Uitspraak
mr. O.J.W. Schotelen
mr. R.J. Laméris, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
mr. S.M. Marges,kantoorhoudende te Utrecht,
1.FNV PERSONEEL,
575 LEDEN VAN DE VERENIGING FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
mr. J.D.A. Domela Nieuwenhuis, kantoorhoudende te Amsterdam,
3.HET INTERIM-BESTUUR VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
mr. S.M. Marges,voormeld,
4.DE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
mr. M.W. Josephus Jitta,kantoorhoudende te Amsterdam,
5.DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
mr. D. Schwartzen
mr. L.C.J. Sprengers,beiden kantoorhoudende te Utrecht,
6.DE SECTORRAAD OVERHEID VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
DE SECTORRAAD VERVOER VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
DE SECTORRAAD DIENSTEN VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
DE SECTORRAAD UITKERINGSGERECHTIGDEN VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
DE SECTORRAAD ZORG EN WELZIJN VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
DE SECTORRAAD METAAL VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
12.DE SECTORRAAD HANDEL VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
DE SECTORRAAD AGRARISCH EN INDUSTRIE VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
DE SECTORRAAD ZELFSTANDIGEN VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
mr. L.C.J. Sprengersen
mr. D. Schwartz,beiden kantoorhoudende te Utrecht,
15.DE WERKORGANISATIE VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
mr. S.C.M. van Thiel,kantoorhoudende te Amsterdam,
16.Lodewijk Frans ASSCHER,
Antonius Joseph Maria HEERTS,
mr. M. Holtzeren
mr. S.E. Harenberg, beiden kantoorhoudende te Amsterdam.
- verzoeker als het ledenparlement;
- verweerster als FNV;
- belanghebbenden sub 1 en 2 als FNV Personeel c.s.
- belanghebbende sub 3 als het interim-bestuur;
- belanghebbende sub 4 als de raad van toezicht;
- belanghebbende sub 5 als de ondernemingsraad;
- belanghebbenden sub 6 tot en met 14 als de sectorraden;
- belanghebbende sub 15 als de werkorganisatie
- belanghebbenden sub 16 en 17 gezamenlijk als de OK-functionarissen.
Het verloop van het geding
2.Inleiding en feiten
governance. De OK-functionarissen hebben vervolgens in overleg met de diverse gremia binnen FNV concept-statuten opgesteld waarmee de bestaande knelpunten in de
governancezouden kunnen worden weggenomen.
governanceterwijl FNV nu juist behoefte heeft aan rust.
3.De gronden van de beslissing
governanceterwijl FNV nu juist behoefte heeft aan rust, weegt niet op tegen het belang van het ledenparlement en FNV als vakbond om de beschikking van 30 december 2025 door de Hoge Raad te laten toetsen.
Het verzoek moet bovendien worden afgewezen omdat FNV niet verplicht is het instellen van cassatieberoep door het ledenparlement te faciliteren. Het is aan het interim-bestuur om te beslissen of het, met het oog op het belang van FNV, dienstig is het ledenparlement daartoe in staat te stellen. Het interim-bestuur heeft bij het besluit om een cassatieberoep door het ledenparlement niet te faciliteren verschillende omstandigheden in zijn afweging betrokken, waaronder (i) de kosten die met een cassatieprocedure zijn gemoeid, (ii) de kans van slagen van deze procedure, (iii) de mogelijkheid van imagoschade voor FNV als gevolg van continuering van de juridische strijd, (iv) de interne onrust die het voorzetten van de procedure met zich brengt, (v) het principieel belang om de beschikking van de Ondernemingskamer in hoogste nationale instantie te toetsen en (vi) het belang van het ledenparlement om op te kunnen komen tegen een oordeel waarmee het ledenparlement het oneens is. Het interim-bestuur is op basis van de afweging van alle voorliggende belangen tot de conclusie gekomen dat FNV het meest gebaat is bij beëindiging van de onrust en onzekerheid die de enquêteprocedure voor de vereniging en alle daaraan verbonden belanghebbenden heeft meegebracht waardoor het een cassatieberoep niet in het belang van FNV acht. Het interim-bestuur heeft tot slot aangevoerd dat niet is gesteld of gebleken dat de verzochte onmiddellijke voorzieningen vereist zijn in verband met de toestand van FNV of in het belang van het onderzoek, zodat niet is voldaan aan de in artikel 2:349a lid 2 BW genoemde vereisten voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.