ECLI:NL:GHAMS:2026:721

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
200.355.337/01OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:339 BWArt. 2:340 BWArt. 2:343 BWArt. 190 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot uittreding minderheidsaandeelhouder wegens waardevermindering aandelen Tubes B.V.

De minderheidsaandeelhouder van Tubes B.V. verzocht de Ondernemingskamer om haar aandelen over te nemen tegen een billijke prijs, omdat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Zij stelde dat de activiteiten en omzet van Tubes zijn overgeheveld naar TPC, een vennootschap waarin zij geen belang heeft, waardoor haar aandelen in Tubes feitelijk waardeloos zijn geworden.

De Ondernemingskamer oordeelde dat de gedragingen van de meerderheidsaandeelhouders en bestuurders van Tubes, CBC en CCC, hebben geleid tot een schending van de loyaliteitsverplichting jegens Tubes door het overdragen van activiteiten aan TPC. Dit heeft de waarde van de aandelen van de minderheidsaandeelhouder verminderd, waardoor haar uittredingsverzoek toewijsbaar is.

De Kamer wees het enquêteverzoek af vanwege de kosten en het belang van Tubes, en benoemde een deskundige om de waarde van de aandelen per januari 2020, net vóór de nieuwe structuur, vast te stellen. Partijen kregen gelegenheid om een minnelijke regeling te treffen voordat de deskundige aan het werk gaat. De kosten van het deskundigenonderzoek worden voor driekwart gedragen door CBC en voor een kwart door de minderheidsaandeelhouder.

Uitkomst: Het verzoek tot uittreding van de minderheidsaandeelhouder wordt toegewezen en een deskundige wordt benoemd om de waarde van haar aandelen per januari 2020 vast te stellen.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.355.337/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 16 maart 2026
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EXCLUSIVES HOLDING B.V.,
gevestigd te Zeist,
VERZOEKSTER,
advocaat:
mr. F.B. Corpeleijn, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CREATIVE BEVERAGE COMPANY B.V.,
gevestigd te Hilversum,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CREATIVE CLOUD COMPANY B.V.,
gevestigd te Aerdenhout,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TUBES B.V.,
gevestigd te Hilversum,
advocaat:
mr. Y.A.E. Vlassenroot, kantoorhoudende te Haarlem
VERWEERSTERS,
e n t e g e n

1.[bestuurder A] ,

wonende te [plaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LFL HOLDING B.V.,
gevestigd te Houten,
3.
[bestuurder D],
wonende te [plaats] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MACHHAPUCHHRE B.V.,
gevestigd te Haarlem,
5.
[bestuurder B],
wonende te [plaats] ,
advocaat:
mr. Y.A.E. Vlassenroot, kantoorhoudende te Haarlem
BELANGHEBBENDEN.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
Verzoekster als:
[minderheidsaandeelhouder]
de bestuurder en enig aandeelhouder van verzoekster, [bestuurder C] , als:
[bestuurder C]
Creative Beverage Company B.V. als:
CBC
Creative Cloud Company B.V. als
CCC
Tubes B.V. als:
Tubes of de Vennootschap
LFL Holding B.V. als:
LFL (de persoonlijke holding van [bestuurder A] )
[bestuurder A] als:
[bestuurder A]
MachhaPuchhre B.V. als:
MachhaPuchhre (de persoonlijke holding van [bestuurder D] )
[bestuurder D] als:
[bestuurder D]
[bestuurder B] als:
[bestuurder B]
CBC, CCC, Tubes, LFL, [bestuurder A] , Machhapuchhre, [bestuurder D] en [bestuurder B] gezamenlijk als:
CCC c.s.

1.Het verloop van het geding

1.1
[minderheidsaandeelhouder] heeft bij (gecombineerd) verzoekschrift van 4 juni 2025 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat:
1. CCC, CBC en Tubes hoofdelijk te bevelen de aandelen van [minderheidsaandeelhouder] in Tubes over te nemen, alsmede de door de Ondernemingskamer vast te stellen prijs te betalen; een deskundige te benoemen die over de prijs bericht uitbrengt; de prijs van de aandelen vast te stellen en daarbij een billijke verhoging toe te passen;
2. voor het geval het uittredingsverzoek niet tot de gewenste uitkomst leidt: een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Tubes over de periode vanaf 1 januari 2017;
3. CCC, CBC en Tubes hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van de deskundige en/of de onderzoeker.
1.2
CCC c.s. hebben bij verweerschrift van 18 september 2025 de Ondernemingskamer verzocht het uittredingsverzoek en het enquêteverzoek van [minderheidsaandeelhouder] af te wijzen. Indien het enquêteverzoek van [minderheidsaandeelhouder] wordt toegewezen verzoeken CCC c.s. bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek dat ook het door [bestuurder C] zelf gevoerde beleid bij het onderzoek wordt betrokken. CCC c.s. verzoeken [minderheidsaandeelhouder] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de eventuele kosten van de deskundige en/of de onderzoeker.
1.3
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 27 november 2025. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. Partijen hebben van tevoren nadere producties toegestuurd en in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. [minderheidsaandeelhouder] heeft haar verzoek in zoverre aangepast, dat als artikel 2:343 lid 1 BW Pro onvoldoende grondslag vormt voor hoofdelijke veroordeling van CCC, zij subsidiair verzoekt haar verzoek jegens CCC als samenhangende vordering aan te merken omdat CCC als materieel dezelfde partij moet worden beschouwd.

2.Inleiding en feiten

Inleiding
2.1
Deze geschillenprocedure gaat over het verzoek van [minderheidsaandeelhouder] , minderheidsaandeelhouder van Tubes, te mogen uittreden op de grond dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. [minderheidsaandeelhouder] voert daartoe onder meer aan dat de activiteiten van Tubes zijn overgeheveld naar een vennootschap waarvan alle aandelen toebehoren aan de indirecte meerderheidsaandeelhouder van Tubes. De Ondernemingskamer oordeelt dat is voldaan aan de wettelijke eisen voor uittreding en dat een billijke verhoging zal worden toegepast. Omdat partijen het eens zijn dat de vennootschap op dit moment geen waarde meer vertegenwoordigt, zal de Ondernemingskamer een deskundige vragen om in het kader van de billijke verhoging de waarde van de aandelen van [minderheidsaandeelhouder] in Tubes vast te stellen op een datum net vóór de introductie van de nieuwe structuur als gevolg waarvan de activiteiten van Tubes feitelijk naar TPC zijn overgeheveld. Omdat de waarde van de aandelen op dat moment mogelijk zeer gering zal blijken te zijn geeft Ondernemingskamer partijen in overweging alsnog een regeling te treffen.
Feiten
2.2
[bestuurder C] , bestuurder en enig aandeelhouder van [minderheidsaandeelhouder] , is in 2010 de onderneming “Wine in Tubes” begonnen. De onderneming richtte zich op de verkoop van (glazen en plastic) cilinders (tubes) gevuld met één glas wijn per cilinder.
2.3
Op 4 maart 2015 is Tubes opgericht. Haar statutaire doel is onder meer “
het ontwikkelen, produceren, importeren, exporteren, bottelen en distribueren van voedsel- en drankproducten”. [bestuurder C] heeft zijn onderneming “Wine in Tubes” ingebracht in Tubes. [minderheidsaandeelhouder] kreeg en houdt 25% van de aandelen in Tubes en CBC kreeg en houdt 75% van de aandelen in Tubes. Het bestuur van Tubes werd aanvankelijk gevormd door [bestuurder A] , [bestuurder B] (vanaf 2017 tot mei 2022) en [bestuurder C] . [bestuurder C] is eind 2023 ontslagen als bestuurder van Tubes. Het bestuur van Tubes wordt thans gevormd door [bestuurder D] (vanaf 1 juli 2021) en [bestuurder A] (via hun persoonlijke holdings).
2.4
CBC is opgericht op 20 februari 2015. CBC is een 100% dochtervennootschap van CCC. Het bestuur van CBC werd aanvankelijk gevormd door [bestuurder A] , [bestuurder B] en nog een derde. Thans is [bestuurder A] (via zijn persoonlijke holding LFL) enig bestuurder van CBC.
2.5
CCC is opgericht op 18 november 2013. [bestuurder A] , [bestuurder B] en [bestuurder D] houden indirect een minderheidsbelang in CCC. [meerderheidsaandeelhouder] (hierna: [meerderheidsaandeelhouder] ) houdt indirect een meerderheidsbelang in CCC. Het bestuur van CCC werd aanvankelijk gevormd door [bestuurder A] , [bestuurder D] en [bestuurder B] . Het bestuur van CCC wordt inmiddels gevormd door [bestuurder A] en [bestuurder D] (via hun persoonlijke holdings).
2.6
Op 20 februari 2015 is Creative Products Company B.V. opgericht, wier naam op 17 augustus 2017 is gewijzigd in TUBES Production Company B.V. (hierna TPC). Sedertdien luidt het statutaire doel van TPC onder meer en voor zover thans relevant, “
het produceren van glazen en pet tubes, of elk ander formaat in de breedste zin van het woord, en het vullen van deze met elk toegestaan product dan ook”. CCC was en is enig aandeelhouder van TPC. De bestuurders van TPC waren aanvankelijk [bestuurder B] (tot mei 2022) en [bestuurder A] (via zijn persoonlijke holding). De bestuurders van TPC zijn thans [bestuurder A] en [bestuurder D] (vanaf 1 juli 2021) (via hun persoonlijke holdings).
2.7
Tubes beschikte over een afvulmachine en vanaf juli 2017 over een afvullijn waarmee handmatig lege tubes konden worden gevuld, gesloten en bedrukt.
2.8
Vanaf medio 2018 is TPC met wijn gevulde tubes gaan leveren en factureren aan (onder meer) Vinebox, Ahold, Delhaize en Jumbo.
2.9
Bij e-mail van 10 december 2019 heeft [bestuurder A] onder meer aan [bestuurder C] bericht:

Beste [bestuurder C] ,
Het jaar is weer bijna om. In oktober, en vaker dit jaar, hebben we een gesprek gehad over mijn zorg om[Tubes]
als bedrijf, de achterblijvende resultaten, en jouw rol als aandeelhouder/directeur hier in en in de toekomst. De afgelopen jaren hebben we vaker gesprekken gehad, waarin ik heb aangegeven dat ik van mening ben dat je veel meer de verantwoordelijkheid op je had moeten en zou moeten nemen binnen[Tubes]
. Dit is in mijn ogen niet gebeurd. In ons laatste gesprek hierover in oktober heb ik aangegeven dat het met deze resultaten weinig zin heeft om de entiteit[Tubes]
door te zetten, omdat deze structureel verlies lijdt en er ook geen aantoonbare verbetering in lijkt te zitten. Daarnaast hebben wij vanuit het moederbedrijf dermate geïnvesteerd dat het ook tijd wordt om in te grijpen om een gezonde werksituatie te bewerkstelligen voor alle partijen. Ik heb daarom geopperd om[Tubes]
te integreren in[TPC]
en enkel vanuit[TPC]
te gaan werken per 2020.
2.1
Bij e-mail van 12 december 2019 heeft [bestuurder C] onder meer aan [bestuurder A] geantwoord:

We zijn in het verleden een samenwerking aangegaan op basis van het geloof in Tubes als succesvol concept. Dit geloof ben ik niet verloren en ik zou nog steeds in de vorm van aandeelhouder een bijdrage willen blijven leveren aan het uitbouwen van het succes hiervan. Graag ga ik dan ook het gesprek aan om te kijken hoe we op deze basis samen verder kunnen bouwen aan[Tubes]
.
2.11
Bij e-mail van 7 januari 2020 heeft [bestuurder A] aan [bestuurder C] onder meer bericht:

Beste [bestuurder C] ,
Sinds 2015 is er door moedermaatschappij CCC 1.282.000 euro in[Tubes]
I geïnvesteerd. Er is nog geen winst gemaakt, en wordt ook niet verwacht in de huidige situatie, dus zal deze lening ook niet vanuit[Tubes]
aan CCC terug voldaan kunnen worden. CCC kan op haar beurt de investeringen niet alleen blijven dragen, officieel gezien had[ [minderheidsaandeelhouder] ]
dit zelfs voor 25% van dit bedrag moeten doen. Als we op deze manier door gaan, dan zal[ [minderheidsaandeelhouder] ]
toch moeten gaan bijstorten. Dit is, nemen wij aan, niet wenselijk, en verandert de situatie niet voor de toekomst. Zoals besproken moeten we daarom dus aanpassen om een gezonde toekomst tegemoet te gaan, het liefst gezamenlijk vanuit één structuur.
We stellen daarom voor om de 25% aandelen van[ [minderheidsaandeelhouder] ]
in[Tubes]
te ruilen voor 1% van de aandelen in de moedermaatschappij CCC. Voorwaarde daarbij is dat de openstaande facturen van 2019 van[ [minderheidsaandeelhouder] ]
aan[Tubes]
worden omgezet in een achtergestelde lening, dit is ongeveer 35K euro.[Tubes]
heeft momenteel niet de financiële middelen om deze facturen te voldoen.
2.12
Bij e-mail van 13 januari 2020 heeft [bestuurder C] aan [bestuurder A] onder meer bericht:

Bedankt voor deze uiteenzetting en voorstel.
Zoals besproken is het voor alle partijen beter om Tubes en TPC samen te voegen en onder één structuur verder te gaan.
In Tubes is door veel mensen veel geld, tijd en energie geïnvesteerd en het is vervelend dat dit, om verschillende redenen, nog niet heeft geleid tot het gewenste resultaat.
(…).
De door mij in de afgelopen 10 jaar geïnvesteerde en in de komende jaren te investeren middelen, tijd en energie, in combinatie met de door Wine In Tubes gelegde basis van Tubes zijn in mijn ogen echter meer waard dan 1% van de op dit moment op 5 miljoen gewaardeerde CCC.
Gezien bovenstaande investeringen in verleden en toekomst stel ik voor om de 25% aandelen van[ [minderheidsaandeelhouder] ]
in[Tubes]
te ruilen voor 5% van de aandelen in moedermaatschappij CCC.
2.13
Bij e-mail van 16 juni 2020 heeft [bestuurder C] onder meer het volgende aan [bestuurder A] bericht:

In januari hebben we besproken dat Tubes en TPC verder zullen gaan onder één structuur, de aandelen van[ [minderheidsaandeelhouder] ]
in[Tubes]
in worden geruild voor aandelen in de moedermaatschappij CCC (…).
(…).
Ik heb destijds aangegeven hiermee akkoord te gaan, zij het met een percentage van 5% van de aandelen in de moedermaatschappij CCC.
Inmiddels zijn we alweer een half jaar verder en ontvang ik al bijna 1,5 jaar geen enkele vergoeding voor mijn werkzaamheden.
2.14
Vanaf september 2020 tot en met april 2021 heeft [minderheidsaandeelhouder] (met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020) op suggestie van [bestuurder A] haar management fee gedeclareerd bij TPC. Met ingang van 1 mei 2021 is [bestuurder C] in dienst getreden van CCC.
2.15
Bij e-mail van 18 maart 2022 heeft [bestuurder D] aan [bestuurder C] het voorstel gedaan om, in plaats van aandeelhouder te blijven in Tubes, deel te nemen in een door CCC te implementeren
Stock Appreciation Rights(SAR) programma. Overeenstemming over deelname van [bestuurder C] aan dit programma is niet bereikt.
2.16
Op 10 oktober 2022 is Tubes Gifts B.V. (hierna: Tubes Gifts) opgericht. [bestuurder A] en [bestuurder D] zijn bestuurders van Tubes Gifts. TPC houdt 70% van de aandelen in Tubes Gifts. De overige 30% van de aandelen in Tubes Gifts worden gehouden door derden.
2.17
Het dienstverband tussen [bestuurder C] en CCC is met ingang van 30 november 2023 beëindigd. Op de aandeelhoudersvergadering van Tubes van 19 december 2023 is besloten tot ontslag van [bestuurder C] als statutair bestuurder van Tubes.
2.18
Tubes heeft vanaf medio 2017 tubes geleverd en gefactureerd aan De Bijenkorf B.V. (hierna: De Bijenkorf). Vanaf 2022 zijn tubes aan De Bijenkorf geleverd en gefactureerd door TPC en niet langer door Tubes.
2.19
Tubes heeft vanaf medio 2017 tubes geleverd aan Greetz B.V. (hierna: Greetz). In 2020 bedroeg de omzet van Greetz bij Tubes circa € 145.000. In 2021 is tussen TPC en Greetz een master supply agreement gesloten. De omzet van Greetz bij TPC bedroeg in 2021 circa € 200.000.
2.2
Tubes heeft vanaf 2018 tubes geleverd en gefactureerd aan Tastemakers B.V. (hierna Tastemakers). Vanaf 2021 zijn tubes aan Tastemakers geleverd en gefactureerd door TPC en niet langer door Tubes.
2.21
In een door CCC c.s. overgelegd overzicht is onder meer het volgende vermeld over omzet en netto resultaat van Tubes en TPC:
Tubes BV TPC BV
(…) Omzet netto resultaat Omzet netto resultaat
(…)
2018 602.468 (114.859) 2018 571.508 (235.091)
2019 462.151 (287.676) 2019 972.195 (142.441)
2020 311.570 (161.402) 2020 2.898.337 (284.673)
2021 6.070 (150.946) 2021 5.565.434 (266.608)
2022 74 2022 5.110.637 (2.719.882).

3.De gronden van de beslissing

De beoordeling van het uittredingsverzoek
3.1
[minderheidsaandeelhouder] heeft aan haar verzoek tot uittreding ten grondslag gelegd dat zij door de gedragingen van CBC, CCC en Tubes zodanig in haar rechten of belangen wordt geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Als toelichting heeft [minderheidsaandeelhouder] - samengevat - naar voren gebracht dat de activiteiten en de omzet van Tubes door CBC, CCC en Tubes zijn overgeheveld van Tubes naar TPC en dat CCC en CBC op die manier hebben getracht om zich kosteloos te ontdoen van [minderheidsaandeelhouder] als medeaandeelhouder. De afspraak bij oprichting van Tubes was dat CCC de verdere investeringen in Tubes voor haar rekening zou nemen. Dit was de reden dat [minderheidsaandeelhouder] , hoewel [bestuurder C] de bedenker was van het hele tubes-concept, slechts een belang van 25% in Tubes verkreeg en CCC (indirect, via CBC) een belang van 75%. CCC en CBC verkozen echter investeringen te doen in TPC, waarin [bestuurder C] geen (indirect) belang hield, en de activiteiten (waaronder klanten) en
corporate opportunitiesvan Tubes over te hevelen naar TPC. Sedert 2018 is door TPC omzet gerealiseerd die aan Tubes toekwam. TPC is zowel tubes gaan produceren als gaan verkopen, terwijl verkoop van gevulde tubes niet binnen de statutaire doelomschrijving van TPC viel, maar wel binnen het statutaire doel van Tubes. De activiteiten vormden aldus een
corporate opportunityvoor Tubes. In die periode waren [bestuurder A] en [bestuurder B] bestuurders van TPC; zij waren (naast [minderheidsaandeelhouder] ) tevens bestuurders van Tubes. In die laatste hoedanigheid hebben zij gehandeld in strijd met hun loyaliteitsverplichting jegens Tubes. [minderheidsaandeelhouder] was niet op de hoogte van de activiteiten van TPC en heeft nooit ingestemd met de gang van zaken. Het resultaat is dat [minderheidsaandeelhouder] een aandelenbelang van 25% houdt in een onderneming die door de gedragingen van CCC/CBC en/of Tubes (feitelijk: door [bestuurder A] en [bestuurder B] ) geen waarde meer heeft en waarvoor [minderheidsaandeelhouder] niet is gecompenseerd. Omdat Tubes niet betaalde is [minderheidsaandeelhouder] zijn managementvergoeding noodgedwongen aan TPC gaan declareren en is [bestuurder C] noodgedwongen bij CCC in dienst getreden.
3.2
CCC c.s. hebben daartegenover gemotiveerd betwist dat [minderheidsaandeelhouder] door gedragingen van CCC, CBC en/of Tubes zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Volgens CCC c.s. was Tubes geen producent maar een distributeur van bestaande tubes, die zich vooral op de Nederlandse/Benelux markt richtte. Naar aanleiding van problemen met de bestaande tubes-leverancier van Tubes, die de producten kant-en-klaar aanleverde, is in 2017 besloten om de productie van tubes zelf ter hand te nemen. Het oorspronkelijke doel was het produceren ten behoeve van verkooppartners, waarvan Tubes er één was. De productie is ondergebracht bij een bestaande vennootschap van CCC die toen is hernoemd tot TPC. Het was de bedoeling dat anderen zouden mee-participeren, maar uiteindelijk bleek niemand daartoe bereid, ook [bestuurder C] niet. CCC heeft daarom alle investeringen in TPC alleen gedaan. Binnen de TPC is vervolgens een industriële botteling-fabriek met grote machines en een grote output opgezet, waarin gecertificeerde producten konden worden geproduceerd. Door de grote investeringen in TPC, die dus in de basis een productiemaatschappij was, kon TPC op enig moment aan productontwikkeling doen en nieuwe producten (waaronder nieuwe technische tubes) op de markt brengen, waarmee zij zelf nieuwe (inter)nationale klanten kon bedienen. In dat verband noemen CCC c.s. Vinebox, Watermill Wines, Ahold, Delhaize en Jumbo. Deze klanten had Tubes nooit kunnen bedienen. De afvullijn van Tubes was op instigatie van Rabobank weliswaar gekocht door (en stond op de balans van) Tubes (als enige vennootschap met omzet op dat moment), maar werd gebruikt door en geleased aan TPC. Die machine wordt nog maar minimaal gebruikt. Tubes beschikte niet over de industriële productiefaciliteit om grote hoeveelheden tubes te produceren en evenmin over de noodzakelijke certificering en licenties om maatwerkproducten voor deze partijen te kunnen maken. Uit de in het geding gebrachte omzetcijfers volgt weliswaar dat sedert 2019 de omzet van Tubes daalde waar die van TPC steeg, maar daaruit mag niet worden afgeleid dat er omzet van Tubes is overgeheveld naar TPC. De realiteit is, dat zonder de faciliteiten van TPC deze klanten niet konden worden bediend en deze omzetten überhaupt niet zouden zijn gerealiseerd.
Volgens CCC c.s. heeft Tubes van de investering in TPC geprofiteerd, omdat TPC goedkoper aan haar leverde dan Tubes’ oorspronkelijke leverancier deed. “Wine in tubes” was intussen sedert 2014 verlieslatend en dat is met Tubes, ondanks investeringen van CCC c.s. ter grootte van in totaal bijna € 1,3 miljoen, nooit anders geweest. Omdat de resultaten van Tubes structureel achterbleven is begin 2020 besloten tot het opzetten van een nieuwe structuur, die erop neerkwam dat de activiteiten van Tubes en TPC zouden worden samengevoegd en dat alle klanten voortaan zouden worden bediend vanuit TPC. Dat gold ook voor de drie klanten waaraan Tubes al eerder had geleverd: De Bijenkorf, Greetz en Tastemakers. [minderheidsaandeelhouder] is, als medebestuurder van Tubes, akkoord gegaan met de nieuwe structuur. [minderheidsaandeelhouder] is in 2020 op suggestie van [bestuurder A] ook haar management fee gaan declareren aan TPC en [bestuurder C] is later in dienst getreden van CCC. In verband met de nieuwe structuur heeft [bestuurder A] [bestuurder C] begin 2020 aangeboden zijn 25%-belang in Tubes in te ruilen voor een belang van 1% in CCC. [bestuurder C] was op zich akkoord met een ruil, maar niet met het percentage: hij wilde (in ieder geval) 5% van de aandelen in CCC.
Volgens CCC c.s. zou het niet in het belang van [minderheidsaandeelhouder] zijn geweest als de investering in de productiefaciliteit in Tubes zou zijn gedaan, in plaats van in TPC. In dat geval zou [minderheidsaandeelhouder] , gezien de omvang van de benodigde investeringen, namelijk enorm zijn verwaterd omdat iedere investeerder, en dus ook CCC, alleen bereid zou zijn geweest om dergelijke investeringen in Tubes te doen als daar een groter aandelenbelang tegenover zou staan. [bestuurder C] deelneming in Tubes zou dan gemarginaliseerd zijn. Aldus steeds CCC c.s.
3.3
Ten aanzien van het uittredingsverzoek overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Voor de toewijzing van een verzoek tot uittreding tegen een medeaandeelhouder is vereist dat de verzoeker door gedragingen van die medeaandeelhouder zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Een verzoek tot uittreding kan ook worden ingesteld tegen de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden. Dan geldt hetzelfde criterium voor toewijzing, met dien verstande dat in plaats van ‘gedragingen van die medeaandeelhouder’ moet worden gelezen: gedragingen van één of meer medeaandeelhouders of de vennootschap zelf.
3.4
De Ondernemingskamer stelt voorop dat gedragingen van CCC in de beoordeling van dit uittredingsverzoek kunnen worden betrokken. CCC is weliswaar niet rechtstreeks aandeelhouder van Tubes, maar houdt haar belang in Tubes via het door haar gecontroleerde CBC, die slechts de functie van tussenholding heeft, en bepaalde het beleid van CBC. [bestuurder A] en [bestuurder B] waren (mede-) bestuurder van CCC, CBC, TBC en Tubes in de periode waar het hier om gaat. Daarom kunnen de gedragingen van (persoonlijke vennootschappen van) [bestuurder A] en [bestuurder B] , ook in hoedanigheid van bestuurders van CCC (en, voor zover relevant, TPC) in zoverre aan CBC worden toegerekend, dat deze voor de beoordeling van dit uittredingsverzoek worden beschouwd als de gedragingen van de medeaandeelhouder als bedoeld in artikel 2:343 lid 1 BW Pro.
3.5
Wat betreft de vraag of met de investering in (en door de activiteiten van) TPC is gehandeld in strijd met de loyaliteitsverplichting die de bestuurders van Tubes in acht behoorden te nemen, overweegt de Ondernemingskamer als volgt. De bestuurstaak behelst mede de verplichting om loyaliteit jegens de vennootschap en haar onderneming te betrachten (vgl. OK 17 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1119, OK 31 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2006 en OK 15 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:366). De aard en inhoud van deze loyaliteitsverplichting hangt steeds af van de omstandigheden van het geval. In beginsel brengt deze verplichting mee dat een bestuurder niet direct of indirect een activiteit uitoefent die concurreert met een activiteit van de vennootschap of haar onderneming (vgl. OK 26 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:539).
3.6
Een document (anders dan de statuten) waaruit volgt welke activiteiten partijen bij het aangaan van de samenwerking precies voor ogen stonden, en binnen welk geografisch gebied, is niet voorhanden. Sinds 2018 zijn er activiteiten door TPC verricht, te weten de productie en verkoop van tubes, die in ieder geval volgens de statutaire doelomschrijving van Tubes (ook) door Tubes hadden kunnen worden uitgevoerd. Uit die statutaire doelomschrijving volgt namelijk dat daaronder zowel de productie, de botteling als de distributie van voedsel- en drankproducten viel. Dat Tubes daadwerkelijk als producent moest worden beschouwd, is echter twijfelachtig. Weliswaar beschikte zij sedert 2017 over een afvullijn (zij het een aanmerkelijk eenvoudiger type dan waarover TPC inmiddels beschikt) maar in het licht van het (niet voldoende betwiste) verweer van CCC c.s. dat de afvullijn om financiële redenen op de balans van Tubes stond is dat weinig zeggend. Wat TPC betreft staat vast dat zij in opzet louter een productiemaatschappij van tubes was; dat volgt ook uit haar statutaire doelomschrijving. Pas later is TPC ook zelf klanten gaan beleveren.
3.7
De (verkoop)activiteiten van TPC en Tubes lijken daarmee een overlap te hebben vertoond. Uit door [minderheidsaandeelhouder] overgelegde producties volgt dat (ook) [bestuurder C] in de periode 2017-2019 contact had met de klanten Vinebox, Watermill Wines en Albert Heijn over de levering van tubes; deze klanten zijn uiteindelijk door TPC bediend.
3.8
In de catalogus van 2018 wordt enerzijds vermeld dat Tubes al sinds 2011 bestaat en sinds 2015 deel uitmaakt van CCC, maar wordt als contact TPC vermeld. Ook de website (www.tubes.nl) en de e-mailadressen (@tubes.nl) van Tubes en TPC waren dezelfde. Naar buiten toe werd kennelijk geen onderscheid gemaakt tussen Tubes en TPC.
3.9
Toch hebben [bestuurder A] en [bestuurder B] naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet wezenlijk gehandeld in strijd met hun loyaliteitsverplichting jegens Tubes. [minderheidsaandeelhouder] heeft namelijk niet bestreden dat grote investeringen nodig waren om het tubes-concept levensvatbaar te laten zijn en daarmee, ook als distributeur, grote, internationale, klanten te kunnen bedienen. Voor zover [minderheidsaandeelhouder] erover klaagt dat de (omvangrijke) investeringen die CCC daartoe heeft gedaan, niet in TPC maar in Tubes hadden moeten plaatsvinden, heeft zij dat betoog niet voldoende onderbouwd. Zij is met name niet ingegaan op het betoog van CCC c.s. dat het resultaat van Tubes al jaren achterbleef bij de verwachtingen (vast staat dat Tubes nooit winstgevend is geweest), dat geen verbetering zichtbaar was en dat CCC niet bereid was om de grote investeringen die nodig waren om het tubes-concept levensvatbaar te laten zijn in Tubes te doen zonder dat dat zijn weerslag in de aandeelhoudersstructuur zou krijgen. Dat [minderheidsaandeelhouder] had willen mee-investeren in Tubes door het leveren van een financiële bijdrage, is nergens uit gebleken en dat hij bereid zou zijn geweest zodanig te verwateren dat zijn belang in Tubes zou zijn gemarginaliseerd, evenmin. Als onvoldoende bestreden staat verder vast dat [bestuurder C] is aangeboden mee te participeren in TPC maar dat hij daarvoor geen belangstelling had. Onder deze omstandigheden valt niet vol te houden dat de activiteiten die CCC met TPC is gaan uitvoeren, aan Tubes behoorden toe te komen. In zoverre kan niet worden geoordeeld dat de bestuurders van Tubes hebben gehandeld in strijd met hun loyaliteitsverplichting.
3.1
Dat ligt echter anders voor de activiteiten die onbestreden door Tubes werden uitgevoerd en die als gevolg van de nieuwe structuur in 2020 door TPC zijn overgenomen. CCC c.s. hebben in deze procedure erkend dat na het invoeren van de nieuwe structuur de drie klanten waaraan Tubes reeds had geleverd, De Bijenkorf, Greetz en Tastemakers, zijn “overgezet” naar TPC. Het besluit tot introductie van de nieuwe structuur, dat noodzakelijkerwijs meebracht dat de activiteiten van Tubes zouden worden gestaakt, vormt onmiskenbaar een schending van de loyaliteitsverplichting van de bestuurders van Tubes.
3.11
Het besluit tot de nieuwe structuur is genomen op het niveau van CCC. Dit blijkt uit de e-mail van [bestuurder A] (bestuurder van CCC en CBC) van 10 december 2019 (zie 2.9). Aan het besluit is vervolgens uitvoering gegeven. [bestuurder C] heeft zich daartegen niet verzet en heeft op 13 maart 2020 nog geschreven dat “
het voor alle partijen beter is om Tubes en TPC samen te voegen en onder één structuur verder te gaan”. Dat [minderheidsaandeelhouder] haar management fee sinds 2020 in rekening mocht brengen bij TPC en dat [bestuurder C] later bij CCC in dienst is getreden, laat onverlet dat het besluit van CCC tot introductie van de nieuwe structuur tot gevolg had dat het belang van [minderheidsaandeelhouder] in Tubes in waarde is verminderd; in die vennootschap vinden immers geen activiteiten meer plaats. In aanmerking genomen dat [bestuurder C] bovendien enige tijd later als bestuurder van Tubes is ontslagen en zijn arbeidsovereenkomst met CCC is geëindigd, is de conclusie gerechtvaardigd dat [minderheidsaandeelhouder] door gedragingen van CCC, die aan haar dochtervennootschap CBC (mede-aandeelhouder van [minderheidsaandeelhouder] ) worden toegerekend, zodanig in haar rechten en belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Dat [minderheidsaandeelhouder] medeverantwoordelijkheid draagt voor het feit dat Tubes geen activiteiten meer uitvoert, althans zich daar in 2020 niet tegen heeft verzet, doet daaraan niet af. De slotsom is dat het uittredingsverzoek van [minderheidsaandeelhouder] toewijsbaar is jegens haar medeaandeelhouder CBC.
3.12
[minderheidsaandeelhouder] heeft onvoldoende toegelicht op welke grond CCC zou kunnen worden bevolen (al dan niet bij wege van samenhangende vordering) tot overname van de aandelen van [minderheidsaandeelhouder] . In het licht van de door beide partijen ingenomen stelling dat Tubes geen middelen heeft, heeft [minderheidsaandeelhouder] voorts onvoldoende toegelicht welk belang zij heeft bij een toewijzing van haar vordering (tot inkoop eigen aandelen) jegens Tubes. In zoverre komt het verzoek van [minderheidsaandeelhouder] niet voor toewijzing in aanmerking.
Prijsbepaling
3.13
Voor de vaststelling van de prijs van de over te nemen aandelen geldt als uitgangspunt dat [minderheidsaandeelhouder] recht heeft op een reële en redelijke vergoeding voor de waarde van haar aandelen. Wat betreft de peildatum van de waardering geldt als uitgangspunt de datum van deze beschikking. [minderheidsaandeelhouder] heeft in haar verzoekschrift bij herhaling aangevoerd dat de aandelen Tubes sinds de nieuwe structuur geen waarde meer vertegenwoordigen. CCC c.s. hebben dat standpunt nergens (gemotiveerd) weersproken. De Ondernemingskamer gaat er daarom van uit dat de waarde van de aandelen Tubes die [minderheidsaandeelhouder] bezit op dit moment nihil is.
Billijke verhoging
3.14
De Ondernemingskamer zal het verzoek van [minderheidsaandeelhouder] om toepassing van een billijke verhoging (artikel 2:343 lid 3 BW Pro) toewijzen, omdat aannemelijk is dat gedragingen van CCC hebben geleid tot een waardevermindering die niet (volledig) voor rekening van [minderheidsaandeelhouder] behoort te blijven. De gedragingen die de Ondernemingskamer daarbij in ogenschouw neemt, zijn de onder 3.10 en 3.11 beschreven gedragingen van CCC, te weten het introduceren van de nieuwe structuur die tot gevolg had dat alle activiteiten van Tubes (in het bijzonder het bedienen van een drietal klanten) werden overgenomen door TPC. [minderheidsaandeelhouder] is daarmee slechts akkoord gegaan onder de voorwaarde dat zij zou worden gecompenseerd. Daarover hebben weliswaar op initiatief van CCC onderhandelingen plaatsgevonden, maar die hebben niet tot resultaat geleid. Er heeft dus geen compensatie voor waardevermindering plaatsgevonden.
3.15
De Ondernemingskamer wijst erop dat de wijze waarop zij bij de vaststelling van de billijke verhoging rekening houdt met de benadelende handelingen naar vaste rechtspraak niet strekt tot (volledige) vergoeding van mogelijk door [minderheidsaandeelhouder] geleden schade als gevolg van die benadelende gedragingen. De Ondernemingskamer beoogt slechts die benadelende gedragingen in zodanige mate te betrekken bij de vaststelling van de billijke verhoging, dat de prijs voor de over te dragen aandelen redelijk is (zie ECLI:NL:GHAMS:2025:3286 - i3).
3.16
De Ondernemingskamer overweegt reeds nu dat geen aanleiding bestaat voor de toekenning van een billijke verhoging ter grootte van de waarde van 25% van de aandelen in CCC, zoals door [minderheidsaandeelhouder] is verzocht. Uit het voorgaande volgt dat, behoudens het onder 3.10 overwogene, aan Tubes geen (verdere) waarde is onttrokken. Herhaald zij dat [minderheidsaandeelhouder] onvoldoende heeft weersproken dat voor het kunnen bedienen van grote (internationale) klanten (zoals Ahold, Delhaize en Jumbo) aanvullende investeringen ten behoeve van certificeringen, accijns-licenties en maatwerkproducten dienden te worden gedaan. Dat de in Tubes Gifts ontplooide activiteiten als een schending van de loyaliteitsverplichting door de bestuurders van Tubes moeten worden aangemerkt, heeft [minderheidsaandeelhouder] eveneens onvoldoende duidelijk gemaakt.
3.17
Het besluit van CCC tot introductie van de nieuwe structuur, waardoor vanaf begin 2020 geen activiteiten meer vanuit Tubes zouden worden ontplooid en de klanten, waaronder de bestaande klanten van Tubes, voortaan alleen nog vanuit TPC zouden worden bediend, is genomen zonder een kenbare beoordeling van de waarde van de door TPC overgenomen activiteiten van Tubes. Ter bepaling van de billijke verhoging zal de Ondernemingskamer daarom een deskundige vragen om haar daarover te adviseren.
Benoeming deskundige
3.18
De Ondernemingskamer zal hierna op grond van artikel 2:339 lid 1 BW Pro één deskundige benoemen en deze vragen een onderzoek te verrichten naar de waarde van de aandelen van [minderheidsaandeelhouder] in Tubes,
as is, going concern,per januari 2020 althans een door de deskundige te bepalen datum gelegen net vóór de introductie van de nieuwe structuur als gevolg waarvan TPC de activiteiten van Tubes feitelijk heeft overgenomen, met de vooruitzichten en verwachtingen die er op dat moment waren en met inachtneming van de financieringsbehoefte van Tubes die bij die verwachtingen past, en haar daarover schriftelijk te berichten. De Ondernemingskamer wijst in dat kader op de door haar gepubliceerde Leidraad voor deskundigen in de geschillenregeling (hierna: de Leidraad) die van toepassing zal zijn en waarop de deskundige acht dient te slaan.
3.19
De Ondernemingskamer laat het formuleren van de verdere uitgangspunten voor de waardering over aan het professioneel oordeel van de deskundige (zie de Leidraad onder 2.5-2.8). De deskundige wordt verzocht, zulks ter beoordeling van de deskundige, indien nodig uit te gaan van genormaliseerde financiële gegevens van de Vennootschap.
3.2
De Ondernemingskamer zal de te benoemen deskundige vragen om met inachtneming van het voorgaande binnen vier weken – of zoveel eerder als mogelijk – een plan van aanpak met een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer stelt partijen zo nodig in de gelegenheid zich over het definitieve plan van aanpak uit te laten en bepaalt vervolgens bij beschikking de hoogte (inclusief btw) van het voor de kosten van de deskundige ter griffie te storten voorschot, tenzij partijen over dit laatste punt afwijkende afspraken maken. In diezelfde beschikking zal de Ondernemingskamer bepalen binnen welke termijn de deskundige het deskundigenbericht dient uit te brengen. In dat verband hanteert de Ondernemingskamer de volgende termijnen:
Informatieverstrekking door partijen: 4 tot 6 weken
Reactie op aanvullende informatie van de wederpartij: 2 weken
Reactie op concept deskundigenbericht 4 weken
Reactie op commentaar wederpartij op conceptdeskundigenbericht 2 weken
Partijen zijn verplicht mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Het overschrijden van bovenstaande of een andere door de deskundige gestelde termijn kan worden gezien als het niet voldoen aan die verplichting. De deskundige of de Ondernemingskamer kan daaruit de gevolgtrekking maken die hij of zij geraden acht.
3.21
Na indiening van het deskundigenbericht zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk op het deskundigenbericht te reageren en hun zienswijze kenbaar te maken, waarna de Ondernemingskamer (tenzij alle partijen laten weten daarop geen prijs te stellen) een mondelinge behandeling zal bepalen ter bespreking van het deskundigenbericht en de vaststelling van de prijs van de over te dragen aandelen.
3.22
De Ondernemingskamer zal, op grond van artikel 2:340 lid 1 BW Pro, in de beschikking waarin zij de prijs van de aandelen vaststelt, bepalen wie uiteindelijk de kosten van het deskundigenonderzoek dient te dragen. Vooruitlopend daarop zal de Ondernemingskamer bepalen dat het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek voor 1/4e deel ten laste komt van [minderheidsaandeelhouder] en voor 3/4e deel ten laste van CBC. De Ondernemingskamer acht geen grond aanwezig om, zoals is verzocht, te bepalen dat het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek (deels) ten laste van CCC komt. De Ondernemingskamer zal tevens bepalen dat de deskundige niet met zijn werkzaamheden voor het opstellen van een plan van aanpak behoeft te beginnen voordat door hem een bedrag van € 15.000 als voorschot is ontvangen.
Het voorwaardelijke enquêteverzoek
3.23
Ervan uitgaande dat [minderheidsaandeelhouder] heeft beoogd dat de voorwaarde van het enquêteverzoek is ingetreden (de formulering van die voorwaarde is onduidelijk) overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Gelet op de toewijzing van het door [minderheidsaandeelhouder] gedane uittredingsverzoek is het gelasten van een onderzoek, mede gezien de daarmee gemoeide kosten, op dit moment niet in het belang van Tubes, ook indien moet worden geoordeeld dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken. Het voorwaardelijke enquêteverzoek zal daarom, voor zover vereist, worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het voorwaardelijke tegenverzoek. Daarmee bestaat ook geen grond voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
Overig
3.24
De Ondernemingskamer ziet aanleiding partijen erop te wijzen dat niet kan worden uitgesloten dat de waarde van de aandelen in Tubes op een datum gelegen kort vóór de overname van de activiteiten van Tubes door TPC (januari 2020) zeer gering zal blijken te zijn. De Ondernemingskamer geeft partijen om die reden, in ogenschouw nemend dat een waardering van aandelen een kostbare kwestie pleegt te zijn, nadrukkelijk in overweging om ter voorkoming van onnodige hoge kosten alsnog te trachten tot een minnelijke regeling te komen. Partijen worden daarom in de gelegenheid gesteld de Ondernemingskamer binnen twee weken na heden eensluidend te verzoeken om de benoeming van een deskundige voor een periode van maximaal acht weken aan te houden, zodat alsnog een minnelijke regeling kan worden beproefd.
3.25
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

De Ondernemingskamer:
wijst het voorwaardelijke verzoek van Exclusives Holding B.V. tot het gelasten van een onderzoek bij Tubes B.V. af;
houdt de zaak voor het overige aan tot 30 maart 2026 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen eensluidend te verzoeken om aanhouding van de benoeming van een deskundige voor een periode van maximaal acht weken, zoals in r.o. 3.24 bedoeld, en, bij gebreke van de ontvangst van een dergelijk eensluidend verzoek uiterlijk op 30 maart 2026 en/of een bericht van partijen dat geen minnelijke regeling tot stand is gekomen;
beveelt een onderzoek naar de waarde van de door Exclusives Holding B.V. gehouden aandelen in Tubes B.V. per januari 2020, althans een door de deskundige te bepalen datum gelegen net vóór de introductie van de nieuwe structuur als gevolg waarvan TPC de activiteiten van Tubes feitelijk heeft overgenomen;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon (deskundige) om het onderzoek naar de waarde van de door Exclusives Holding B.V. gehouden aandelen in Tubes B.V. te verrichten;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig – in de zin van artikel 190 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van de Ondernemingskamer – zal verrichten;
bepaalt dat de griffier van de Ondernemingskamer onverwijld een afschrift van deze beschikking en het procesdossier aan de deskundige zal doen toekomen;
verzoekt de deskundige binnen vier weken – of zoveel eerder als mogelijk – een plan van aanpak met een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
bepaalt dat CBC voor 3/4e deel en Exclusives Holding voor 1/4e deel het voorschot op de kosten van de deskundige zullen dragen en dat de deskundige niet met zijn werkzaamheden voor het opstellen van een plan van aanpak behoeft te beginnen voordat een bedrag van € 15.000 als voorschot is ontvangen;
bepaalt dat de deskundige, in het kader van zijn onderzoek, partijen in de gelegenheid dient te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van het onderzoek dient te blijken dat aan dit voorschrift is voldaan;
benoemt mr. W.A.H. Melissen tot raadsheer-commissaris;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.A.H. Melissen, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. E. Loesberg, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink en prof. dr. mr. S. ten Have, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.