doel dient gelet op de omstandigheid dat de verdachte zich in verband met een andere strafzaak in voorlopige hechtenis bevindt en hij naar verwachting niet in vrijheid zal worden gesteld.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte zoals dit uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer door hem na een woordenwisseling op straat, met een schroevendraaier in zijn wang te steken. Door zo te handelen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Uit de toelichting op de schadevordering komt bovendien naar voren dat het slachtoffer, als gevolg van het handelen van de verdachte, langere tijd last heeft gehad van psychische klachten. Het hof rekent dit de verdachte dan ook ernstig aan.
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen (gevangenis)straf heeft het hof acht geslagen op de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting voor feiten als de onderhavige. Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel, met gebruikmaking van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. In deze zaak is een poging tot zware mishandeling bewezenverklaard en dient dit – in matigende zin – te worden verdisconteerd in de op te leggen straf. Het hof heeft daarnaast in het nadeel van de verdachte gelet op het strafblad van de verdachte van 2 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden in beginsel passend en geboden is.
Het hof zal echter tot een andere strafoplegging komen. Doorslaggevend daarbij is dat de verdachte naar het oordeel van het hof gelet op de bevindingen in het PBC-rapport van 7 november 2025 ten tijde van het bewezenverklaarde in voorliggende zaak verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Het hof zal – mede gelet op de omstandigheden die zich nu voordoen – aan de verdachte daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich op 15 december 2025 voor het eerst in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 50.000,00 aan materiële schade.
Ingevolge artikel 421 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51g, eerste of derde lid Sv, in het strafproces in eerste aanleg heeft gevoegd daartoe onbevoegd in het strafproces in hoger beroep. Een vordering tot schadevergoeding die voor het eerst in hoger beroep wordt ingediend is daarom niet-ontvankelijk [3] . Het hof zal de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding en bepalen dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis

Aangezien het hof tot de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf komt, acht het hof geen verdere redenen (meer) aanwezig om de voorlopige hechtenis te continueren. Daarom zal het hof het reeds geschorste bevel, strekkende tot voorlopige hechtenis, opheffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. R.A.E. van Noort en mr. J. Boksem en, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson en mr. R.C.E. van Tilburg, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
Mr. J. Boksem en mr. S.S.I. Jackson zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Pro Justitia rapportage Pieter Baan Centrum 7 november 2025 inzake [verdachte] (09/000796-25), pagina 68.
2.Pro Justitia rapportage Pieter Baan Centrum 7 november 2025 inzake [verdachte] (09/000796-25), pagina 40.
3.HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945, NJ 1998/449.