Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:890

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23-000499-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor uitvoer van 24 kilogram hennep

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het uitvoeren van ruim 24 kilogram hennep in twee koffers ingecheckt op Schiphol. In hoger beroep stelde de verdediging dat verdachte onwetend was over de inhoud, omdat zij op verzoek van een vermeende oom cadeaus zou meenemen naar Suriname.

Het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig vanwege het ontbreken van verifieerbare gegevens over deze oom, het ontbreken van contact en concrete details, en de inhoud van de koffers die niet overeenkwam met een normaal verblijf. Het hof concludeerde dat verdachte bekend was met de inhoud en verantwoordelijk was voor de uitvoer van hennep.

De strafoplegging werd gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het hof een gevangenisstraf van 12 maanden oplegde, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof benadrukte de ernst van de drugshandel en de noodzaak van vergelding en preventie, maar hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, voor uitvoer van 24 kilogram hennep.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000499-24
datum uitspraak: 2 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-302846-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf (vanwege overschrijding van de redelijke termijn) en met dien verstande dat de gronden worden aangevuld en verbeterd, te weten dat het hof:
‒ de bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die zullen worden opgenomen in een aanvulling op dit arrest als beroep in cassatie wordt ingesteld; en
‒ de bewijsmotivering vervangt door onderstaande bewijsmotivering.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daarvoor is aangevoerd dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de uitvoer van verdovende middelen. De verdachte heeft steeds consistent verklaard dat haar oom (de neef van haar vader) haar tien dagen vóór de reis naar Suriname had gevraagd of zij cadeautjes voor zijn kleinkinderen wilde meenemen. De cadeautjes waren in cadeaupapier verpakt en het gewicht van de koffers was niet opvallend zwaar. Daarnaast heeft de verdachte niets opvallend of vreemds geroken. In de culturele context van de verdachte is het niet ongebruikelijk om goederen of cadeaus voor derden mee te nemen vanuit Nederland naar Suriname. Bovendien gaat het niet om een bekende of gebruikelijke smokkelroute en vinden er op Schiphol uitgebreide controles plaats. Destijds bevond de verdachte zich in een zeer kwetsbare periode in haar leven, waarvan haar oom gebruik heeft gemaakt door haar doelbewust te misleiden.
Het hof overweegt als volgt.
Vaststaat dat de verdachte twee koffers als ruimbagage heeft ingecheckt op Schiphol en dat de douane in deze koffers pakketten met een hoeveelheid van in totaal ruim 24 kilogram hennep heeft aangetroffen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een passagier die vliegtuigbagage met zich voert, met de inhoud daarvan bekend is en voor die inhoud dan ook verantwoordelijk is. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, bijvoorbeeld als aannemelijk wordt dat de passagier met die inhoud niet bekend was.
Het hof is van oordeel dat dergelijke omstandigheden zich hier niet voordoen en overweegt daartoe als volgt. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat zij de pakketten op verzoek van een oom heeft meegenomen, dat hij de pakketten in haar koffers zou hebben gestopt en dat zij niet wist wat er in de pakketten zat, ongeloofwaardig. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. Het is niet mogelijk gebleken om de bewuste oom van de verdachte te traceren. De raadsheer-commissaris heeft navraag laten doen bij de Surinaamse autoriteiten en kreeg als antwoord dat deze oom niet bekend is bij het Centrale Bureau voor Burgerzaken in Suriname. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit familielid ook een verblijfadres zou hebben in Rotterdam, maar heeft daar desgevraagd geen nadere gegevens van kunnen of willen geven. Gevraagd naar haar relatie met dit familielid, blijkt dat zij na die ene ontmoeting geen contact meer met hem heeft gehad. Ook overigens is er in het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte dat zij is benaderd door een oom om cadeaus mee te nemen naar Suriname. Zo ontbreken concrete, enigszins verifieerbare gegevens als het gaat om de vraag aan wie, wanneer en op welke wijze de verdachte precies de cadeaus in Suriname zou overhandigen. Daar komt nog het volgende bij. De verdachte heeft verklaard dat zij 10 tot 14 dagen naar Suriname zou gaan om tot rust te komen. Een verifieerbare onderbouwing heeft zij daarvan niet gegeven. Opvallend daarbij is dat zij ter terechtzitting in eerste aanleg op 30 november 2023 heeft verklaard dat zij haar ticket pas de dag vóór de vlucht heeft gekocht terwijl zij – zo volgt uit haar verklaring in hoger beroep – weinig geld had. Dat het ticket via de creditcard van haar vriendin (partner) zou zijn betaald en dat die creditcard tot dat moment “on hold” stond, doet daaraan niet af en is bovendien op geen enkele wijze gestaafd. Ook de inhoud van de twee koffers – naast de hennep – wijst niet op een ‘normaal’ 10 tot 14-daags verblijf. Zo werden in de twee koffers in totaal 16 sportbroeken aangetroffen. Verder valt niet in te zien waarom de verdachte met twee koffers zou moeten reizen, anders dan voor het vervoer van hennep. De enkele – wederom: niet onderbouwde of nader geconcretiseerde – stelling dat zij twee koffers meenam zodat zij op de terugweg goederen zoals groente en fruit uit Suriname mee zou kunnen nemen, maakt dit niet anders. Kortom, ook in zoverre is de verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden.
Gelet op dit alles ziet het hof geen aanknopingspunten voor de juistheid van de verklaring van de verdachte dat zij op verzoek van een oom cadeaus heeft willen meenemen naar Suriname en zij niet wist wat er in haar koffers zat. Het hof schuift die verklaring daarom als onaannemelijk terzijde. Dat betekent dat het hof uitgaat van voormeld uitgangspunt dat de verdachte met de inhoud van de bagage bekend was en dat zij daar ook voor verantwoordelijk is en dat zij dus wist dat zij hennep uit Nederland uitvoerde. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf.
De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte dezelfde straf op te leggen als de politierechter heeft gedaan.
De raadsvrouw heeft verzocht om in geval van een veroordeling bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft inmiddels een stabiel leven en kan als het goed is zeer binnenkort bij de Gemeente Amsterdam aan het werk. Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof verenigt zich in beginsel met de straf die de politierechter heeft opgelegd en de motivering daarvan (en neemt die hierna goeddeels over). Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn komt het hof uiteindelijk echter tot een iets mildere straf. Verder zal het hof reageren op het in hoger beroep gevoerde strafmaatverweer.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft het hof zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het door de reclassering uitgebrachte rapport van 26 januari 2024 is gebleken.
In het bijzonder overweegt het hof als volgt.
De verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid hennep buiten het grondgebied van Nederland gebracht. Hennep is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De illegale verspreiding van (soft)drugs brengt onrust voor de samenleving met zich en leidt veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van (al dan niet internationale) criminaliteit. Het hof ziet met advocaat-generaal en anders dan de raadsvrouw geen aanleiding om een taakstraf op te leggen en is van oordeel dat slechts een (grotendeels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf gepast is vanuit het oogpunt van vergelding, normbevestiging en algemene en speciale preventie. Het hof ziet hierbij uitdrukkelijk onder ogen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ingrijpende gevolgen voor de verdachte zal hebben. Zij zal mogelijk haar woning kwijtraken alsmede de baan die zij recent heeft gevonden. Gelet op de hoeveelheid uitgevoerde hennep en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, en in het bijzonder de oriëntatiepunten van het LOVS, leiden die omstandigheden echter niet tot een ander oordeel.
Wel ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het hof acht – zoals gezegd – in beginsel de straf die de politierechter heeft opgelegd passend: 12 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De raadsvrouw heeft echter terecht gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in hoger beroep is overschreden. Op 29 februari 2024 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 15 februari 2024, terwijl het hof meer dan twee jaren later – op 2 april 2026 – uitspraak doet. Om die reden zal het hof de gevangenisstraf matigen, in die zin dat daarvan een groter deel voorwaardelijk wordt opgelegd.
Alles afwegende legt het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk op. Het hof zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. D.A.C. Koster en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van
mr. M. Gest, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
2 april 2026.
Mr. Van Riemsdijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]