De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 8 december 2024 in Amsterdam als bestuurder van een bromfiets reed zonder geldig rijbewijs. In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot een werkstraf van 32 uur, subsidiair 16 dagen jeugddetentie.
In hoger beroep voerde de advocaat-generaal vrijspraak aan vanwege onvoldoende overtuiging en een alternatieve lezing van de verdachte dat een vriend de bromfiets bestuurde. Het hof verwierp dit verweer omdat de verklaring van de verbalisant, die de verdachte als bestuurder zag, geloofwaardiger was en het alternatieve scenario niet werd onderbouwd.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zonder rijbewijs reed en bevestigde de strafbaarheid van het feit. Gezien de eerdere strafbeschikking voor een soortgelijk feit en het gevaar voor verkeersveiligheid, handhaafde het hof de opgelegde werkstraf van 32 uur. Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.