Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:995

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
23-002874-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77h Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens seksuele handelingen met een paard en schadevergoeding

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kinderrechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor het verrichten van seksuele handelingen met een paard op 10 en 18 december 2024 te Beverwijk. De verdachte werd vrijgesproken door de kinderrechter, maar het hof achtte het bewezen dat hij het dier vaginaal en/of anaal heeft gepenetreerd met zijn penis.

De verdachte kreeg een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur werkstraf met een proeftijd van één jaar opgelegd, waarbij het hof rekening hield met zijn positieve ontwikkeling, vrijwillige behandeling en het geringe recidiverisico. De vordering van de verzorgster van het paard tot schadevergoeding werd deels toegewezen: materiële schade aan de camera en lichtsensoren werd afgewezen wegens onvoldoende causaal verband, maar vergoeding van verlofuren op specifieke data en een immateriële schadevergoeding van €750 werden toegewezen.

De immateriële schadevergoeding werd toegekend ondanks het ontbreken van een diagnose van geestelijk letsel, omdat het hof oordeelde dat de normschending en gevolgen voor de verzorgster voldoende ernstig waren. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van de toegewezen schadevergoeding en wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024. Het hof legde geen bijzondere voorwaarden aan de taakstraf en beperkte de proeftijd tot één jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf van 40 uur en deels toegewezen schadevergoeding aan de verzorgster van het paard.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002874-25
datum uitspraak: 16 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter van 26 november 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-405351-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2026 en in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman, de voogd van de verdachte, de deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: Raad), alsmede de benadeelde partij, bijgestaan door een jurist werkzaam voor Slachtofferhulp Nederland en het slachtoffer naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 november 2024 tot en met 18 december 2024 te Beverwijk, gemeente Beverwijk, althans in Nederland, een of meer seksuele handelingen heeft verricht met een dier (een paard), te weten: het één of meermaals vaginaal en/of anaal penetreren van dat dier, met zijn, verdachtes, penis.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de kinderrechter ten aanzien van de bewezenverklaring, de strafoplegging, de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 en 18 december 2024 te Beverwijk seksuele handelingen heeft verricht met een paard, te weten: het vaginaal en/of anaal penetreren van dat dier, met zijn, verdachtes, penis.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
het verrichten van seksuele handelingen met een dier, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De kinderrechter heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte voor het (na wijziging) tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft het hof verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met het feit dat de nog zeer jonge verdachte na het gebeuren zijn verantwoordelijkheid heeft genomen door zich op vrijwillige basis bij De Waag te laten behandelen, dat hij een belaste jeugd heeft, dat het nu op alle leefgebieden goed met hem gaat, dat hij niet eerder is veroordeeld en sinds het ten laste gelegde niet van nieuwe strafbare feiten is gebleken. Ook de hardhandige wijze van aanhouding door de politie dient in het voordeel van de verdachte mee te wegen. Gelet op het voorgaande verzoekt de raadsman het hof te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van 1 jaar.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte zich in een kort tijdsbestek tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met een paard. Dergelijk seksueel misbruik van een paard is in strijd met de goede zeden. De door de verdachte verrichtte handelingen hebben bij de eigenaresse en de verzorgster van het paard tot heftige gevoelens van geschoktheid, boosheid, verdriet en zelfs onveiligheid geleid, hetgeen zij ook ter terechtzitting in hoger beroep nog hebben uiteengezet. Seksueel misbruik van dieren leidt in het algemeen tot maatschappelijke onrust en verontwaardiging.
Het hof heeft kennisgenomen van het advies van de Raad van 20 november 2025 waarin geadviseerd wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen onder de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan behandeling gericht op relaties en seksualiteit vanuit De Waag of een soortgelijke instelling, zolang als de jeugdreclassering dit nodig vindt.
Ter terechtzitting heeft de deskundige van de Raad haar advies bijgesteld in die zin dat zij adviseert om enkel een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf aan de verdachte op te leggen onder de algemene voorwaarden. Het opleggen van voornoemde bijzondere voorwaarde is naar het oordeel van de deskundige niet meer nodig omdat de verdachte inmiddels op vrijwillige basis een behandeling bij De Waag gericht op relaties en seksualiteit heeft doorlopen en goed heeft afgerond. Bovendien zal hij binnenkort met een vervolgtraject bij De Waag starten. De verdachte ontwikkelt zich goed, het gaat goed op school en de kans op recidive is flink verkleind waardoor een justitieel kader niet langer noodzakelijk is.
Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen de voogd van de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht; met de Raad ziet de voogd een positieve ontwikkeling bij de verdachte. Ook de voogd acht om deze reden een justitieel kader niet langer nodig.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het goed met hem gaat. Op school staat hij voor al zijn vakken voldoende en hij gaat binnenkort aan zijn eindexamens beginnen. Hij is gemotiveerd om daarna te starten met een opleiding tot conducteur. Als bijbaan werkt hij bij de [bedrijf] waar hij aan het doorgroeien is in functie. Hij heeft aangegeven veel baat te hebben gehad van zijn behandelingen bij De Waag waar hij heeft gesproken over seksualiteit en inzicht heeft gekregen in zijn handelen. Ook heeft de verdachte verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en spijt betuigd, waarbij hij heeft aangegeven al geld te hebben gespaard voor de mogelijke vergoeding die hij aan de benadeelden zal moeten betalen.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof ziet met de deskundigen geen reden om aan deze voorwaardelijke straf enige bijzondere voorwaarde te verbinden en zal met name gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de stappen die de verdachte al heeft gemaakt de proeftijd beperken tot 1 jaar.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.397,70. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De vordering is als volgt opgebouwd.
Materiële schade
Eufy camera € 199,00
Prepaid internet Eufy camera € 89,00
Paal voor camera € 34,75
Lichtsensoren € 188,75
Verlofuren € 136,20
Immateriële schade € 750,00
TOTAAL € 1.397,70
Algemeen
De raadsman heeft allereerst het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen nu deze niet is ingediend door de eigenaar van het paard maar door de houder die het paard slechts onder haar beheer had.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de benadeelde partij als verzorgster van een paard op wiens erf het paard was gestald kan worden aangemerkt als te behoren tot de kring van gerechtigden die rechtstreekse schade heeft geleden door het strafbare feit en dus een vordering tot schadevergoeding van de door haar geleden schade kan indienen. Zij is dus ontvankelijk in haar vordering.
Materiële schade
( i) De kosten die samenhangen met de aanschaf en het gebruik van de camera en de lichtsensoren
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de kosten die samenhangen met de aanschaf en het gebruik van de camera toe te wijzen.
De raadsman heeft het hof verzocht deze kosten af te wijzen omdat de facturen dateren van november 2024, dus vóór de bewezenverklaarde feiten.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Bewezen is verklaard dat de verdachte op 10 en 18 december 2024 seksuele handelingen met een paard heeft verricht. De camera met toebehoren en de lichtsensoren zijn voordien aangeschaft. Alhoewel het voorstelbaar is dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt ter beveiliging van het erf van de benadeelde partij en om mogelijke schade aan een van de paarden op haar erf te voorkomen, is naar het oordeel van het hof het rechtstreeks verband tussen die gemaakte kosten en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onvoldoende komen vast te staan. Het hof zal de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
( ii) De kosten die samenhangen met de opgenomen verlofuren
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de kosten als gevolg van de opgenomen verlofuren à € 6,81 op 12, 13, 17 en 18 december 2024 toe te wijzen. De kosten als gevolg van de overige opgenomen verlofuren komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse schade heeft geleden tot na te melden bedrag, doordat zij op 12, 13, 17 en 18 december 2024 telkens een uur verlof van haar werk heeft moeten opnemen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat het hof de vordering tot dat bedrag zal toewijzen.
De kosten van de overige door de benadeelde partij opgenomen verlofuren komen niet voor toewijzing in aanmerking. De opgenomen verlofuren op 21 november 2024 dateren van voor de bewezenverklaarde data om welke reden naar het oordeel van het hof het rechtstreeks verband tussen die gemaakte kosten en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onvoldoende is komen vast te staan. Het hof zal de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
De opgenomen verlofuren op 19 december 2024 worden door de benadeelde als volgt onderbouwd; een dag opgenomen vanwege de gebeurtenissen van dag ervoor, de angstige confrontatie en aanhouding van de verdachte op haar land. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van deze uren het rechtstreeks verband tussen deze post en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onvoldoende is komen vast te staan. Het hof zal de benadeelde ook daarin niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
Immateriële schadevergoeding
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd deze post niet-ontvankelijk te verklaren; hetgeen bewezen is verklaard is niet van een dusdanige aard dat dit valt onder het door de Hoge Raad bedoelde geval dat het evident is dat sprake is van een ernstige aantasting in de persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW).
De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat onduidelijk is of het paard zelf enigerlei vorm van schade heeft geleden. De schade die door de verzorgster van het paard wordt opgevoerd is niet rechtstreeks. Niet is gebleken dat zij door het handelen van de verdachte “op andere wijze in de persoon is aangetast”. De gestelde immateriële schade is bovendien onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken van een diagnose. De raadsman verzoekt het hof dit deel van de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit op “andere wijze in haar persoon is aangetast”.
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) volgt dat van “aantasting in de persoon ‘op andere wijze’” in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde “aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’” sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een “aantasting in de persoon ‘op andere wijze’” als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van “aantasting in de persoon op andere wijze.” Niet is gebleken dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zijn zo ernstig zijn dat daaruit voortvloeit dat reeds daarom sprake is van “aantasting in de persoon op andere wijze”.
Voor zover de benadeelde zich beroept op geestelijk letsel gelet op de overgelegde verklaring van Workplace Options Klinisch Team van 6 november 2025, overweegt het hof dat daaruit niet meer blijkt dan dat de benadeelde op 8 januari 2025 contact heeft opgenomen voor een verkennend gesprek met een psycholoog, waarna op 15 januari 2025 een korte opvolging heeft plaats gevonden met een psycholoog. Het hof is van oordeel dat hieruit niet blijkt van dusdanig geestelijk letsel dat sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Niet ieder geestelijk letsel levert immers een dergelijke aantasting op.
Gelet op bovenstaande is het hof van oordeel dat een grondslag om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen ontbreekt, om welke reden het hof dit deel van de vordering zal afwijzen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 254d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
1 (één) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 27,24 (zevenentwintig euro en vierentwintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 27,24 (zevenentwintig euro en vierentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 oktober 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 april 2026.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]