Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:889

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23-001730-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 27 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens opzettelijk gebruik van vals Litouws reisdocument

De verdachte gebruikte op 13 mei 2024 te Amsterdam een valse Litouwse nationale identiteitskaart om zich te legitimeren tegenover de politie. Hij voerde aan niet te weten dat het document vals was, omdat zijn moeder het voor hem had aangevraagd. Het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig en concludeerde dat het document vals was op basis van technische kenmerken en het dossier.

De verdediging stelde dat het document mogelijk een misdruk was of via een niet-officiële instantie was verkregen, maar het hof verwierp deze stellingen. Ook het feit dat de identiteitskaart dezelfde documentnummer droeg als een eerder als gestolen gemeld document, versterkte het bewijs van valsheid.

Het hof kwalificeerde de identiteitskaart als een reisdocument en veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, rekening houdend met eerdere veroordelingen en het feit dat de verdachte zijn ware identiteit niet wilde verbergen.

Daarnaast werd de voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken uit een eerdere zaak tenuitvoer gelegd vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd. De tijd in voorarrest werd in mindering gebracht. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf, waarvan 4 weken voorwaardelijk, wegens opzettelijk gebruik van een vals Litouws reisdocument.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001730-24
datum uitspraak: 2 april 2026
TEGENSPRAAK (artikel 279 Sv Pro)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-192521-24 en 13-308135-22 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1994 te Land onbekend,
BRP-adres: [adres 1],
verblijvende op het adres: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 mei 2024 te Amsterdam opzettelijk een vals reisdocument en identiteitsbewijs zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationale identiteitskaart van Litouwen met het nummer [nummer 1] op naam van [verdachte], voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt door zich met dat document te legitimeren ten overstaan en/of aangeboden aan
een politieambtenaar en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat
- de basisbedrukking van de identiteitskaart niet is gedrukt, maar geprint;
- de persoons- en afgiftegegevens niet zijn aangebracht middels lasergravure;
- de identiteitskaart niet is voorzien van een optisch variable inkt;
- de identiteitskaart niet is voorzien van een optisch variabel kenmerk.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring en kwalificatie komt, alsmede tot een andere strafoplegging en beslissing op de vordering tenuitvoerlegging, dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist dat de nationale identiteitskaart van Litouwen waarmee hij zich legitimeerde vals was. Daarvoor is aangevoerd dat de verdachte zijn eerdere nationale identiteitskaart van Litouwen was kwijtgeraakt en dat een nieuwe identiteitskaart in coronatijd online moest worden aangevraagd. De moeder van de verdachte heeft voor hem de aanvraag gedaan, omdat zij beschikte over zijn geboortecertificaat. De verdachte heeft vervolgens de hem per vliegtuig toegezonden identiteitskaart ontvangen, aldus de raadsvrouw.
De raadsvrouw heeft de mogelijkheid geopperd dat sprake is van een ‘misdruk’ door de officiële instanties waardoor de onregelmatigheden in het document kunnen worden verklaard, of dat de moeder van de verdachte het document bij een niet-officiële instantie heeft aangevraagd. Dat de verdachte zelf had moeten twijfelen aan de echtheid van het document snijdt geen hout, temeer niet omdat hij voorafgaand aan de staandehouding het document al meerdere keren probleemloos ter identificatie aan de politie had getoond en hij ook gewoon gebruik kon maken van zijn DigiD. De verdachte moet gelet op dit alles worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
De verklaring van de verdachte dat zijn moeder zijn identiteitskaart heeft aangevraagd en dat hij (daardoor) niet wist dat het document vals was, is naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig. Allereerst is het niet aannemelijk dat een officiële identiteitskaart van een EU-land kan worden verkregen doordat een derde daartoe online een aanvraag doet en dat die derde het document vervolgens bij de uitgevende instantie ophaalt. Bovendien heeft de verdachte gesteld dat die online aanvraag kwam door corona, terwijl het bewuste identiteitsdocument volgens het proces-verbaal van de KMar van 14 mei 2024 als datum afgifte 5 februari 2019 vermeldt, dus ruim een jaar voordat de coronacrisis in Europa uitbrak. Het hof acht het reeds daarom ongeloofwaardig dat de moeder van de verdachte een identiteitsbewijs voor hem heeft aangevraagd op de wijze zoals door de verdachte is geschetst. Bovendien is het onaannemelijk dat zijn moeder een identiteitskaart zou hebben laten maken door een niet-officiële instantie zonder dat de verdachte dit wist, zoals de raadsvrouw heeft geopperd. Ook de andere naar voren gebrachte mogelijkheid acht het hof geenszins realistisch. Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat een via de officiële weg ingediende aanvraag voor een identiteitsdocument ertoe leidt dat de daartoe bevoegde instantie in Litouwen een identiteitsdocument afgeeft dat op vier punten vals is. Daar komt nog het volgende bij. Uit het dossier blijkt – zoals de advocaat-generaal scherp en terecht opmerkte – dat de Litouwse autoriteiten eerder aan de verdachte een nationale identiteitskaart hebben afgegeven die als gestolen of vermist stond gesignaleerd en dat uit een Informatiestaat SKDB (datum 12 juni 2024) in het dossier blijkt dat op deze – kennelijk officiële – identiteitskaart als documentnummer is vermeld: [nummer 2]. Op de identiteitskaart die de verdachte bij zijn staandehouding heeft overgelegd staat hetzelfde documentnummer. Ook dat wijst er naar het oordeel van het hof op dat de bewuste identiteitskaart niet door de officiële Litouwse autoriteiten is afgegeven.
Gelet op dit alles verwerpt het hof het verweer dat de verdachte niet wist dat de Litouwse identiteitskaart vals was en acht het hof – kort gezegd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk een valse Litouwse identiteitskaart heeft gebruikt. Het hof overweegt verder dat een identiteitskaart van een Europese lidstaat – in deze zaak Litouwen – kan worden aangemerkt als een reisdocument als bedoeld in artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), vgl. Hoge Raad 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:451. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de valse identiteitskaart waarmee de verdachte zich bij zijn staandehouding door de politie heeft gelegitimeerd, als vals reisdocument kan worden bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 mei 2024 te Amsterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals reisdocument als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationale identiteitskaart van Litouwen, nummer [nummer 1], op naam van [verdachte], door zich met dat document te legitimeren ten overstaan van een politieambtenaar en bestaande die valsheid hierin dat
- de basisbedrukking van de identiteitskaart niet is gedrukt, maar geprint;
- de persoons- en afgiftegegevens niet zijn aangebracht middels lasergravure;
- de identiteitskaart niet is voorzien van een optisch variabele inkt;
- de identiteitskaart niet is voorzien van een optisch variabel kenmerk.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als de politierechter heeft opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich tegenover de politie gelegitimeerd met een valse identiteitskaart van Litouwen. Hij heeft daarmee het vertrouwen dat in dergelijke identiteitsbewijzen moet kunnen worden gesteld geschonden. Een dergelijk feit wordt door strafrechters in Nederland in zijn algemeenheid bestraft met een gevangenisstraf van twee maanden. Nu het dossier geen indicaties bevat dat de verdachte zijn ware identiteit heeft willen verhullen – immers, het valse identiteitsbewijs bevatte zijn juiste personalia –, terwijl juist dát (in hoofdzaak) bijdraagt aan het strafwaardige karakter van het gebruiken van een vals identiteitsbewijs, is het hof van oordeel dat een lager uitgangspunt kan worden gehanteerd voor de op te leggen straf.
In strafverzwarende zin houdt het hof echter rekening met het feit dat de verdachte volgens zijn strafblad eerder voor verschillende strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld en voor één van die veroordelingen nog in een proeftijd liep.
In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in aanmerking genomen hetgeen is overwogen over de bijzondere omstandigheden van dit geval, ziet het hof aanleiding om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het voorwaardelijke deel dient de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

In hoger beroep is de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2023, parketnummer 13-308135-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren, opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dat betekent dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf kan worden gelast. Het hof ziet geen goede redenen om de tenuitvoerlegging niet, of slechts gedeeltelijk ten uitvoer te leggen. Daarbij overweegt het hof dat het stelsel van voorwaardelijke straffen teniet zou worden gedaan als van tenuitvoerlegging wordt afgezien in het geval daartoe geen goede redenen zijn. De enkele omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit andersoortig is dan het feit dat in de zaak waarin de voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, aan de orde was, zoals de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, is daartoe in dit geval onvoldoende. Het hof gelast daarom dat de gevangenisstraf van vier weken alsnog ten uitvoer wordt gelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sr Pro.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2023, parketnummer 13-308135-22, te weten van:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. D.A.C. Koster en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van
mr. M. Gest, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 april 2026.
Mr. Van Riemsdijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
==========================================================
[…]