Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:815

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
23-003265-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 9a SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplichtigheid aan bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen en witwassen

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 25 maart 2026 arrest gewezen in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2021. De verdachte werd beschuldigd van medeplichtigheid aan bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen en witwassen. Het hof verklaarde het hoger beroep deels niet-ontvankelijk en vernietigde het vonnis voor zover het aan het oordeel van het hof was onderworpen.

Het hof oordeelde dat de verdachte medeplichtig was aan de handel in merkvervalste goederen door het leveren van merkloze jassen die voorzien werden van valse labels van bekende merken. Daarnaast werd bewezen verklaard dat de verdachte witwassen pleegde door het verhullen van de herkomst van contante geldbedragen, waaronder € 12.500,00 afkomstig uit de verkoop van jassen aan een medeverdachte. De verdediging voerde verweren aan over niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en onrechtmatigheid van telefoontaps, welke door het hof werden verworpen.

De strafrechtelijke beoordeling leidde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het hof beval tevens de onttrekking aan het verkeer van vals geld en bepaalde dat sieraden en andere goederen niet in relatie tot de bewezen feiten stonden en aan de verdachte werden teruggegeven.

De zaak bevatte uitgebreide bewijsmiddelen, waaronder tapgesprekken, observaties, verklaringen van medeverdachten en financiële overzichten. Het hof achtte de verklaring van de verdachte over de herkomst van contanten niet voldoende onderzocht door het openbaar ministerie, waardoor vrijspraak volgde voor een deel van het witwassen. De strafrechtelijke kwalificatie betrof medeplichtigheid en witwassen, waarbij het hof het primair tenlastegelegde niet bewezen achtte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden voor medeplichtigheid aan handel in merkvervalste goederen en witwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-003265-21
Datum uitspraak: 25 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-845011-18 tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2026 en 25 maart 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 is ten laste gelegd, voor zover dit betrekking heeft op witwassen van de stortingen bij Ria Financial Services van in totaal € 5.715,65 (het achtste gedachtestreepje) en de 154 sieraden met een totale waarde van € 127.329,00 (het tiende gedachtestreepje).
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

De verdachte wordt samenvattend – rekening houdend met de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – beschuldigd van het:
  • feit 1: in de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2018 als medepleger of alleen beroeps- dan wel bedrijfsmatig handelen in merkvervalste goederen. Mocht het hof dit niet bewezen vinden, dan wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij medeplichtig is geweest bij dan wel tot beroeps- dan wel bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ;
  • feit 2: in de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018 als medepleger of alleen witwassen van geldbedragen en hiervan een gewoonte maken.
De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlage. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 sprake is geweest van twee vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, waardoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De Aanwijzing intellectuele-eigendomsfraude bepaalt dat bij de bestrijding van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten in beginsel civielrechtelijke handhaving vooropstaat. In de onderhavige zaak is sprake van een hoeveelheid goederen die, gelet op de Richtlijn voor strafvordering intellectueleeigendomsfraude, in beginsel in aanmerking komt voor een transactieaanbod. Nu in casu geen transactie is aangeboden of een straf is gevorderd conform de hoogte van een transactieaanbod, is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dat er daarnaast een verdenking van gewoontewitwassen bestaat, ontslaat het openbaar ministerie niet van de plicht om de intellectuele-eigendomscomponent conform de Aanwijzing intellectuele-eigendomsfraude te behandelen.
Daarnaast zijn de telefoongesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 1] opzettelijk onjuist uitgewerkt. In tapsessie 14500 staat in de uitwerking ‘Para Jumper’, terwijl uit de audio-opname blijkt dat ‘Para Jumper model’ wordt gezegd. In tapsessie 3558 staat in de uitwerking ‘label’, terwijl uit de audio-opname blijkt dat ‘
available’ wordt gezegd. De rechter-commissaris heeft vervolgens op basis van deze onjuist uitgewerkte tapgesprekken een machtiging verleend tot het plaatsen van een telefoontap op de telefoon van de verdachte, waardoor de telefoontap onrechtmatig is. Primair dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, subsidiair dienen alle resultaten van de onrechtmatige telefoontap en de daarvan afgeleide bewijsmiddelen te worden uitgesloten van het bewijs.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. De advocaat-generaal heeft in dit verband verwezen naar de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie door de rechtbank.
Oordeel van het hof
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. De verdachte wordt niet alleen verdacht van (medeplichtigheid aan) handel in merkvervalste goederen, maar ook van medeplegen van gewoontewitwassen. Gelet hierop is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel door een strafeis die niet conform de hoogte van een mogelijk transactieaanbod voor merkfraude is. De strafeis is immers mede ingegeven door het (door de advocaat-generaal bewezen geachte) medeplegen van witwassen. Het verweer van de verdediging wordt op dit punt verworpen.
Uit het dossier blijkt dat de tapgesprekken waarop de verdediging wijst in de taal Urdu zijn gevoerd en met behulp van een tolk zijn uitgeluisterd en uitgewerkt. Dit heeft de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg bevestigd. Van het opzettelijk onjuist uitwerken van deze tapgesprekken om de
rechter-commissaris op het verkeerde been te zetten, is dan ook niet gebleken, ook niet als de uitwerking van de tapgesprekken op twee onderdelen door de verdediging wordt betwist. Naar het oordeel van het hof is geen sprake geweest van het bewust of met grove onachtzaamheid schenden van de belangen van de verdachte. Het verweer van de verdediging wordt ook op dit punt verworpen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de handel van [medeverdachte 1] kan worden afgeleid uit de tapgesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 1] , de omstandigheid dat op 17 december 2017 wordt gezien dat jassen worden opgehaald bij [bedrijf 1] en worden afgeleverd bij het naaiatelier van [medeverdachte 3] , de aangetroffen merkvervalste kleding en labels bij de opslaglocatie en labels bij het bedrijf van [medeverdachte 1] en [bedrijf 1] , de bij [medeverdachte 1] aangetroffen stempels van kledingmerken en de verklaring van [medeverdachte 1] bij de raadsheer-commissaris.
Ook feit 2 kan volgens de advocaat-generaal bewezen worden verklaard, in die zin dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] (de echtgenote van de verdachte en tevens medevennoot van [bedrijf 1] ) zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 436.500,00. Deze contante gelden kunnen niet worden verklaard uit de privéopnames van [bedrijf 1] en niet is gebleken uit welke bron bedragen op die rekeningen zijn gestort. De verdediging stelt nu dat de contante gelden vanaf 2004 zijn gespaard, maar dat wordt op geen enkele manier onderbouwd en is, gelet op de slechte jaren van [bedrijf 1] , ook onwaarschijnlijk. Daarnaast is deze verklaring een aantal jaren na het wijzen van het vonnis naar voren gebracht en sluiten de door de verdediging genoemde bedragen elkaar uit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken. De verdachte kan niet worden aangemerkt als (mede)pleger of medeplichtige. De verdachte is de schakel tussen de fabrikant en de detailhandel door kleding te verkopen die vrij van rechten wordt doorverkocht en door de desbetreffende winkel zelf wordt gelabeld. Er is geen sprake van nagebootste kleding, kleding gelijkend op merken als Canada Goose, Stone Island of Nike of (valse dan wel nagebootste) labels. Er is daarom geen sprake van opzet op bedrog, ook niet in voorwaardelijke zin. In de handel met [medeverdachte 1] was er voor de verdachte niets om argwanend van te worden. De verdachte had geen wetenschap van de bezigheden van [medeverdachte 1] . Dat blijkt ook niet uit de tapgesprekken. Er wordt gesproken over kleding die de verdachte met Chinese labels inkoopt en in de kleding kunnen winkels zelf labels zetten. Dat er merknamen zijn genoemd strekt enkel ter verduidelijking van kwaliteit en/of type model. De bijdrage van de verdachte – het leveren van merkloze jassen – is te ver verwijderd van de strafbare kern (het aanbrengen van valse merklabels en de verkoop als merkproduct) om als medeplichtigheid te kwalificeren.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De rechtbank is uitgegaan van een onvolledig en onjuist beeld van de contante privé-onttrekkingen uit [bedrijf 1] . Bij een volledige reconstructie van de zakelijke bankrekening blijkt dat de door de rechtbank als witgewassen aangemerkte contante bedragen (in totaal € 436.501,67) volledig kunnen worden gedekt door legale contante privé-onttrekkingen uit de onderneming. De totale contante privé-onttrekkingen uit [bedrijf 1] bedragen € 475.323,38, te weten € 423.350,00 van de bankrekening (van 2004 tot en met 2017) plus € 51.973,38 uit de kas (van 2016 tot en met 2018). De verdediging heeft een concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor de legale herkomst van de contante geldbedragen (bank- en kasreconstructie) en deze verklaring is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, gelet op de omvang van de onderneming en de aantoonbare contante privé-onttrekkingen. Het door de verdediging in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2023 overgelegde overzicht “conclusies uit bankrekeningafschriften [bedrijf 1] over de periode 2004 tot en met 2017” is door het openbaar ministerie niet weersproken.
Subsidiair heeft de raadsvrouw, indien het hof van oordeel is dat nader onderzoek noodzakelijk is, verzocht de zaak aan te houden en het openbaar ministerie op te dragen onderzoek te verrichten naar de bezoeken aan de kluis en de aangifte vermogensbelasting, door de adviseur te horen dan wel onderzoek te verrichten bij de belastingdienst. Voorts heeft de raadsvrouw, indien het hof van oordeel is dat sprake is van witwassen omdat niet duidelijk is hoe de privé-onttrekkingen van de zakelijke bankrekening weg zijn geboekt, een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de boekhouder, de heer [getuige] .
Oordeel van het hof
Het hof vindt bewezen dat de verdachte zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen (feit 1) en witwassen (feit 2) en gaat – grotendeels met de rechtbank – uit van de volgende feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen. [1]
Feiten en omstandigheden
Op 11 september 2017 ontving de FIOD een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen met de volgende informatie:
“ [medeverdachte 1] , een Pakistaan uit [plaats] , is een van de grootste handelaren in merkvervalste goederen in Nederland.”Volgens het proces-verbaal is de informatie betrouwbaar gebleken. [medeverdachte 1] blijkt eigenaar te zijn van eenmanszaak [bedrijf 2] , gevestigd op het adres [adres 2] (hierna: het bedrijfsadres). [2] Er is één persoon in loondienst, genaamd [medeverdachte 2] , een vriend van [medeverdachte 1] . [3]
Op 30 oktober 2017 ontving de FIOD van Interro Recherchediensten B.V. (hierna: Interro) een onderzoeksdossier. In de loop van 2017 is door Interro aanvullende informatie verzameld over de activiteiten van [medeverdachte 1] , welke te relateren zijn aan de handel in merkvervalste artikelen. Volgens het dossier zou [medeverdachte 1] artikelen verkopen vanuit één of meerdere opslagunits, via zogenaamde ‘kofferbakverkoop’ op diverse locaties en via één of meerdere [accounts website] . Er zou gebruik worden gemaakt van een opslaglocatie op het adres [adres 3] (hierna: de opslaglocatie). Daarnaast zou bekend zijn dat [medeverdachte 1] in 2016 en 2017 met enige regelmaat diverse leveringen van merkvervalste kleding ontving. [4]
Uit onderzoek is gebleken dat via [website] tenminste acht advertenties zijn geplaatst waarin vermoedelijk merkvervalste artikelen worden aangeboden. De advertenties zijn via het IP-adres [nummer 1] geplaatst, dat op naam van [medeverdachte 1] staat. [5]
Op 25 oktober 2017 heeft de officier van justitie een bevel ex artikel 126m Sv voor een telefoontap op het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ), in gebruik bij [medeverdachte 1] , afgegeven. Op 31 oktober 2017 wordt * [telefoonnummer 1] om 10.38 uur gebeld door de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ). Dit telefoonnummer is in gebruik bij de verdachte. [6] De inhoud van dit gesprek is als volgt:
* [telefoonnummer 1] :
Ze zijn bijna verkocht, ze zijn goed kan wat meer hebben.
* [telefoonnummer 2] :
Zeg maar wat je nodig hebt. (…)
* [telefoonnummer 1] :
Goed, doe maar 100 stuks, 4 dozen.
* [telefoonnummer 2] :
Alleen camouflage verder niets.
* [telefoonnummer 1] :
Alleen camouflage, zwarte heb ik nog en voor de dames ook alleen camouflage heb ik nodig, 4 dozen. Hoeveel wordt het?
* [telefoonnummer 2] :
100 stuks, een minuut, het is 4000.
* [telefoonnummer 1] :
4000, goed ok. Hij komt op zondag ophalen.
* [telefoonnummer 2] :
Het is prima, ik wou nog iets aan je doorgeven, de groene van mij met de label, de groene, de lange. (…)
* [telefoonnummer 2] :
Goed ik ga je terugbellen om te kijken of hij de labels heeft of niet. [7]
Om 10:47 uur vindt het volgende gesprek plaats:
* [telefoonnummer 2] :
Broer, er zitten 30 stuks in een doos niet 25. U hebt verkeerd geteld.
* [telefoonnummer 1] :
Ok, goed, doe maar 3 dozen dan. (…)
* [telefoonnummer 2] :
Geld is geen probleem, neem de voorraad, we doen zaken met jullie, als jullie spullen kunnen verkopen, geld is helemaal geen probleem. (…).
* [telefoonnummer 1] :
Goed, ik ben er niet, de andere jongen komt.
* [telefoonnummer 2] :
Het is geen probleem, de andere jongen kan komen u hebt al garantie gegeven, ik ga hem afgeven. [8]
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [medeverdachte 1] bij hem jassen zonder label kocht voor € 25,00 à € 30,00 per stuk. In een doos zitten dertig jassen. [9]
Op 1 november 2017 werd tijdens een observatie gezien dat een Peugeot met kenteken [kenteken] (hierna: de Peugeot) de opslaglocatie in- en uitreed. [10] De Peugeot staat op naam van [medeverdachte 2] . [11]
Op 5 november 2017 werd geobserveerd op het adres [adres 4] , het adres van [bedrijf 1] , de winkel van de verdachte en [medeverdachte 4] . [12] Gezien werd dat de Peugeot kwam aanrijden en dat er twee personen uitstapten, onder wie [medeverdachte 2] . [13] Zij gingen het pand naar binnen, overhandigden meerdere briefjes van € 50,00 aan een man en reden een steekwagen met daarop een grote doos naar buiten. De doos werd in de laadruimte van de Peugeot gelegd. Dit werd een aantal keren herhaald. In de dozen zaten zakken. Vervolgens reed de Peugeot naar een portiek in de [adres 5] en droegen de twee personen de dozen en losse zakken de woning op nummer [nummer 2] in. [14] Op dit adres woont [medeverdachte 3] . [15] De twee personen kwamen het portiek uit met twee blauwe vuilniszakken die zij in de Peugeot legden. Vervolgens reed de Peugeot naar de opslaglocatie en het bedrijfsadres. [16]
Op 9 november 2017 werd gezien dat de Peugeot vertrekt vanaf het adres [adres 6] . [medeverdachte 1] is als passagier ingestapt, de bestuurder is [medeverdachte 2] . Zij reden naar het adres van [medeverdachte 3] , waar vijftien grote blauwe zakken in de Peugeot werden geladen. Hierna werd gereden naar de opslaglocatie. [17] Op 10 november 2017 werd gezien dat de Peugeot stopte ter hoogte van de woning van [medeverdachte 1] . Een persoon stapt uit en [medeverdachte 1] stapt in als bestuurder. Er wordt gereden naar de opslaglocatie. [18]
Op 17 november 2017 heeft [medeverdachte 1] het volgende gesprek met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna * [telefoonnummer 3] ):
* [telefoonnummer 1] :
Of ik eh betaal hem 1 vaste maandbedrag met kleding en alles of ehh niks. 1 van de 2 moet ie accepteren toch?
* [telefoonnummer 3] :
Ja… want even heel grof gezegd voor [bedrijf 2] heb je hem niet nodig hoor. Dit is luxe. Je hebt hem niet nodig. (…)
* [telefoonnummer 1] :
Nee, ik kan het eigenlijk wel zelf. Alleen voor die andere heb ik hem nodig.
* [telefoonnummer 3] :
Ja, dus eigenlijk moet je slim zijn en hem daar gewoon een ding voor geven.
* [telefoonnummer 1] :
Heb ik al gedaan, ik geef hem een euro per kleding. [19]
Op 20 november 2017 hebben de verdachte en [medeverdachte 1] het volgende gesprek:
* [telefoonnummer 2] :
Ok heb je een doos nodig of hoeveel heb je die nodig?
* [telefoonnummer 1] :
Een doos heb ik daarvan nodig, die andere wat ik vorige keer van jou gehad heb met nep bont. (…)
* [telefoonnummer 2] :
Die met een label erop. (…)
* [telefoonnummer 1] :
Wat ik je net gestuurd heb. Dat moet je toch weten wat ik nodig heb. Maar achter moet er zijn om label in te zetten en binnen moet volle tape zijn compleet. Dit moet, als er niet zo is dan niet kopen. [20]
Op 21 november 2017 hebben de verdachte en [medeverdachte 1] de volgende gesprekken:
V:
De foto die je gestuurd hebt daar kan de label ingezet worden, maar aan de achter is dat niet.
F:
Dan is dat niet nodig.
V:
Achter wat je zegt soort strip is te niet maar label kan wel apart ingezet worden. (…)
V:
Goed, goed, maar met de strip is moeilijk te krijgen.
F:
Strip is zeer belangrijk zelfde strip die bij echte bont zit, zonder de strip mensen kopen het niet. [21]
V:
Ja het is dik voor de winter. Als je hier Canada Goose in doet en als nieuw model verkoopt gaan ze kopen. Je moet zeggen herfst… januari…
F:
Canada niet, Stone, Stone, hier wordt Stone in gedaan, niet Canada.
V:
Met Stone er in gaat lopen. Ja, Stone, je moet zeggen het is nieuw model van Stone, het is nieuwe collectie van januari. [22]
F:
Ik moet laten aanpassen, label in doen enzovoorts, het heeft extra kosten bro.
V:
Ik weet het, maar als je van Stone Island maakt en verkoopt, weet je wat een jas van Stone Island kost? Het is zelfde jas en wordt heel duur verkocht. (…)
V:
Luister een ding van mij, zoals je zei dat je met Stone Island er in, ga je verkopen, dat ga je makkelijk verkopen. Je hebt goed gedacht dat dit gaat verkopen met Stone Island erin. [23]
Ook vraagt de verdachte in een gesprek met [medeverdachte 1] of hij interesse heeft in ‘Para Jumper’, omdat hij, [medeverdachte 1] , deze eerder heeft gehad. [medeverdachte 1] heeft ‘Para Jumpers’ nodig, maar in een damesmodel, maar dat ligt ook bij de verdachte. [24]
Uit een tapgesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] van 22 november 2017 blijkt dat er vier dozen binnen zijn gekomen, het bedrag € 2.967,00 is en dat [medeverdachte 1] nog een bedrag van € 1.800,00 open heeft staan. [25]
Op 17 december 2017 werd gezien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dozen hebben opgehaald bij [bedrijf 1] (de winkel van de verdachte). Zij rijden vervolgens naar de woning van [medeverdachte 3] en laden de dozen uit. Na het uitladen worden er blauwe vuilniszaken ingeladen. Vervolgens wordt er gereden naar het bedrijfsadres. [26]
Op 20 december 2017 is via camerabeelden zichtbaar dat twee mannen op de opslaglocatie aankomen en jassen bekijken die achterin de Peugeot liggen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn hierbij aanwezig. [medeverdachte 1] wordt door de mannen betaald. [27]
Op 28 maart 2018 zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte aangehouden. Op het bedrijfsadres werden een stempelmachine en meerdere stempels aangetroffen, [28] onder andere van de merken
Canada Goose en Stone Island. [29] In de woning van [medeverdachte 3] werden zes naaimachines aangetroffen [30] en in totaal 10.070 merkvervalste labels. [31]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op bestelling merkloze jassen inkocht bij de verdachte. Het ging om 500 à 700 jassen, voor € 25,00 à € 30,00 per stuk. Vervolgens bracht hij de merkloze jassen naar [medeverdachte 3] . Zij was in het bezit van labels en naaide de labels in de jassen. Het ging om labels van merken als Stone Island en Canada Goose. Nadat de labels in de jassen waren gezet, werd [medeverdachte 1] gebeld en kon hij de jassen weer ophalen. Hij betaalde per jas € 1,50 à € 2,00 voor het innaaien van de labels. [32] [medeverdachte 1] kocht alleen bij de verdachte kleding. [33] Hij betaalde de jassen contant en kreeg van de verdachte geen factuur. [34]
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat een Pakistaan genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’ al twee jaar, sinds november 2016, in de winter jassen en labels naar haar bracht. Zij naaide de labels in de jassen. [35]
De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 4] de boekhouding van [bedrijf 1] deed. [36]
Bewijsoverweging feit 1
Gelet op het voorgaande stelt het hof met de rechtbank vast dat een samenwerkingsverband van een aantal personen heeft bestaan dat zich bezighield met handel in merkvervalste kleding. [medeverdachte 1] kocht merkloze jassen in bij de verdachte, die de jassen in het buitenland inkocht. Vervolgens werden de jassen bij [bedrijf 1] opgehaald door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en gebracht bij [medeverdachte 3] , die labels in de jassen naaide. [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] haalde(n) de jassen, inmiddels voorzien van een merklabel, weer op bij [medeverdachte 3] . De jassen werden vervolgens doorverkocht. [medeverdachte 3] ontving van [medeverdachte 1] per jas een vergoeding voor het innaaien van het label en ook [medeverdachte 2] ontving van [medeverdachte 1] per verkochte jas een vergoeding. Ook kan worden vastgesteld dat de handel gedurende de gehele ten laste gelegde periode heeft plaatsgevonden. In de telefoon van de verdachte is onder meer een whatsappgesprek van 5 november 2016 aangetroffen waarin de verdachte aan [medeverdachte 1] vraagt om een monster en een sticker van Canada Goose. [37]
De verdachte heeft verklaard dat hij alleen merkloze jassen verkocht aan [medeverdachte 1] en dat hij niet wist wat [medeverdachte 1] daarna met de jassen deed. Het hof ziet in het dossier echter concrete aanwijzingen dat de verdachte wel wist dat de jassen, nadat [medeverdachte 1] deze bij de verdachte had gekocht, werden voorzien van labels van merken als Canada Goose, Stone Island en Parajumpers. Het hof slaat met name acht op de telefonische contacten die de verdachte met [medeverdachte 1] heeft gehad, waarin gesproken is, ook door de verdachte, over het inzetten van labels van voornoemde merken in de jassen. Daar komt bij dat de verdachte op de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij twee dozen, in totaal 60 jassen, aan [medeverdachte 1] heeft verkocht. Dit komt niet overeen met de verklaringen van [medeverdachte 1] dat hij alleen bij de verdachte kleding kocht en dat het om 500 à 700 jassen ging, in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 3] dat zij sinds november 2016 is begonnen met het naaien van de labels in de jassen, de hiervoor genoemde inhoud van de tapgesprekken over het aantal dozen en het whatsappgesprek van 5 november 2016. Ook duidt het tapgesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] van 22 november 2017, inhoudende dat [medeverdachte 1] nog een bedrag van € 1.800,00 open heeft staan, op een langdurigere handelsrelatie. Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaring van de verdachte – dat hij van niets wist – ongeloofwaardig.
Vastgesteld kan worden dat de verdachte gedurende de bewezen verklaarde periode met die wetenschap als tussenhandelaar heeft gefungeerd. In dat kader had de verdachte telefonisch contact met [medeverdachte 1] . Naar het oordeel van het hof zijn deze handelingen van de verdachte te kwalificeren als medeplichtigheid, en niet als medeplegen. Dit betekent dat de verdachte van het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen.
Bewijsoverweging feit 2
Vooropgesteld wordt dat ten aanzien van de ten laste gelegde, in de gedachtestreepjes vermelde geldbedragen (te weten contante stortingen van € 10.695,00, € 10.640,00 en € 72.919,85, contante uitgaven van € 50.000,00, € 19.800,00, € 7.300,00, € 96.171,39 en € 17.333,43 en het in de kluis aangetroffen contante geldbedrag van € 151.400,00) er geen bewijs is dat deze gelden direct van misdrijf afkomstig zijn. Het hof zal daarom ten aanzien van deze geldbedragen het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast ingeval van een vermoeden van witwassen waarbij geen direct bewijs voor de brondelicten aanwezig is.
Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Van belang daarbij is alleen al dat het bedrag dat aan contanten is uitgegeven, aangetroffen en gestort fors hoger is dan de inkomsten van de winkel, zoals deze volgen uit de grootboekrekeningen van de kas van [bedrijf 1] . De verdachte heeft verklaard dat er geen verdere inkomsten waren dan die afkomstig uit [bedrijf 1] . Ook hebben meermalen contante stortingen plaatsgevonden op verschillende bankrekeningen, zijn er grote contante betalingen verricht en is contant geld aangetroffen. In de kluis van de verdachte en [medeverdachte 4] zijn meerdere coupures van € 500,00 aangetroffen en bij zeker één contante betaling, de betaling ten behoeve van de woning, is gebruikgemaakt van deze coupures. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures, terwijl coupures van € 500,00 in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn. Het is tevens een feit van algemene bekendheid dat betalingen betreffende onroerend goed niet contant worden gedaan, maar via bankrekeningen (en de notaris) verlopen.
De verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of er € 50.000,00 contant is betaald voor de overname van het huis, dat het klopt dat het geld van de badkamer afkomstig is uit de zaak en dat er geen contante betalingen aan [persoon] dan wel [bedrijf 3] B.V. hebben plaatsgevonden. Sinds 1999 worden er bedragen contant opgenomen van de zakelijke rekening. Het ‘witgeld’ lag in de kluis, omdat ze het geld van de rekening haalden. Op de zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het geld dat hij heeft verdiend met [bedrijf 1] , contant heeft opgenomen bij de bank en in de kluis heeft gelegd. Met dat geld heeft hij de contante uitgaven gedaan.
Kort samengevat komt het betoog van de verdediging erop neer dat het contant geld dat is uitgegeven in de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018 verklaard kan worden door het ‘sparen’ in de kluis van de Rabobank. De contante uitgaven zoals ten laste gelegd werden betaald uit de ‘voorraad’ contant geld in de kluis.
In dit verband heeft de verdediging onder meer de volgende stukken ingebracht:
  • een toelichting op het inkomen van 2014, 2015, 2016 en 2017 van de verdachte en een toelichting op het inkomen van 2014 van [medeverdachte 4] ;
  • een specificatie bij de aangifte van 2014 van [medeverdachte 4] en een specificatie bij de aangifte 2015 van de verdachte;
  • het rapport jaarrekening 2017 van [bedrijf 1] ;
  • een overzicht “conclusies uit bankrekeningafschriften [bedrijf 1] over de periode 2004 tot en met 2017”, opgesteld aan de hand van de bankafschriften van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] .
Deze stukken en met name het ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2023 overgelegde overzicht “conclusies uit bankrekeningafschriften [bedrijf 1] over de periode 2004 tot en met 2017” zijn door het openbaar ministerie niet weersproken.
Het hof is van oordeel dat de verdachte met deze stukken en de gegeven toelichtingen een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de hiervoor genoemde ten laste gelegde (uitgegeven contante) geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn en dat het openbaar ministerie nader onderzoek naar die verklaring had kunnen verrichten. Nu nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Aan [medeverdachte 1] verkochte jassen
Wel valt op grond van de bewijsmiddelen een rechtstreeks verband te leggen tussen de geldbedragen die de verdachte heeft ontvangen voor de verkoop van de jassen aan [medeverdachte 1] en het onder feit 1 bewezen geachte misdrijf, te weten medeplichtigheid aan beroepsmatige handel in merkvervalste goederen. Dit betreft een bedrag van € 12.500,00 (500 jassen maal € 25,00). Door het (door [medeverdachte 4] ) niet (laten) opnemen in de boekhouding van [bedrijf 1] van de verkoop van de jassen aan [medeverdachte 1] , heeft de verdachte de criminele herkomst van het (contant ontvangen) geldbedrag verhuld door het vervolgens te laten vermengen met legaal door hem ontvangen contante gelden.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte van een geldbedrag de herkomst heeft verhuld, terwijl hij wist dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was.
Het hof acht nader onderzoek naar de herkomst van de contant uitgegeven geldbedragen – nu deze geldbedragen niet worden betrokken in de bewezenverklaring – niet noodzakelijk. Het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de zaak – om het openbaar ministerie op te dragen onderzoek te verrichten naar de bezoeken aan de kluis en de aangifte vermogensbelasting – wordt daarom afgewezen. Daarnaast heeft de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de boekhouder, de heer [getuige] . Aan de gestelde voorwaarde – indien het hof van oordeel is dat sprake is van witwassen omdat niet duidelijk is hoe de privé-onttrekkingen van de zakelijke bankrekening weg zijn geboekt – is niet voldaan, zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van dit verzoek.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 subsidiairde medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , in de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging, opzettelijk
a) valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, en
b) waren die zelf valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had
te weten een hoeveelheid kleding, valselijk voorzien van het beschermd woord- en/of beeldmerk 'Canada Goose', 'Parajumpers' en 'Stone Island' hebben verkocht, te koop hebben aangeboden, hebben afgeleverd en in voorraad hebben gehad, zulks terwijl die personen het plegen van dit misdrijf als bedrijf hebben uitgeoefend,
tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in
de periode van1 november 2016 tot en met 28 maart 2018 in Nederland, opzettelijk middelen heeft verschaft, door voor die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]
- gelijkende jassen van voornoemde merken voorzien van voor die merken typische kenmerken te bestellen en af te leveren, terwijl hij wist dat deze jassen zouden worden voorzien van een vals en/of vervalst label en
- telefonisch contact te hebben over het bestellen en ophalen van gelijkende jassen van voornoemde merken voorzien van voor die merken typische kenmerken;
feit 2hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018 in Nederland, van een geldbedrag de werkelijke aard
heeftverhuld en voornoemd voorwerp voorhanden
heeftgehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de voetnoten onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden’

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk waren, die zelf valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, verkopen, te koop aanbieden, afleveren en in voorraad hebben, terwijl de schuldige het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer op zijn plaats is, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep en het feit dat de verdachte zich na het plegen van de onderhavige feiten niet meer schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten.
De raadsvrouw heeft verzocht – indien het hof het openbaar ministerie ontvankelijk acht in de vervolging – bij de straftoemeting aan te sluiten bij de transactie- en richtlijnbedragen die in vergelijke intellectuele-eigendomszaken worden gehanteerd. Primair is verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toe te passen en subsidiair een geldboete op te leggen, waarbij rekening moet worden gehouden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen die de strafzaak voor de verdachte heeft gehad.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen. Het merk- dan wel auteursrecht van een aantal rechthebbenden is geschonden. Ook wordt oneerlijke concurrentie bedreven ten opzichte van bonafide bedrijven die wel de belangen van die rechthebbenden respecteren. De merkhouders zelf lopen inkomsten mis als potentiële klanten de namaakartikelen kopen in plaats van de originele artikelen. Ook heeft de verdachte een bedrag van € 12.500,00 witgewassen. Witwassen is een ernstig strafbaar feit. Door zijn handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt witwassen van criminele gelden een bedreiging van de legale economie.
Uit het strafblad van de verdachte van 13 februari 2026 blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Het voorgaande rechtvaardigt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daar wordt in het geval van een benadelingsbedrag van € 10.000,00 tot € 70.000,00 een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden genoemd. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden. Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding artikel 9a Sr toe te passen dan wel een geldboete op te leggen.
Het hof neemt echter in aanmerking dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. De verdachte is op 28 maart 2018 in verzekering gesteld en de rechtbank heeft op 26 november 2021 vonnis gewezen, zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna twintig maanden is overschreden. Op 7 december 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Omdat het hof op 25 maart 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 27 maanden overschreden. Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep aanleiding om de gevangenisstraf van twee maanden geheel voorwaardelijk op te leggen.
Beslag
Onder de verdachte zijn samengevat sieraden en (vals) geld in beslag genomen. Ook is er beslag gelegd op de (gezamenlijke) rekeningen van de verdachte en [medeverdachte 4] en [bedrijf 1] .
Het in beslag genomen valse geld is bij gelegenheid naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen. Het behoort aan de verdachte toe en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Het valse geld wordt onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Omdat uit het dossier of onderzoek op de terechtzitting niet is gebleken dat de sieraden, het (buitenlands) geld en de rekeningen in relatie met de bewezen verklaarde feiten staan, moeten deze goederen worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 47, 48, 57, 337 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde voor zover dit betrekking heeft op witwassen van de stortingen bij Ria Financial Services van in totaal € 5.715,65 (het achtste gedachtestreepje) en de 154 sieraden met een totale waarde van € 127.329,00 (het tiende gedachtestreepje).
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
€ 44.600,00, vals geld (G.01.01.001)
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • klomp goud 50 gram (G.01.01.002 C)
  • klomp goud 50 gram (G.01.01.002 D)
  • gouden armband (G.01.01.004 D)
  • horloge merk Rado (G.01.01.004 E)
  • klomp goud 20 gms (G.01.01.011)
  • gouden armband in rood doorzichtig zakje (G.01.01.012 B)
  • gouden armband in zilverkleurig zakje (G.01.01.012 C)
  • gouden ketting (G.01.01.017 A)
  • gouden armband (G.01.01.017 B)
  • gouden armband (G.01.01.017 C)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.017 D)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.017 E)
  • gouden armband (G.01.01.020 E)
  • gouden ketting (G.01.01.020 F)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.020 G)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.020 H)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.020 I)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.020 J)
  • drie dezelfde gouden oorbellen (G.01.01.020 K)
  • gouden oorbel (G.01.01.020 L)
  • gouden oorbel (G.01.01.020 M)
  • gouden oorbel (G.01.01.020 N)
  • gouden ketting met zwarte kralen en een losse gouden schakel (G.01.01.022 A)
  • gouden ring (G.01.01.022 B)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.022 C)
  • zilveren ketting met hanger, inclusief echtheidscertificaat # [nummer 3] (G.01.01.022 D)
  • sluitingschakel met opschrift Rado (G.01.01.024 A)
  • munt Olympics 2000 Dollar swimming (G.01.01.024 B)
  • een paar gouden oorbellen in rood doosje met opschrift [bedrijf 4] (G.01.01.024 C)
  • gouden schakel (G.01.01.024 D)
  • twee zilverkleurige schakelsluitingen (G.01.01.024 E)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.024 F)
  • zilveren oorbel (G.01.01.024 G)
  • vier gouden draadjes (G.01.01.024 H)
  • munt met opschrift 1 rupees (G.01.01.024 I)
  • munt met opschrift 10’ (G.01.01.024 J)
  • munt met opschrift 5 rupees 2000 (G.01.01.024 K)
  • munt met opschrift 5 rupees (G.01.01.024 L)
  • munt met opschrift 5 rupees (G.01.01.024 M)
  • gele edelsteen (G.01.01.025 A)
  • groene edelsteen (G.01.01.025 B)
  • rode edelsteen (G.01.01.025 C)
  • briljant geslepen diamant (G.01.01.025 D)
  • briljant geslepen diamant (G.01.01.025 E)
  • briljant geslepen diamant (G.01.01.025 F)
  • goudkleurige munt met opschrift Willem van Oranje (G.01.01.025 G)
  • goudkleurige munt met opschrift Beatrix (G.01.01.025 H)
  • twee gele edelstenen (G.01.01.025 I)
  • kapotte goudkleurige ring (G.01.01.025 J)
  • twee stuks schakel zilverkleurig (G.01.01.025 K)
  • horloge merk Rado (G.01.01.026 A)
  • zwart horloge merk Rado (G.01.01.026 B)
  • zilverkleurig horloge merk Rado (G.01.01.026 C)
  • zilverkleurig horloge merk Raymond Weil (G.01.01.026 D)
  • zilveren horloge merk Guess (G.01.01.026 E)
  • zilveren schakel (G.01.01.026 F)
  • gouden halsketting (G.01.01.027 A)
  • gouden halsketting (G.01.01.027 B)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.027 C)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.027 D)
  • gouden armband (G.01.01.027 E)
  • gouden armband (G.01.01.027 F)
  • groene edelstenen (G.01.01.028 A)
  • gouden hangertje (G.01.01.028 AA)
  • gouden ketting (G.01.01.028 B)
  • gouden ketting met [naam 1] (G.01.01.028 BB)
  • twee gouden hangers (G.01.01.028 C)
  • gouden hanger (G.01.01.028 CC)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.028 D)
  • gouden ketting (G.01.01.028 DD)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.028 E)
  • gouden armband (G.01.01.028 EE)
  • lila roze edelsteen (G.01.01.028 F)
  • gouden ketting met naam [naam 2] (G.01.01.028 FF)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.028 G)
  • gouden oorbel (G.01.01.028 H)
  • gouden oorbel (G.01.01.028 I)
  • gouden oorbel (G.01.01.028 J)
  • gouden oorbel (G.01.01.028 K)
  • gouden sluiting oorbel (G.01.01.028 L)
  • oorbel (G.01.01.028 M)
  • gouden ring (G.01.01.028 N)
  • ring met witte edelsteen (G.01.01.028 O)
  • gouden ring (G.01.01.028 P)
  • gouden ring (G.01.01.028 Q)
  • gouden ring (G.01.01.028 R)
  • gouden ring (G.01.01.028 S)
  • gouden ring (G.01.01.028 T)
  • gouden ring (G.01.01.028 U)
  • gouden ring (G.01.01.028 V)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.028 W)
  • gouden ketting (G.01.01.028 X)
  • gouden armband (G.01.01.028 Y)
  • gouden ring (G.01.01.028 Z)
  • gouden halsketting (G.01.01.029 A)
  • gouden armband (G.01.01.029 B)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.029 C)
  • een paar zilverkleurige oorbellen (G.01.01.029 D)
  • zilverkleurige halsketting (G.01.01.029 E)
  • gouden armband (G.01.01.029 F)
  • gouden armband (G.01.01.029 G)
  • gouden armband (G.01.01.029 H)
  • gouden armband (G.01.01.029 I)
  • gouden armband (G.01.01.029 J)
  • gouden armband (G.01.01.029 K)
  • gouden armband (G.01.01.029 L)
  • gouden armband (G.01.01.029 M)
  • gouden armband (G.01.01.029 N)
  • gouden armband (G.01.01.029 O)
  • gouden armband (G.01.01.029 P)
  • gouden halsketting (G.01.01.029 Q)
  • gouden hangertje (G.01.01.029 R)
  • gouden ring (G.01.01.030 A)
  • gouden ring (G.01.01.030 B)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.030 C)
  • zilverkleurige ring (G.01.01.030 D)
  • gouden ring (G.01.01.030 E)
  • gouden ring (G.01.01.030 F)
  • gouden halsketting (G.01.01.030 G)
  • zilverkleurige ring (G.01.01.030 H)
  • zilverkleurige ring (G.01.01.030 I)
  • gouden hangertje (G.01.01.030 J)
  • gouden ring (G.01.01.030 K)
  • gouden ring (G.01.01.030 L)
  • gouden armband (G.01.01.030 M)
  • gouden ring (G.01.01.030 N)
  • gouden ring (G.01.01.030 O)
  • gouden ring (G.01.01.030 P)
  • gouden ring (G.01.01.030 Q)
  • gouden ring (G.01.01.030 R)
  • een paar gouden oorbellen plus certificaat #[nummer 4], zaterdag 23 juni 2012 (G.01.01.030 S)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.030 T)
  • gouden oorbel (G.01.01.030 U)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.031 A)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.031 B)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.031 C)
  • gouden hanger (G.01.01.031 D)
  • gouden halsketting (G.01.01.031 E)
  • gouden halsketting (G.01.01.031 F)
  • gouden hanger (G.01.01.031 G)
  • meerkleurig stoffen koordje met daaraan zeven zilverkleurige bolletjes (G.01.01.031 H)
  • gouden armband (G.01.01.032 A)
  • gouden armband (G.01.01.032 B)
  • gouden armband (G.01.01.032 C)
  • gouden armband (G.01.01.032 D)
  • gouden armband (G.01.01.032 E)
  • gouden armband (G.01.01.032 F)
  • gouden armband (G.01.01.032 G)
  • gouden armband (G.01.01.032 H)
  • gouden armband (G.01.01.032 I)
  • gouden armband (G.01.01.032 J)
  • gouden armband (G.01.01.032 K)
  • gouden armband (G.01.01.032 L)
  • gouden armband (G.01.01.032 M)
  • gouden armband (G.01.01.032 N)
  • gouden armband (G.01.01.032 O)
  • gouden armband (G.01.01.032 P)
  • gouden armband (G.01.01.032 Q)
  • gouden armband (G.01.01.032 R)
  • gouden veiligheidssluiting oorbel (G.01.01.032 S)
  • zilverkleurige hanger (G.01.01.032 T)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.033 A)
  • een paar gouden oorbellen (G.01.01.033 B)
  • gouden armband (G.01.01.033 C)
  • 5,00 dollar biljet (G.01.01.002 A)
  • 52,00 Amerikaanse dollar (G.01.01.008)
  • 320,00 dollar (G.01.01.017 G)
  • 1,00 dollar (G.01.01.019 C)
  • 1.385,00 Engelse ponden (G.01.01.003)
  • 80,00 pond (G.01.01.021 B)
  • € 160,00 (G.01.005)
  • € 50.080,00 (G.01.01.002)
  • € 500,00 (G.01.01.007)
  • € 7.000,00 (G.01.01.009)
  • € 200,00 (G.01.01.011 A)
  • € 2.776,00 (G.01.01.012 A)
  • € 29.000,00 (G.01.01.013)
  • € 360,00 (G.01.01.014)
  • € 5.000,00 (G.01.01.015)
  • € 5.000,00 (G.01.01.016)
  • € 5.000,00 (G.01.01.017 F)
  • € 120,00 (G.01.01.018 A)
  • € 2.040,00 (G.01.01.019 A)
  • € 70,00 (G.01.01.020)
  • beschadigd briefje van € 50,00 (G.01.01.025 M)
  • € 4.980,00 (F.01.05.002)
  • € 5.535,00 (B.13.01.001)
  • € 760,00 (B.13.02.001)
  • € 405,00 (B.13.03.001)
  • € 220,00 (B.14.01.001)
  • vordering rekeningnummer [iban 1] t.n.v. vof [bedrijf 1]
  • vordering rekeningnummer [iban 2] t.n.v. vof [bedrijf 1]
  • vordering rekeningnummer [iban 3] t.n.v. [verdachte] en/of [medeverdachte 4]
  • vordering rekeningnummer [iban 4] t.n.v. [verdachte] en/of [medeverdachte 4]
  • vordering rekeningnummer [iban 5] t.n.v. [verdachte] en/of [medeverdachte 4]
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 maart 2026.
Mr. Meerbeek is niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.

Bijlage: tenlastelegging

Aan de verdachte is – gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
feit 1 primairhij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2018 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk
a. a) valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of
b) waren die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en/of
c) waren die ter aanduiding van herkomst valselijk van de naam van een bepaalde plaats met bijvoeging van een verdichte handelsnaam waren voorzien, en/of
d) waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe afwijking, was nagebootst, en/of
e) waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertoonden als een tekening of model waarop een ander recht had, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertoonden,
te weten (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisel en/of (strijk)labels en/of tags, valselijk voorzien van het beschermd woord- en/of beeldmerk(en) 'Canada Goose' en/of 'Parajumpers' en/of 'Philip Plein' en/of 'Stone Island' en/of 'Moncler' en/of 'Björn Borg' en/of 'Emporio Armani' en/of 'Kenzo' en/of 'Versace' en/of 'Adidas' en/of 'Dsquared' en/of 'Nike',
en/of andere beschermde woord- en/of beeldmerken, in elk geval een of meer wa(a)r(en), valselijk voorzien van (een) vals(e) en/of vervalst(e) merk(en) dan wel valselijk voorzien van een andere handelsnaam en/of van een merk waar (een) ander(en) recht op heeft/hebben,
heeft/hebben ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verkocht, te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben afgeleverd, uitgedeeld en/of in voorraad heeft/hebben gehad,
zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van dit misdrijf zijn beroep heeft/hebben gemaakt en/of het plegen van dit misdrijf/misdrijven als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend;
feit 1 subsidiairde medeverdachte(en) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , althans een of meer perso(o)n(en) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2018 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk
a. a) valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of
b) waren die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en/of
c) waren die ter aanduiding van herkomst valselijk van de naam van een bepaalde plaats met bijvoeging van een verdichte handelsnaam waren voorzien, en/of
d) waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe afwijking, was nagebootst, en/of
e) waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertoonden als een tekening of model waarop een ander recht had, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertoonden,
te weten (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisel en/of (strijk)labels en/of tags, valselijk voorzien van het beschermd woord- en/of beeldmerk(en) 'Canada Goose' en/of 'Parajumpers' en/of 'Philip Plein' en/of 'Stone Island' en/of 'Moncler' en/of 'Björn Borg' en/of 'Emporio Armani' en/of 'Kenzo' en/of 'Versace' en/of 'Adidas' en/of 'Dsquared' en/of 'Nike',
en/of andere beschermde woord- en/of beeldmerken, in elk geval een of meer wa(a)r(en), valselijk voorzien van (een) vals(e) en/of vervalst(e) merk(en) dan wel valselijk voorzien van een andere handelsnaam en/of van een merk waar (een) ander(en) recht op heeft/hebben,
heeft/hebben ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verkocht, te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben afgeleverd, uitgedeeld en/of in voorraad heeft/hebben gehad,
zulks terwijl die perso(o)n(en) en/of zijn mededader(s) van het plegen van dit misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of het plegen van dit misdrijf/misdrijven als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks 1 november 2016 tot en met 28 maart 2018 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaak is geweest, door voor en/of met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , althans een of meer perso(o)n(en)
- ( dozen en/of zakken met daarin) gelijkende jassen van voornoemd(e) merk(en) (voorzien van voor dat/die merk(en) typische kenmerken) te bestellen en/of af te leveren (terwijl hij wist dat deze jassen zouden worden voorzien van (een) vals(e) en/of vervalst(e) (strijk)label(s) en/of tag(s) en/of
- (dozen en/of zakken met daarin) vals(e) en/of vervalst(e) (strijk)label(s) en/of tag(s) te bestellen en/of af te leveren en/of op voorraad te hebben en/of
- telefonisch contact te hebben over het bestellen en/of ophalen en/of wegbrengen van (dozen en/of zakken met) gelijkende jassen en/of andere kleding van voornoemd(e) merk(en) (voorzien van voor dat/die merk(en) typische kenmerken) en/of
- telefonisch contact te hebben over het inzetten en/of voorzien van (een) vals(e) en/of vervalst(e) (strijk)label(s) en/of tag(s) in die gelijkende jassen en/of andere kleding van voornoemd(e) merk(en);
feit 2hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018 te Rijsenhout en/of Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Amstelveen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of een of meerdere goed(eren) te weten
- 10.695,- euro en/of 10.640,- euro, bestaande uit een of meer bijschrijving(en) op rekening * [telefoonnummer 2] tnv [medeverdachte 4] met als omschrijving ‘voor een huis’ en/of
- 72.919,85 euro, bestaande uit een of meer contante storting(en) op rekening * [telefoonnummer 2] tnv [medeverdachte 4] en/of
- 50.000 euro, bestaande uit een contante betaling mbt roerende zaken woning en/of
- 19.800 euro, bestaande uit een contante betaling mbt een keuken en/of
- 7.300 euro, bestaande uit een contante betaling mbt een badkamer en/of
- 96.171,39 euro, althans 57.159,64 euro, bestaande uit een of meer contante betaling(en) voor verbouwing aan de woning en/of
- 17.333,43 euro, bestaande uit een of meer contante betaling(en) aan [bedrijf 3] BV en/of
- 151.400 euro, bestaande uit een of meer contante geldbedrag(en) aangetroffen in een kluis en/of
althans (telkens) enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren),
de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemd(e) voorwerp(en) is/zijn en/of voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden gehad,
(lid 1 onder sub a)
en/of voornoemd(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die/het voorwerp(en) gebruik gemaakt,
(lid 1 onder sub b)
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moet(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en van het witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met ‘DOC’ aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften.
2.AMB-010, p. 111-112.
3.V-001-01, p. 382 en 384.
4.AMB-004, p. 80.
5.AMB-015, p. 137-138.
6.V-002-01, p. 419.
7.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 31 oktober 2017, sessienummer 3558, p. 1289-1299.
8.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 31 oktober 2017, sessienummer 2562, p. 1300.
9.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 oktober 2021.
10.OBS-002, p. 285.
11.V-004-01, p. 481.
12.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 oktober 2021.
13.V-004-02, p. 492.
14.OBS-003, p. 287-289.
15.AMB-017, p. 142.
16.OBS-003, p. 289-290.
17.OBS-004, p. 300-303.
18.OBS-005, p. 318-320.
19.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 17 november 2017, sessienummer 12257, p. 496.
20.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 20 november 2017, sessienummer 13943, p. 1420-1421.
21.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 21 november 2017, sessienummer 14499, p. 1422.
22.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 21 november 2017, sessienummer 14507, p. 1424.
23.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 21 november 2017, sessienummer 14509, p. 1425.
24.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 21 november 2017, sessienummer 14500, p. 1423.
25.Een geschrift, te weten een afschrift van een telefoongesprek van 22 november 2017, sessienummer 14604, p. 1426.
26.OBS-012, p. 337-340.
27.AMB-042, p. 221-222.
28.AMB-035, p. 199.
29.AMB-036, p. 203.
30.AMB-034, p. 197.
31.AMB-032, p. 193-194.
32.V-001-01, p. 386, 388 en 390.
33.Een proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 1] van 9 maart 2020, opgemaakt door mr. J.B. Oreel, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.
34.Een proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 1] van 19 oktober 2023, opgemaakt door mr. H.S.G. Verhoeff, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam.
35.V-003-01, p. 463-466.
36.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2026.
37.AMB-053, p. 242-243 en DOC-163, p. 920.