ECLI:NL:GHARL:2013:10041

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2013
Publicatiedatum
9 januari 2014
Zaaknummer
21-002277-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis verkeersdelict met gewijzigde strafoplegging

De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem inzake een verkeersovertreding. Het hof heeft het onderzoek verricht op de terechtzitting van 15 november 2013 en heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de pleidooien van verdachte en zijn raadsman.

Het hof bevestigt het bewezenverklaarde feit met een kleine aanpassing in de terminologie van de locatie (fietsstrook in plaats van fietspad) en gaat mee in de vaststelling dat de ingehaalde auto reed en niet optrok, op basis van meerdere, kort na het ongeval afgelegde, consistente getuigenverklaringen. Een latere afwijkende verklaring wordt verworpen.

De strafoplegging van de rechtbank wordt vernietigd en het hof legt een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar op, een werkstraf van 240 uur, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden geheel voorwaardelijk. De langere taakstraf is een compensatie voor de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer. De ontzegging wordt geheel voorwaardelijk opgelegd vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het belang van het rijbewijs voor zijn werk.

Het hof bevestigt het overige vonnis en baseert zich op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Het arrest is uitgesproken op 29 november 2013 door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, een taakstraf van 240 uur en een geheel voorwaardelijke rijontzegging van twaalf maanden opgelegd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002277-12
Uitspraak d.d.: 29 november 2013
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 2 mei 2012 met parketnummer 05-700652-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.G. de Jong, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist met uitzondering van de aan verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan en met dien verstande dat het vonnis van de rechtbank als volgt dient te worden aangevuld/verbeterd:
1.
Anders dan de rechtbank verklaart het hof in plaats van “dat fietspad” “die fietsstrook” bewezen. Het hof is van oordeel dat daarmee niet iets wezenlijk anders is bewezen verklaard dan ten laste is gelegd.
2.
Met de rechtbank gaat het hof er van uit dat de auto die verdachte inhaalde op dat moment reed en niet – zoals door de verdediging is betoogd – optrok op het moment dat verdachte die auto inhaalde. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verschillende verklaringen die daaromtrent bij de politie zijn afgelegd door [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. Nu deze verklaringen kort na het ongeval zijn afgelegd en ze over de toedracht van het ongeval eensluidend zijn, doet het feit dat getuige [getuige 5] ruim twee jaar na het ongeval ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat in haar ogen de auto die werd ingehaald stil stond daar naar het oordeel van het hof niet aan af temeer daar deze getuige in haar verklaring kort na het ongeval geen verklaring hieromtrent heeft afgelegd.
Met inachtneming van het voorgaande bevestigt het hof het vonnis met overneming van gronden, behalve voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan.
Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.
Het hof kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank aangaande de straf en maakt die tot de zijne. Anders dan de rechtbank ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en meer in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk te kunnen blijven doen, reden om de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geheel voorwaardelijk op te leggen. Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer zal het hof ter compensatie daarvan wel een werkstraf opleggen van langere duur dan de rechtbank heeft opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafbestaande uit een werkstraf voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr M. Otte, voorzitter,
mr P.A.H. Lemaire en mr. K. Lindenberg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,
en op 29 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. K. Lindenberg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.