ECLI:NL:GHAMS:2026:821

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
23-001140-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging tot doodslag en openlijk geweldplegen in vereniging

Op 13 november 2021 vond in Heemskerk een gewelddadige confrontatie plaats tussen verdachte met een groep en twee benadeelden. Verdachte en medeverdachte staken [benadeelde partij 1] meerdere keren met een mes, wat leidde tot levensbedreigende verwondingen. Het hof acht medeplegen bewezen en veroordeelt verdachte tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 20 maanden voorwaardelijk.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag op [benadeelde partij 2], maar het hof verklaart deze vrijspraak gehandhaafd wegens onvoldoende bewijs. Wel is bewezen dat verdachte openlijk geweld pleegde tegen [benadeelde partij 2]. Het hof verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat verdachte de confrontatie zocht en handelde als aanvaller.

De benadeelden vorderden schadevergoeding. Het hof kent aan [benadeelde partij 1] €31.036 toe en aan [benadeelde partij 2] €12.019, waarbij eigen schuld van de benadeelden is meegewogen. De straf en schadevergoedingen zijn gebaseerd op de ernst van het geweld, de gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappelijke impact van het delict.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding aan benadeelden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001140-24
datum uitspraak: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-176934-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1979,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van wat aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Nu het openbaar ministerie ook hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemd vonnis, specifiek tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, is dit feit in hoger beroep wel aan de orde.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
Feit 1:
Primairhij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij 1] veelvuldig, althans meerdere keren, met een mes in zijn (aan)gezicht/hoofd en/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of borst en/of rug en/of schouder(s), althans in zijn lichaam, heeft gesneden/gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiairhij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (snij- en/of steek)verwondingen in zijn (aan)gezicht en/of in/op zijn lichaam, die blijvende littekens zullen achterlaten, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij 1] veelvuldig, althans meerdere keren, met een mes in zijn (aan)gezicht/hoofd en/of in zijn lichaam, te snijden/steken;
Meer subsidiairhij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, openlijk, te weten aan de [straat] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- ( terwijl verdachte en/of de medeverdachte(n) (een) mes(sen), althans scherpe/puntige voorwerpen droeg(en)/bij zich had(den))
- het opjagen van die [benadeelde partij 1] en/of het achterna rennen van die [benadeelde partij 1] en/of het duwen van die [benadeelde partij 1] en/of het laten vallen van die [benadeelde partij 1] , en/of
- ( terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond lag) het vasthouden van die [benadeelde partij 1] en/of het op die [benadeelde partij 1] gaan zitten, en/of
- het een of meermalen slaan en/of schoppen van die [benadeelde partij 1] tegen het hoofd en/of het lichaam, en/of
- het een of meermalen steken/snijden met een mes, althans een puntig voorwerp, in het lichaam en/of (aan)gezicht van die [benadeelde partij 1]
;
Feit 2:
Primairhij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij 2] veelvuldig, althans meerdere keren, met een mes in zijn (aan)gezicht/hoofd en/of hals/nek, althans in zijn lichaam, heeft gesneden/gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiairhij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (snij- en/of steek)verwondingen in zijn (aan)gezicht en/of hals/nek, die blijvende littekens zullen achterlaten, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij 2] veelvuldig, althans meerdere keren, met een mes in zijn (aan)gezicht/hoofd en/of hals/nek, althans in zijn lichaam, te snijden/steken;
Meer subsidiairhij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, openlijk, te weten aan de [straat], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- ( terwijl verdachte en/of de medeverdachte(n) (een) mes(sen), althans scherpe/puntige voorwerp(en) droeg(en)/bij zich had(den))
- het opjagen van die [benadeelde partij 2] en/of het achterna rennen van die [benadeelde partij 2] en/of het duwen van die [benadeelde partij 2] , en/of het laten vallen van die [benadeelde partij 2] en/of
- het een of meermalen steken/snijden van die [benadeelde partij 2] met een mes, althans een puntig voorwerp, in diens lichaam en/of hals/nek en/of diens (aan)gezicht;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof, mede in verband met de in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging, tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. In dat kader heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de getuigenverklaringen in het dossier elkaar tegenspreken, dat de beschikbare camerabeelden geen zekerheid geven over de beslissende geweldshandelingen, dat een onbekend gebleven persoon steekbewegingen heeft gemaakt en dat het forensisch bewijs in het dossier het scenario van de aangevers tegenspreekt. Ook van medeplegen kan geen sprake zijn omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt welke bijdrage de verdachte heeft geleverd, waarin de samenwerking met anderen heeft bestaan en waarom die bijdrage zo zwaarwegend was dat hij als medepleger kan worden aangemerkt.
Het hof stelt, mede op basis van de eigen waarneming naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden, de volgende feiten en omstandigheden vast.
Er was sprake van een al langer lopend conflict tussen de verdachte en aangever [benadeelde partij 1] (verder: [benadeelde partij 1] ). Om [benadeelde partij 1] een lesje te leren zocht de verdachte hem op 13 november 2021 in Nederland op, tezamen met minimaal zes andere personen, waaronder de medeverdachte [medeverdachte] (verder: de medeverdachte). Zij reden vanuit Duitsland met minimaal drie auto’s naar de [straat] in Heemskerk, waar de auto’s in de buurt van het winkelcentrum werden geparkeerd. De verdachte reed in zijn eigen zwarte Mercedes S-klasse. [benadeelde partij 1] en de aangever [benadeelde partij 2] (verder: [benadeelde partij 2] ) bevonden zich op dat moment in de woning op het adres [adres 2] .
De medeverdachte en twee anderen van de groep van de verdachte liepen vervolgens naar de woning op het adres [adres 2] toe en belden daar aan. De verdachte bleef op dat moment in zijn auto, die verderop in de straat bij het winkelcentrum stond, wachten. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] kwamen daarop de woning uit. [benadeelde partij 1] had op dat moment een mes vast en [benadeelde partij 2] een slagwapen (een stuk pijp). Vervolgens ontstond voor de woning een vechtpartij tussen enerzijds drie personen uit de groep van de verdachte en anderzijds [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Tijdens die vechtpartij maakte [benadeelde partij 1] op enig moment stekende bewegingen richting een van die personen uit de groep van de verdachte en pakte de medeverdachte op enig moment het slagwapen van [benadeelde partij 2] af, waarna hij dat ook als slagwapen gebruikte richting eerst [benadeelde partij 2] en daarna [benadeelde partij 1] .
Na ongeveer 20 seconden werden de medeverdachte en de twee andere personen uit de groep van de verdachte bij de woning weggejaagd door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Zij renden weg in de richting van het winkelcentrum en werden daarbij achtervolgd door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 1] rende op dat moment met een mes in zijn hand achter de medeverdachte en de twee andere personen uit de groep van de verdachte aan.
In de buurt van het winkelcentrum vond opnieuw een confrontatie plaats tussen de groep van de verdachte en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Bij die confrontatie was de verdachte, die inmiddels uit zijn auto was gestapt en richting [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] was gelopen, fysiek ook betrokken. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] werden door de verdachte, de medeverdachte en een onbekend persoon (NN1) uit de groep van de verdachte achteruit gedreven en ten val gebracht. In zijn val liet [benadeelde partij 1] zijn mes los. De verdachte kwam ook ten val en viel daarbij op [benadeelde partij 1] . Vervolgens maakte de verdachte, terwijl hij op [benadeelde partij 1] zat en met zijn linkerhand vasthield, met zijn rechterhand meerdere stekende bewegingen richting [benadeelde partij 1] , die onder hem op de grond lag. Vrijwel direct daarna pakte een ander onbekend persoon ( [benadeelde partij 2] uit de groep van de verdachte het mes, dat [benadeelde partij 1] kort daarvoor had losgelaten, op van de straat en maakte daarmee, terwijl de verdachte nog op [benadeelde partij 1] zat, stekende bewegingen in de richting van die [benadeelde partij 1] . Vervolgens renden de verdachte, de medeverdachte, NN1 en [benadeelde partij 2] weg van de plek waar [benadeelde partij 1] op de grond lag. Daarbij hadden de verdachte en [benadeelde partij 2] een mes in hun hand. De tijdspanne tussen het moment van vallen van [benadeelde partij 1] en het wegrennen van de groep van de verdachte besloeg in totaal dertien seconden. Vervolgens stapten de verdachte, de medeverdachte en nog één ander persoon in de zwarte Mercedes van de verdachte en reden ze weg. Als gevolg van de gewelddadigheden die op [benadeelde partij 1] werden uitgeoefend was hij zeer ernstig gewond. Hij werd in kritieke toestand opgenomen op de intensive care van het Academisch Medisch Centrum met een snijwond ter hoogte van zijn borst (rechts van rechter tepel), een diepe snijverwonding in zijn voorhoofd, bloed in zijn borstholte en een hangend ooglid.
Tussenconclusie
Het hof gaat ervan uit dat de levensbedreigende verwondingen tijdens de tweede confrontatie aan [benadeelde partij 1] werden toegebracht. Redengevend daarvoor is dat uit niets is gebleken dat [benadeelde partij 1] daarvoor al dergelijke verwondingen had opgelopen. Op de beelden zijn op geen enkel moment verwondingen ter hoogte van de borst of op het hoofd van [benadeelde partij 1] zichtbaar. Daarnaast beweegt [benadeelde partij 1] zich totdat hij op de grond terecht komt zonder enige zichtbare fysieke belemmering of fysiek ongemak. Ten slotte was [benadeelde partij 1] tot de tweede confrontatie de enige persoon die een mes bij zich had en het laat zich moeilijk bedenken dat hij zichzelf daarmee levensgevaarlijk heeft verwond. Aldus gaat het hof ervan uit dat aan [benadeelde partij 1] tijdens een (zeer korte) geweldsexplosie van dertien seconden die bij de tweede confrontatie bij het winkelcentrum plaatsvond levensbedreigende steekverwondingen werden toegebracht en dat die, op basis van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, werden toegebracht door de verdachte en [benadeelde partij 2] .
(voorwaardelijk) Opzet op de dood
Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het hoofd en de borststreek (zeer) kwetsbare en vitale organen en belangrijke (slag)aderen bevinden. Door met een mes op die plekken in het lichaam te steken wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op letsel met een dodelijke afloop in het leven geroepen. Met die aanmerkelijke kans pleegt een ieder bekend te zijn; er is geen reden om te veronderstellen dat dit niet voor de verdachte gold.
De gedragingen van de verdachte kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht geweest op de dood van [benadeelde partij 1] dat het, nu ook aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, niet anders kan zijn dan dat hij bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Voor contra-indicaties ziet het hof, gelet op voormelde gang van zaken, geen aanwijzingen.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de verdachte met zijn hiervoor beschreven gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde partij 1] hierdoor zou overlijden, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op zijn dood. Het hof acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag, heeft begaan.
Medeplegen
Bovendien is het hof – op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden – van oordeel dat sprake is van het medeplegen daarvan met NN2. De verdachte maakte, terwijl hij op [benadeelde partij 1] zat en met zijn linkerhand vasthield, met zijn rechterhand meerdere stekende bewegingen richting [benadeelde partij 1] , die onder hem op de grond lag. Vrijwel direct daarna pakte [benadeelde partij 2] het mes, dat [benadeelde partij 1] kort daarvoor had losgelaten, op van de straat en maakte daarmee, terwijl de verdachte nog op [benadeelde partij 1] zat, stekende bewegingen in de richting van die [benadeelde partij 1] . Daarmee is sprake geweest van bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte en [benadeelde partij 2] richting [benadeelde partij 1] waarbij zij beiden bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [benadeelde partij 1] door hun gezamenlijke gewelddadige handelen zou komen te overlijden.
Gelet op voormeld oordeel van het hof worden alle tot vrijspraak strekkende verweren van de raadsman in alle onderdelen verworpen.

Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De raadsman heeft ook ter zake van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt als volgt.
Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is wat de verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof kan op basis van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen op welk moment, op welke wijze en door wie [benadeelde partij 2] gewond is geraakt. Er zijn geen camerabeelden waarop te zien is dat [benadeelde partij 2] wordt verwond en de enkele zin in het proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2021 (dossierpagina 550) waarin is opgenomen dat [benadeelde partij 2] bij de politie heeft verklaard dat hij de medeverdachte op een afbeelding herkent als degene die hem heeft gestoken en verwond, is onvoldoende voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot doodslag of zware mishandeling van [benadeelde partij 2] door de verdachte.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde

Het hof acht op basis van de gebruikte bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde, te weten de openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij 2] . Daarbij gaat het om het geweld dat tegen [benadeelde partij 2] is gepleegd tijdens de tweede confrontatie bij het winkelcentrum.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 primair
hij op 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, [benadeelde partij 1] met een mes in zijn hoofd en borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2 meer subsidiair
hij op 13 november 2021 te Heemskerk, openlijk, te weten aan de [straat], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- terwijl de verdachte en de medeverdachte messen bij zich hadden,
- het laten vallen van [benadeelde partij 2] en
- het steken van [benadeelde partij 2] met een mes in zijn hals en gezicht.
Wat onder 1 primair en 2 meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer, dan wel op noodweerexces toekomt. Daartoe heeft de raadsman – samengevat – aangevoerd dat sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding doordat de medeverdachte werd aangevallen, dat de verdachte de medeverdachte op dat moment wilde helpen en dat de verdachte daarna door [benadeelde partij 1] met een mes werd aangevallen en op zijn hoofd werd geslagen met een mes en de verdachte zich tegen die aanval van [benadeelde partij 1] mocht verdedigen.
Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter van oordeel is dat de feitelijke grondslag van dat beroep, gelet op wat de verdachte daarover heeft verklaard en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Daarbij kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd en enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht staat aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden niet in de weg.
Naar het oordeel van het hof is de gestelde feitelijke grondslag van het beroep op noodweer niet aannemelijk geworden.
Het hof gaat daarbij uit van de gang van zaken zoals die met name blijkt uit de camerabeelden van de situatie voor de woning aan de [adres 2] , de beelden van ‘ [bedrijf] ’ en de beelden van de [adres 3] .
De verdachte is, als eerder door het hof opgemerkt, in het kader van een al langer lopend conflict, tezamen met minimaal zes andere personen, waaronder de medeverdachte, vanuit Duitsland naar Heemskerk gereden om [benadeelde partij 1] een lesje te leren. De medeverdachte en twee anderen uit de groep van de verdachte hebben bij de woning aan de [adres 2] de confrontatie met [benadeelde partij 1] opgezocht en daar is een vechtpartij ontstaan. Na ongeveer 20 seconden zijn de medeverdachte en de twee anderen door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] bij de woning weggejaagd. Zij zijn weggerend in de richting van het winkelcentrum, achtervolgd door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 1] rende op dat moment met een mes in zijn hand achter de medeverdachte en de twee andere personen uit de groep van de verdachte aan.
Op camerabeelden van de ‘ [bedrijf] ’ is vervolgens te zien dat de medeverdachte en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] aan komen lopen. Van een achtervolging of aanvallende handelingen vanuit [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] richting de medeverdachte, is op dat moment, anders dan door de verdediging is gesteld, geen sprake. Anders gezegd, op dat moment was er geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor een zodanige aanranding) vanuit [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] richting de medeverdachte. Mogelijk was er daarvoor wel sprake van aanvallende handelingen van de zijde van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] richting de medeverdachte, maar, als daarvan al sprake was, die waren dan voor ‘ [bedrijf] ’ reeds geëindigd. Er was dan ook op dat moment geen noodzaak (meer) tot verdediging door de verdachte en/of de medeverdachte. Dat de verdachte op dat moment met een mes uit zijn auto is gestapt en naar [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is toegelopen, ziet het hof als handelingen die als aanvallend moeten worden beschouwd, in die zin dat door hem voor een tweede maal de confrontatie wordt gezocht, een confrontatie waarbij de verdachte ditmaal zelf ook fysiek betrokken is. Op camerabeelden van de [adres 3] is vervolgens te zien dat de verdachte, de medeverdachte en NN1 [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] achteruit drijven en laten vallen (waarbij ook de verdachte ten val komt) en dat vervolgens de verdachte, de medeverdachte en [benadeelde partij 2] het hiervoor genoemde geweld op [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] toepassen.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het hof merkt deze gedragingen dan ook niet aan als verdedigend maar als in de kern aanvallend. Dat de verdachte daarbij mogelijk zelf ook gewond is geraakt, doordat hij is geraakt door de punt van het mes dat de aangever tot aan zijn val bij zich had, maakt het voorgaande niet anders.
Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie verwerpt het hof het beroep op noodweer. Op diezelfde grond wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen.
Dit maakt dat geen omstandigheden aannemelijk geworden zijn die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de verdachte uitsluiten, zodat het bewezenverklaarde en de verdachte strafbaar zijn.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot doodslag.
Het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft zich in het kader van de strafoplegging – onder verwijzing naar jurisprudentie – op het standpunt gesteld dat een straf die de periode van de voorlopige hechtenis te boven gaat niet op zijn plaats is, met name gelet op het feit dat de slachtoffers de agressoren waren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag door het slachtoffer – in het kader van een al langer lopend conflict – meermalen te steken met een mes. Het slachtoffer liep hierdoor meerdere steekwonden op en werd in kritieke toestand opgenomen op de intensive care van het Academisch Medisch Centrum. Met zijn handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit en heeft hij op grove wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Dat het handelen van de verdachte grote nadelige gevolgen heeft (gehad) voor het slachtoffer, zowel fysiek als psychisch, blijkt wel uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer, die in hoger beroep nog is aangevuld. Het behoeft geen betoog dat een dergelijk ernstig geweldsdelict ook de rechtsorde ernstig schokt, te meer nu het geweld plaatsvond midden op de openbare weg in de buurt van een winkelcentrum. Daarnaast heeft de verdachte zich bij diezelfde confrontatie schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 2] . Het slachtoffer is op straat achteruit gedreven en ten val gebracht en ook aan hem is steekletsel toegebracht. Het gebruik van geweld op een openbare plek zorgt ervoor dat onschuldige voorbijgangers ongevraagd geconfronteerd kunnen worden met dit geweld, waardoor ook zij zich minder veilig voelen. Door zijn handelen heeft de verdachte ook met dit laatste feit bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij het slachtoffer [benadeelde partij 2] , die letsel heeft opgelopen, en voorts bij hen die van het voorval getuige waren.
De ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn gepleegd en de gevolgen die de feiten hebben gehad, maken dat (zoals ook tot uitdrukking komt in de oriëntatiepunten opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor het voltooide delict) niet anders kan worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf. In het bepalen van de duur en modaliteit daarvan slaat het hof acht op de volgende omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam zijn gebleken. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij ervoor gekozen heeft om een langlopend conflict op deze wijze ‘op te lossen’. In strafmatigende zin zal het hof echter meewegen dat ook het slachtoffer een aandeel heeft gehad in het verder doen escaleren van de situatie en de verdachte zich tegenover het hof tot op zekere hoogte rekenschap heeft gegeven van de ernst van wat er is gebeurd. Ook de huidige persoonlijke omstandigheden, die ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, zal het hof in strafmatigende zin meewegen.
Dit alles in aanmerking nemend acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Het hof stelt tot slot vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. Daarbij gaat het hof uit van een redelijke termijn van zestien maanden, gelet op de omstandigheid dat de verdachte gedurende langere periodes in voorlopige hechtenis heeft verbleven. De verdachte is immers op 13 juli 2022 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank eerst op 8 mei 2024 vonnis heeft gewezen. Vervolgens heeft de verdachte op 22 mei 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof bijna twee jaar later arrest wijst. In een en ander ziet het hof aanleiding om in plaats van voornoemde straf, een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, op te leggen. Deze straf houdt in dat de verdachte in het kader van de onderhavige zaak niet opnieuw gedetineerd raakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 51.726,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 1.726,00 ter compensatie van materiële schade (een bedrag van € 186,00 aan ziekenhuisdaggeldvergoeding en een bedrag van € 1.540,00 als vergoeding voor eigen risico) en een bedrag van € 50.000,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft geadviseerd om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen en gevorderd dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de escalatie en het totaal van het toegepaste geweld, wat noopt tot matiging van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding met minimaal 50%.
Ten aanzien van het beroep van de verdediging op eigen schuld van de benadeelde partij aan de gevorderde schade overweegt het hof als volgt.
Artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft voor dat de vergoedingsplicht bij eigen schuld wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Uit hetzelfde artikellid volgt dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Ten eerste dient een causaliteitsafweging te worden gemaakt, die erop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van de benadeelde partij en anderzijds het gedrag van de verdachte aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Vervolgens volgt een beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van zowel de een als de ander met daarbij, indien van toepassing, een billijkheidscorrectie. Wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval kan de billijkheid immers een andere verdeling eisen dan de maatstaf van wederzijdse causaliteit met zich zou brengen. Bij deze billijkheidscorrectie mag ook de ernst van het letsel van de benadeelde partij worden betrokken.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij een escalerend aandeel heeft gehad in de eerste confrontatie tussen hem en de medeverdachte en de twee andere personen uit de groep van de verdachte bij de woning aan de [adres 2] en aldus in enige mate heeft bijgedragen aan de latere confrontatie bij het winkelcentrum en aan het ontstaan van de schade. Het hof is echter – anders dan de raadsman in het kader van de vordering tot schadevergoeding naar voren heeft gebracht – van oordeel dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist, dat de schade in overwegende, na te melden, mate voor rekening van de verdachte blijft.
Het hof komt dan ook tot de volgende beoordeling van de gevorderde schadeposten.
Materiële schade
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte tot een bedrag van € 1.726,00 rechtstreeks materiële schade heeft geleden, in aanmerking genomen dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook in beginsel voor toewijzing gereed. In verband met de toepassing van artikel 6:101 BW Pro, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag evenwel vaststellen op € 1.036,00. De vordering zal voor het meerdere deel worden afgewezen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een snijwond ter hoogte van zijn borst, een diepe snijverwonding in zijn voorhoofd, bloed in zijn borstholte en een hangend ooglid. Daarnaast is sprake van geestelijk letsel in de vorm van PTSS, in combinatie met depressieve en angstklachten, gepaard gaande met psychotische symptomen waarvoor hij een langdurige en intensieve behandeling nodig heeft om tot herstel te kunnen komen. De benadeelde partij heeft in dat verband recht op vergoeding van immateriële schade. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid vast op € 50.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
  • de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
  • de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij;
  • de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt opgelegd.
In verband met de toepassing van artikel 6:101 BW Pro, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag vaststellen op € 30.000,00. De vordering zal voor het meerdere deel worden afgewezen.
Totaal toegewezen bedrag
De verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)
€ 31.036,00 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag
hoofdelijkzal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 270.031,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 250.031,00 ter compensatie van materiële schade (een bedrag van € 250.000,00 aan gederfde winst/verlies arbeidsvermogen en een bedrag van € 31,00 aan ziekenhuisdaggeldvergoeding) en een bedrag van € 20.000,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep, in verband met de beslissing tot vrijspraak, niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en het te vorderen bedrag naar beneden bijgesteld tot een bedrag van in totaal € 20.031,00, waarbij het eerder gevorderde bedrag aan gederfde winst/verlies arbeidsvermogen is komen te vervallen.
De advocaat-generaal heeft geadviseerd om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen en gevorderd dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de escalatie en het totaal van het toegepaste geweld, wat noopt tot matiging van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding met minimaal 50%.
Ten aanzien van het beroep van de verdediging op eigen schuld van de benadeelde partij aan de gevorderde schade verwijst het hof allereerst naar wat hiervoor over artikel 6:101 lid 1 BW Pro is overwogen.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij een escalerend aandeel heeft gehad in de eerste confrontatie tussen hem en de medeverdachte en de twee andere personen uit de groep van de verdachte bij de woning aan de [adres 2] en aldus in enige mate heeft bijgedragen aan de latere confrontatie bij het winkelcentrum en aan het ontstaan van de schade. Het hof is echter – anders dan de raadsman in het kader van de vordering tot schadevergoeding naar voren heeft gebracht – van oordeel dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist, dat de schade in overwegende, na te melden, mate voor rekening van de verdachte blijft.
Het hof komt dan ook tot de volgende beoordeling van de gevorderde schadeposten.
Materiële schade
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte tot een bedrag van € 31,00 rechtstreeks materiële
schade heeft geleden, in aanmerking genomen dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij
van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook in beginsel voor toewijzing gereed. In verband met de toepassing van artikel 6:101 BW Pro, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag evenwel vaststellen op € 19,00. De vordering zal voor het meerdere deel worden afgewezen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een steekverwonding in zijn gezicht en een steekverwonding in zijn hals. Daarnaast is sprake van geestelijk letsel in de vorm van PTSS-klachten en aanhoudende angstklachten waarvoor hij EMDR-therapie ondergaat. De benadeelde partij heeft in dat verband recht op vergoeding van immateriële schade. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid vast op € 20.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
  • de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
  • de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij;
  • de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt opgelegd.
In verband met de toepassing van artikel 6:101 BW Pro, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag vaststellen op € 12.000,00. De vordering zal voor het meerdere deel worden afgewezen.
Totaal toegewezen bedrag
De verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)
€ 12.019,00 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag
hoofdelijkzal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dat ziet op de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van feit 2;
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
48 (achtenveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
20 (twintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 31.036,00 (eenendertigduizend zesendertig euro) bestaande uit € 1.036,00 (duizend zesendertig euro) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 31.036,00 (eenendertigduizend zesendertig euro) bestaande uit € 1.036,00 (duizend zesendertig euro) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 161 (honderdeenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2023
en van de immateriële schade op 13 november 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 12.019,00 (twaalfduizend negentien euro) bestaande uit € 19,00 (negentien euro) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 12.019,00 (twaalfduizend negentien euro) bestaande uit € 19,00 (negentien euro) materiële schade en
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
13 november 2021.
Heft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. E.J Hofstee en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
24 maart 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.