ECLI:NL:GHAMS:2026:832

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.289.074/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:51 lid 2 BWArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verbeurde dwangsommen wegens overtreding kortgedingmaatregelen

In deze civiele bodemprocedure na een kort geding staat centraal of geïntimeerden dwangsommen hebben verbeurd wegens overtreding van in kort geding opgelegde maatregelen. Partijen bereikten een schikking over alle geschilpunten behalve over de vraag of dwangsommen terecht zijn verbeurd.

De feiten betreffen een samenwerking en aandeelhouderschap in ondernemingen die producten voor knaagdieren bodembedekking aanbieden. Diverse kortgedingvonnissen legden veroordelingen op aan geïntimeerden, gekoppeld aan dwangsommen bij overtreding. Appellanten vorderen betaling van dwangsommen wegens overtredingen, geïntimeerden betwisten dit.

De rechtbank oordeelde dat appellanten ten onrechte aanspraak maakten op een deel van de dwangsommen en veroordeelde hen tot terugbetaling. Het hof vernietigt dit oordeel en volgt de Hoge Raad dat dwangsommen in kort geding verschuldigd blijven ondanks een afwijkend bodemvonnis. Het hof verklaart voor recht dat geïntimeerden dwangsommen van €125.000 hebben verbeurd en wijst de vordering van geïntimeerden tot terugbetaling af. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof verklaart voor recht dat geïntimeerden dwangsommen van €125.000 hebben verbeurd en wijst de vordering tot terugbetaling af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.289.074/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/668382/HA ZA 19-689
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonend in [plaats 1] , Polen,
2.
[appellant 2],
wonend in [plaats 2] , Verenigd Koninkrijk,
3.
[appellant 3](voorheen [bedrijf 2] ),
gevestigd in [plaats 3] ,
appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
advocaat: mr. L.M. Ravestijn te Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonend in [plaats 4] , België,
2.
[geïntimeerde 2], (voorheen [geïntimeerde 2] V.O.F.),
kantoorhoudend in [plaats 5] ,
3.
[geïntimeerde 3],
wonend in [plaats 6] ,
4.
[geïntimeerde 4],
wonend in [plaats 6] ,
geïntimeerden,
incidenteel appellanten,
advocaat: mr. E.C. Menkhorst te Zeist,
waarin op de voet van artikel 118 Rv Pro als partij is opgeroepen
[geïntimeerde 5],
gevestigd te [plaats 7] ,
advocaat: mr. B. Niemeijer te Alphen aan den Rijn.
Partijen worden hierna als volgt aangeduid:
- appellanten, incidenteel geïntimeerden als [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] ; gezamenlijk als [appellanten]
- geïntimeerden, incidenteel appellanten als [geïntimeerde 1] , de curator respectievelijk [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ; gezamenlijk als [geïntimeerden]
- de op de voet van artikel 118 Rv Pro opgeroepen partij als [naam 1] .

1.De zaak in het kort

[appellanten] en [geïntimeerden] hebben over en weer vorderingen tegen elkaar ingesteld die hun oorsprong vinden in een samenwerking in het verleden op het gebied van producten voor bodembedekking voor knaagdieren. Ter zitting van het hof hebben zij een schikking bereikt over alle punten die hen verdeeld houden met uitzondering van het punt of [geïntimeerden] dwangsommen hebben verbeurd vanwege overtredingen van in kort geding opgelegde maatregelen. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat dit het geval is.

2.Verder verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 29 augustus 2023 een tussenarrest uitgesproken (hierna: het tussenarrest). Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot die datum naar het tussenarrest. In dat arrest heeft het hof voor zover van belang het volgende overwogen.
[geïntimeerden] vorderen onder meer dat voor recht wordt verklaard dat een vaststellingsovereenkomst is vernietigd op grond van door [geïntimeerden] aangevoerde wilsgebreken. Deze vordering moet worden beschouwd als een vordering tot vernietiging van een overeenkomst in de zin van artikel 3:51 lid 2 BW Pro. Uit deze bepaling volgt dat een dergelijke vordering moet worden ingesteld tegen allen die bij de rechtshandeling (in dit geval: de vaststellingsovereenkomst) partij zijn. [naam 1] moet worden beschouwd als partij bij die overeenkomst dan wel moet daarmee gelijk worden gesteld. Indien een vordering tot vernietiging niet is ingesteld tegen alle betrokken partijen dient de rechter, naar aanleiding van een daarop gericht verweer of ambtshalve, gelegenheid te geven de niet opgeroepen partij(en) alsnog in het geding te betrekken op de voet van artikel 118 Rv Pro.
[geïntimeerden] zijn in de gelegenheid gesteld [naam 1] als partij in het geding op te roepen en het hof heeft de zaak daartoe naar de rol verwezen. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- het exploot van 20 november 2023 waarin [naam 1] namens [geïntimeerden] wordt opgeroepen;
- akte uitlating tevens houdende akte tot tussenkomst van [naam 1] ;
- antwoord-akte tevens houdende akte overlegging producties, met producties van [appellanten] ;
- akte van antwoord, met productie van [naam 1] ;
- akte houdende reactie akte [appellanten] van [geïntimeerden]
[geïntimeerde 2] B.V. is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2024 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig. De curator is in het geding verschenen en heeft het proces voor alle (mede) door en tegen [geïntimeerde 2] B.V. ingestelde vorderingen overgenomen.
Op 6 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun zaak laten toelichten. [appellanten] en [geïntimeerden] door hun advocaten en [naam 1] door mr. T.M. Bodha, advocaat te Alphen aan den Rijn, allen aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Bij die gelegenheid hebben partijen de volgende stukken overgelegd:
- akte houdende uitlating tevens houdende akte overlegging productie, met een productie van [appellanten] ;
- akte uitlatingen proceskosten/vergoeding advocaatkosten, met een productie van [appellanten] ;
- akte overlegging nadere productie, met een productie van [geïntimeerden]
De positie van [naam 1]
heeft op de mondelinge behandeling van 6 november 2025 bevestigd dat zij – anders dan het opschrift van haar eerste akte zou kunnen doen vermoeden – in deze procedure geen eigen vordering heeft ingesteld waarop het hof moet beslissen.
Schikking
Tijdens de mondelinge behandeling van 6 november 2025 hebben [appellanten] en [geïntimeerden] een schikking bereikt over alle punten die hen verdeeld houden behalve over hun hierna te bespreken vorderingen die, kort gezegd, zien op de vraag of [geïntimeerden] dwangsommen hebben verbeurd vanwege overtredingen van in kort geding opgelegde maatregelen. Deze schikking is vastgelegd in het proces-verbaal van 6 november 2025.
Ten slotte is arrest gevraagd. Vanwege de schikking dient het hof nog uitsluitend te beslissen op de hierna vermelde vorderingen. Dit arrest heeft daarom alleen betrekking op die vorderingen. Wanneer hierna gesproken worden over partijen, worden daarmee [appellanten] en [geïntimeerden] bedoeld.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
[geïntimeerde 1] , [appellant 1] en [appellant 2] zijn in het verleden aandeelhouder geweest van [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ), een onderneming die activiteiten ontplooide op het gebied van producten voor bodembedekking voor knaagdieren. In 2018 is tussen onder meer [geïntimeerde 1] , [appellant 1] en [appellant 2] een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen waarin onder andere is bepaald dat [geïntimeerde 1] zijn aandelen in [bedrijf 1] aan [appellant 1] en [appellant 2] verkoopt.
3.2.
[geïntimeerde 2] is in 2016 als vof opgericht. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] waren destijds de vennoten van deze vof. [geïntimeerde 2] verrichte activiteiten die concurreerden met die van [bedrijf 1] . Na de in 3.1 bedoelde verkoop van aandelen is [geïntimeerde 1] gaan samenwerken met [geïntimeerde 2] .
3.3.
[appellant 3] is in 2018 opgericht door [appellant 1] en heette aanvankelijk [bedrijf 2]
3.4.
[bedrijf 1] (en andere met [appellanten] verbonden vennootschappen waaronder [appellant 3] ) respectievelijk [geïntimeerde 2] hebben gebruik gemaakt van logo’s, afbeeldingen en tekens voor (het aanbieden van) hun producten. Zij maken over en weer aanspraak op hierop betrekking hebbende intellectuele eigendomsrechten.
3.5.
Tussen partijen zijn verschillende kortgedingprocedures gevoerd. In de daarin gewezen vonnissen (hierna tezamen: de kortgedingvonnissen) zijn onder meer veroordelingen tegen [geïntimeerden] uitgesproken, alle op verbeurte van een dwangsom, die samengevat het volgende inhouden:
vonnis voorzieningenrechter [plaats 3] 8 november 2018 onder 5.4: het verzenden van een rectificatie aan leveranciers en afnemers;
vonnis voorzieningenrechter [plaats 3] 8 november 2018, onder 5.6 en vonnis voorzieningenrechter [plaats 3] 24 juli 2019 onder 5.5: een gebod tot het verstrekken van informatie over in- en verkoop;
vonnis voorzieningenrechter [plaats 3] 8 november 2018 onder 5.8: het verstrekken van informatie gekoppeld aan een e-mailadres;
vonnis voorzieningenrechter [plaats 3] 25 april 2019 onder 7.5 en 7.6: een verbod op het gebruik van een bepaalde afbeelding.
3.6.
[appellanten] hebben zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerden] deze veroordelingen niet (tijdig) zijn nagekomen en hebben aanspraak gemaakt op betaling van dwangsommen. [geïntimeerden] hebben de volgende betalingen aan Ciesielski c.s. verricht in verband met de hiervoor genoemde veroordelingen (de hierna gehanteerde letters verwijzen naar de onder die letter in 3.5 genoemde veroordeling):
€ 25.000 vanwege het niet het niet juist verzenden van de rectificatie;
€ 25.000 vanwege het niet verstrekken van informatie over in- en verkoop;
€ 25.000 vanwege het niet verstrekken van de informatie gekoppeld aan een e-mailadres;
€ 50.000,00 wegens het blijven gebruiken van de afbeelding.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Partijen hebben in de procedure bij de rechtbank over en weer vorderingen tegen elkaar ingesteld. Voor dit hoger beroep is van belang dat [geïntimeerden] bij de rechtbank hebben gevorderd dat [appellanten] worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op door [geïntimeerden] geleden schade van € 250.000. [geïntimeerden] hebben aan deze vordering onder meer ten grondslag gelegd dat zij ten onrechte dwangsommen aan [appellanten] hebben betaald.
4.2.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 30 september 2020 overwogen dat [appellanten] ten onrechte aanspraak hebben gemaakt op de in 3.6 onder a), b) en d) genoemde dwangsommen. Volgens de rechtbank hebben [geïntimeerden] hierdoor schade geleden omdat zij € 100.000 aan ten onrechte geëxecuteerde dwangsommen hebben betaald. De rechtbank heeft [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 100.000 op de door [geïntimeerden] geleden schade.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
Voor zover nog van belang vorderen [appellanten] in hoger beroep dat het hof, samengevat, het bestreden vonnis vernietigt en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – voor recht verklaart dat [geïntimeerden] dwangsommen hebben verbeurd tot een nader door het hof vast te stellen bedrag, voor zover mogelijk boven de door de voorzieningenrechters vastgestelde maximumbedragen. [geïntimeerden] menen dat die vordering moet worden afgewezen.
5.2.
Voor zover nog van belang vorderen [geïntimeerden] in hoger beroep dat het hof, samengevat, dat het hof het bestreden vonnis vernietigd en alsnog:
- onvoorwaardelijk: voor recht verklaart dat [appellanten] ten onrechte de dwangsom betreffende het e-mailadres info@cottoncard.com zoals opgenomen in rovv. 5.8 en 5.9 van het kortgedingvonnis van 8 november 2018 heeft aangewend;
- voorwaardelijk, indien het hof van oordeel is dat [geïntimeerden] in rov. 5.4 van het kortgedingvonnis van 8 november 2018 terecht is veroordeeld tot het verzenden van een rectificatie, voor recht te verklaren dat zij tijdig aan deze veroordeling hebben voldaan en [appellanten] ten onrechte dwangsommen hebben aangewend.
[appellanten] menen dat deze vorderingen moeten worden afgewezen.
5.3.
Partijen hebben in hun hiervoor genoemde schikking afgesproken af te zien van het vorderen van proceskosten.

6.Beoordeling

6.1.
Partijen hebben ter zitting van het hof verklaard dat zij van het hof nog een beslissing willen over de vraag of [geïntimeerden] dwangsommen hebben verbeurd wegens overtredingen van verschillende tegen hen uitgesproken veroordelingen in de kortgedingvonnissen. Zij hebben daartoe in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling waarin de schikking is vastgelegd, de onderdelen van hun respectievelijke petita opgesomd waarvan zij wensen dat het hof daarover nog beslist. Het gaat om onderdeel VII van het petitum van de memorie van grieven van [appellanten] en om onderdelen G.b. en I van het petitum van de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerden] , zoals hierboven in 5.1 en 5.2 samengevat. Het hof begrijpt die afspraak wat betreft onderdeel G.b van de vordering van [geïntimeerden] zo, dat partijen uitsluitend wensen dat het hof beslist op het tweede gedeelte daarvan en niet op het eerste gedeelte daarvan (dat kort gezegd ziet op de vraag of het desbetreffende e-mailaccount is overgedragen).
6.2.
[appellanten] hebben aanspraak gemaakt op verbeurde dwangsommen wegens de overtreding door [geïntimeerden] van de veroordelingen genoemd in 3.5. [geïntimeerden] hebben de hiermee corresponderende dwangsommen betaald (zie 3.6) maar menen dat dit onterecht is geweest. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellanten] terecht aanspraak hebben gemaakt op de in 3.6 onder c) genoemde dwangsommen, en ten onrechte aanspraak hebben gemaakt op de in 3.6 onder a), b) en d) genoemde dwangsommen. Aan dat laatste oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat zij anders oordeelt over de onderliggende rechtsverhouding tussen partijen dan de voorzieningenrechters hebben gedaan in de kortgedingvonnissen. Vanwege dit andersluidende oordeel was de executie van dwangsommen door [appellanten] voor een bedrag van in totaal € 100.000 onterecht, aldus de rechtbank.
6.3.
[appellanten] komen terecht op tegen dit oordeel. Indien in kort geding een veroordeling op verbeurte van een dwangsom wordt verkregen en vervolgens dwangsommen worden verschuldigd, dan doet een andersluidende beslissing in een bodemprocedure niet af aan de verschuldigdheid van de dwangsommen in kort geding (HR 16 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4901 (NJ 1985/547)).Voor de vraag of [geïntimeerden] dwangsommen hebben verbeurd moet worden uitgegaan van de veroordelingen in de kortgedingvonnissen en niet van het (op onderdelen) afwijkende oordeel van de rechtbank in de bodemzaak. Onderzocht moet worden of [geïntimeerden] deze veroordelingen hebben overtreden en daardoor dwangsommen hebben verbeurd.
6.4.
Het staat niet ter discussie dat – uitgaande van de veroordelingen opgenomen in de kortgedingvonnissen – [geïntimeerden] de veroordelingen genoemd in 3.5 onder b) en d) hebben overtreden zodat zij de daarmee corresponderende dwangsommen hebben verbeurd.
6.5.
Met hun onvoorwaardelijke vordering in hoger beroep voeren [geïntimeerden] in de kern genomen aan dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd wegens overtreding van de veroordeling genoemd in 3.5 onder c). [geïntimeerden] leggen hieraan ten grondslag dat, anders dan waar de voorzieningenrechter (en overigens ook de rechtbank) vanuit is gegaan, de relevante domeinnaam en het daaraan gekoppelde e-mailadres niet aan [appellanten] zijn overgedragen. Het hof verwerpt dit betoog. Zoals hiervoor al geoordeeld, is voor de vraag of [geïntimeerden] dwangsommen hebben verbeurd niet van belang hoe in deze bodemzaak wordt geoordeeld over de vraag of de desbetreffende domeinnaam en het e-mailadres wel of niet aan [appellanten] zijn overgedragen. Waar het om gaat is of, uitgaande van het oordeel van de voorzieningenrechter, [geïntimeerden] de veroordeling in het kortgedingvonnis van 8 november 2018 hebben overtreden. [geïntimeerden] hebben in hoger beroep niet aangevoerd dat zij wel (volledig en tijdig) aan de in kort geding uitgesproken veroordeling (het verstrekken van informatie gekoppeld aan het e-mailadres) hebben voldaan. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat [geïntimeerden] op dit punt dwangsommen hebben verbeurd.
6.6.
Met hun voorwaardelijke vordering in hoger beroep voeren [geïntimeerden] in de kern genomen aan dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd wegens overtreding van de veroordeling genoemd in 3.5 onder a). Aan de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld, is voldaan. Deze veroordeling ziet kort gezegd op het verzenden van een rectificatie aan alle afnemers van producten van [geïntimeerden] De rectificatie dient volgens het kortgedingvonnis van 8 november 2018 binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te zijn verzonden. In het kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [geïntimeerden] een dwangsom verbeuren van € 2.500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij nalaten aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000. Uit door [appellanten] overgelegde stukken blijkt dat het vonnis op 9 en 12 november 2018 aan [geïntimeerden] is betekend.
6.7.
[appellanten] hebben gemotiveerd gesteld dat [geïntimeerden] voor € 25.000 aan dwangsommen hebben verbeurd, onder meer omdat zij geen rectificatiebrief aan het bedrijf [naam 2] (hierna: [naam 2] ) hebben gestuurd. Volgens [appellanten] was [naam 2] destijds een afnemer van [geïntimeerden] Zij hebben dit toegelicht onder verwijzing naar een lijst van afnemers die de toenmalig advocaat van [geïntimeerden] op 22 november 2018 aan de toenmalige advocaat van [appellanten] heeft toegezonden, ter uitvoering van de veroordeling in onderdeel 5.6 van het kortgedingvonnis van 8 november 2018. Op die lijst (Omzet Rapport - [geïntimeerde 2] ) wordt [naam 2] verschillende malen genoemd, met opgave van factuurbedragen.
6.8.
[geïntimeerden] hebben niet betwist dat zij geen rectificatie aan [naam 2] hebben gestuurd maar voeren aan dat [naam 2] geen afnemer was van de producten waar het in het kort geding om ging, maar van een andere lijn producten. Zij hebben hiervoor verwezen naar een korte e-mail van [naam 2] . Deze e-mail bevat echter in wezen niets meer dan een blote ontkenning van de stelling van [appellanten] Van [geïntimeerden] had mogen worden verwacht dat zij hun betwisting nader hadden onderbouwd maar zij hebben dat niet gedaan. Zo hebben zij niet toegelicht hoe het standpunt dat zij nu innemen te rijmen is met de omstandigheid dat zij zelf [naam 2] hebben vermeld op de lijst van afnemers. Het hof is daarom van oordeel dat [geïntimeerden] de stelling van [appellanten] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist.
6.9.
Dit alles betekent het volgende. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellanten] een bedrag van € 100.000 aan geëxecuteerde dwangsommen aan [geïntimeerden] moeten terugbetalen. Zoals hiervoor geoordeeld, blijven door [geïntimeerden] wegens overtreding van veroordelingen in de kortgedingvonnissen verschuldigde dwangsommen verbeurd, ook als ten gronde een andersluidende beslissing wordt gegeven. Dwangsommen die in een dergelijk geval zijn verbeurd, kunnen niet in de vorm van schadevergoeding worden teruggevorderd. Op dit punt zal het bestreden vonnis worden vernietigd en zal de vordering van [geïntimeerden] worden afgewezen.
De door [appellanten] gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar in de zin dat het hof voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] vanwege overtreding van de veroordelingen in de kortgedingvonnissen voor een bedrag van € 125.000 aan dwangsommen hebben verbeurd. Omdat de dwangsommen in de kortgedingvonnissen zijn gemaximeerd, kunnen boven die maxima geen dwangsommen worden verbeurd en is de gevorderde verklaring voor recht in zoverre niet toewijsbaar. Uit het voorgaande volgt verder dat de vorderingen van [geïntimeerden] in hoger beroep niet toewijsbaar zijn.
6.10.
Het bestreden vonnis zal, voor zover het gezien de tussen partijen bereikte gedeeltelijke schikking nog aan het oordeel van het hof is onderworpen (zie hiervoor, onder 2), worden vernietigd en de vordering van [appellanten] zal worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld. Partijen hebben geen belang bij een afzonderlijke bespreking van hun desbetreffende grieven omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden. Het hof verwerpt de bewijsaanbiedingen van partijen. Zij hebben geen bewijs aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
6.11.
Partijen zijn in de door hen getroffen schikking overeengekomen dat zij afzien van het vorderen van proceskosten in verband met de in dit arrest nog te beslissen kwestie. Ook ten aanzien van [naam 1] , die in deze zaak geen eigen vordering heeft ingesteld, bestaat geen aanleiding om een kostenveroordeling uit te spreken. Het hof zal daarom de kosten van het hoger beroep compenseren.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
vernietigt het bestreden vonnis voor zover het is onderworpen aan het oordeel van het hof, maar uitsluitend voor zover het betreft het dictum onder 5.6 en de uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring daarvan in het dictum onder 5.8, en doet opnieuw recht:
7.2.
wijst de vordering van [geïntimeerden] tot betaling door [appellanten] van een bedrag van € 250.000 als voorschot op door [geïntimeerden] geleden schade alsnog af;
7.3.
verklaart voor recht dat [geïntimeerden] vanwege overtreding van de veroordelingen in de kortgedingvonnissen voor een bedrag van € 125.000 aan dwangsommen hebben verbeurd;
7.4.
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat [appellanten] , [geïntimeerden] en [naam 1] ieder hun eigen kosten dragen;
7.5.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
7.6.
wijst het meer of ander gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, B.J. Lenselink en A.W.G. Artz en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.