Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:955

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
23-001996-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak afpersing en veroordeling diefstal met pinpas wegens misbruik kwetsbaarheid slachtoffer

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte vrijgesproken van afpersing wegens onvoldoende bewijs dat hij geweld of dreiging met geweld heeft gebruikt in de tenlastegelegde periode.

Wel is bewezen verklaard dat de verdachte meerdere malen geld heeft weggenomen van de bankrekening van het slachtoffer door gebruik te maken van diens pinpas zonder toestemming, waarbij sprake was van diefstal met een valse sleutel. Het hof achtte aannemelijk dat de verdachte misbruik maakte van de kwetsbaarheid van het slachtoffer.

De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 40 uur. Tevens werd een schadevergoeding van 200 euro aan het slachtoffer toegewezen. Het hof hield rekening met eerdere veroordelingen van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn deelname aan een traject bij het Leger des Heils.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van afpersing en veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van 40 uur voor diefstal met pinpas, met een schadevergoeding van 200 euro aan het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001996-25
datum uitspraak: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-297388-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode tussen 1 mei 2024 tot en met 16 september 2024, te Zandvoort, althans in Nederland, één of meer malen (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde partij] en/of een derde toebehoorde(n), door
- zeer regelmatig in de nacht bij de woning van die [benadeelde partij] te komen, en/of;
- die [benadeelde partij] te schoppen, en/of;
- die [benadeelde partij] te bedreigen, en/of;
- die [benadeelde partij] bang te maken voor geweld, althans de negatieve gevolgen die weigering voor die [benadeelde partij] zal betekenen, en/of
- die [benadeelde partij] herhaaldelijk onder druk te zetten met eerder(e) bedreigingen en/of geweld;
2.
hij op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode tussen 1 mei 2024 tot en met 16 september 2024 te Zandvoort, althans in Nederland, één of meer malen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanaf bankrekeningnummer: [rekeningnummer [iban] ]) heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten één of meerdere bankpas(sen) van [benadeelde partij] , tot het gebruik van welke bankpas(sen) verdachte niet gerechtigd en/of gemachtigd was, met deze bankpas(sen) heeft verdachte meerdere geldbedragen gepind, te Zandvoort, althans in Nederland;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het dossier bevat een tweetal aangiftes van [benadeelde partij] en een proces-verbaal van bevindingen. [benadeelde partij] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij door de verdachte is gedwongen tot afgifte van geld doordat de verdachte hem heeft geschopt en bedreigd. De verdachte ontkent hem te hebben geschopt of bedreigd of anderszins geweld of dreigementen te hebben gebruikt. Direct steunbewijs voor het gebruik van geweld of dreigementen is niet voorhanden.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof met onvoldoende zekerheid vaststellen dat er sprake is geweest van geweld en/of dreigen met geweld van de kant van de verdachte, en of dit in de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden.
Daarom zal het hof de verdachte vrijspreken van de onder 1 tenlastegelegde afpersing.

Bewijsoverweging ten aanzien van diefstal met pinpas

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het aan hem onder 2 tenlastegelegde.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij vrijwillig van [benadeelde partij] zijn pinpas mee kreeg om te pinnen en dat zij samen drugs gebruikten.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Uit het dossier kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden afgeleid. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 52, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , blijkt dat op 25 juli 2024 de wijkagent op huisbezoek is geweest bij [benadeelde partij] , mede naar aanleiding van een melding van [benadeelde partij] dat zijn pinpas werd misbruikt. De wijkagent trof de verdachte aan in het huis van [benadeelde partij] en heeft hem verzocht te vertrekken en niet meer terug te komen. De wijkagent heeft voor 13 september 2024 driemaal een gesprek gevoerd met de verdachte en hem gewaarschuwd dat hij moest stoppen met het ophalen van de pinpas en hier vervolgens telkens 20 euro mee te pinnen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen op pagina 21, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , blijkt dat de verdachte op 16 september 2024 wederom bij [benadeelde partij] langs is geweest om met zijn pinpas te pinnen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat hij de pinpas van [benadeelde partij] heeft gebruikt. Het hof acht het gelet op het voorgaande niet aannemelijk dat [benadeelde partij] toestemming gaf aan de verdachte om zijn geld te pinnen, mede gelet op het feit dat [benadeelde partij] meerdere malen zijn pinpas geblokkeerd heeft, ook op momenten dat de verdachte bij hem langs was geweest.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op meerdere tijdstippen omstreeks de periode tussen 1 mei 2024 tot en met 16 september 2024 te Zandvoort, meer malen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanaf bankrekeningnummer: [iban] ) heeft weggenomen meerdere geldbedragen, geheel toebehorende aan [benadeelde partij] , waarbij verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten bankpassen van [benadeelde partij] , tot het gebruik van welke bankpassenverdachte niet gerechtigd was;
Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutel.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een gebiedsverbod en een contactverbod, en een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren en een maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal verzocht een contactverbond met [benadeelde partij] als bijzondere voorwaarde op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met de pinpas van [benadeelde partij] . Het hof is van oordeel dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van [benadeelde partij] door met diens pinpas geld weg te nemen terwijl hij wist dat [benadeelde partij] dat niet wilde. Het hof rekent de verdachte dit aan. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om een contactverbod op te leggen.
Het hof zal rekening houden met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het hof heeft acht geslagen op een op de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 maart 2026, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk veroordeeld is terzake diefstal. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij momenteel in een vrijwillig traject zit bij het Leger des Heils en wil werken aan zijn verslavingsproblematiek. De verdachte gaat binnenkort naar beschermd wonen en vanaf daar kan hij doorstromen naar een plek voor begeleid wonen. Het hof acht een en ander aannemelijk geworden. De verdachte heeft aangegeven dat hij in staat is om een taakstraf uit te voeren.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur danwel hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.350,00. Op de aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter van 6 mei 2025 staat geen beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] vermeld. Het hof stelt echter vast dat de vordering in eerste aanleg tijdig is ingediend, te weten op 15 februari 2025. De vordering maakt onderdeel uit van het dossier en het hof heeft geen redenen om aan te nemen dat de vordering in eerste aanleg geen onderdeel uitmaakte van het dossier.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat een deel van de vordering ziet op gestolen fietsen. De opgelopen schade door de afpersing wordt door de benadeelde partij geschat op een bedrag van 200,00 euro.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof acht op basis van het dossier en de bewijsmiddelen de schatting van 200,00 euro voor de schade redelijk.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat de gevorderde schade ziet op feiten die niet ten laste zijn gelegd. In zoverre kan de benadeelde partij niet worden ontvangen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 september 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 april 2026.
Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]