Het gerechtshof Amsterdam heeft op 27 januari 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 december 2022, waarin verdachte werd veroordeeld voor ontucht met een minderjarige van 15 jaar. Het hof bevestigt het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van het feit, maar vernietigt het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
De ontucht betrof handelingen in de woning van het slachtoffer, waaronder tongzoenen, betasting van de borsten en vagina, en penetratie. Het hof benadrukt de ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en de blijvende impact op diens ontwikkeling en vertrouwen. Gezien de ernst van het feit acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, maar matigt deze tot vier maanden vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep.
De benadeelde partij vorderde €2.500 aan immateriële schadevergoeding wegens aantasting van zijn persoon. Het hof wijst deze vordering toe, gelet op de impact van het bewezenverklaarde handelen. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 januari 2020. Het hof bevestigt het vonnis voor het overige en legt geen bijzondere voorwaarden op aan de straf, mede vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het reclasseringsadvies.