ECLI:NL:GHARL:2013:10046

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 december 2013
Publicatiedatum
9 januari 2014
Zaaknummer
21-005821-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
Verwijzingen
14 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens dodelijk verkeersongeval door te hoge snelheid

In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juni 2013 beoordeeld betreffende een verkeersongeval waarbij de verdachte met veel te hoge snelheid een auto bestuurde en een motorrijder aanreed, die daardoor overleed.

Het hof stelt vast dat de snelheid van de verdachte uitsluitend kan worden vastgesteld aan de hand van getuigenverklaringen, aangezien technisch onderzoek en berekeningen geen objectieve ondersteuning bieden. De verklaring van de verdachte over het moment van airbagsactivatie wordt terzijde geschoven vanwege gebrek aan bewijs en de hectiek van het moment. Getuigen omschreven het verkeersgedrag van verdachte vlak voor het ongeval als zeer gevaarlijk.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de motorrijder niet of niet tijdig heeft kunnen zien aankomen vanwege zijn hoge snelheid. Het hof bevestigt de overige gronden van de rechtbank, maar vernietigt de strafoplegging en doet in dat onderdeel opnieuw recht. De opgelegde straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, een taakstraf van 240 uur, en een ontzegging van de bevoegdheid tot motorrijtuigenbestuur voor twee jaar, waarvan een deel voorwaardelijk is.

Het hof houdt rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld en het ongeval niet gewild heeft, maar benadrukt de ernst van het feit en het grote leed voor de nabestaanden. De ontzegging wordt verhoogd vanwege de ernst, ondanks mogelijke belemmering van de werkzaamheden van verdachte.

Tot slot gelast het hof de teruggave van de inbeslaggenomen auto en bevestigt het vonnis voor het overige.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van twee jaar wegens een dodelijk verkeersongeval door te hoge snelheid.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005821-13
Uitspraak d.d.: 20 december 2013
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juni 2013 met parketnummer 16-600942-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

1.
Ter aanvulling van het vonnis van beroep en naar aanleiding van hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht overweegt het hof dat het met de rechtbank van oordeel is dat de snelheid van verdachte, in de zin dat die snelheid voorafgaand aan het ongeval zeer hoog is geweest, louter kan worden vastgesteld aan de hand van de getuigenverklaringen. Het technisch onderzoek biedt voor vaststelling van de snelheid geen aanknopingspunten. Dat laatste geldt ook voor de berekening zoals die door de raadsman in hoger beroep aan het hof is voorgehouden. In die berekening wordt namelijk uitgegaan van de verklaring van verdachte dat de airbags geactiveerd werden op het moment van de botsing. Bij gebrek aan enige objectieve ondersteuning daarvoor schuift het hof die verklaring terzijde, temeer daar gelet op de hectiek van het moment niet te verwachten valt dat verdachte op een dergelijk punt een goede waarneming heeft kunnen doen. Daarbij komt dat tegenover de lezing van verdachte meerdere getuigenverklaringen staan, ten aanzien waarvan het hof, gelet op de hoeveelheid verklaringen, alsmede de inhoud en de onderlinge consistentie daarvan, van oordeel is dat de rechtbank die terecht als uitgangspunt heeft genomen voor het bepalen van de feitelijke toedracht. Daartoe overweegt het hof nog in het bijzonder dat een van de getuigen verdachte op basis van zijn verkeersgedrag zeer kort
voorafgaandaan het ongeval als “idioot” aanmerkte en een andere getuige verdachte kwalificeerde als “eikel” en “ mongool” eveneens op basis van verdachtes verkeersgedrag zeer kort
voorafgaandaan het ongeval. Van dergelijke verklaringen kan niet gezegd worden dat de daarin gerelateerde waarnemingen zijn gekleurd door het uiteindelijk verwezenlijkte gevolg.
2.
Voorts acht het hof anders dan de rechtbank niet slechts
aannemelijkdat verdachte de motorrijder niet of niet tijdig heeft kunnen zien aankomen vanwege zijn hoge snelheid, maar op basis van bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.
Het hof is van oordeel dat de eerste rechter voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient dat vonnis in zoverre met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan.
Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft met een veel te hoge snelheid een auto bestuurd, waardoor hij een ongeluk heeft veroorzaak met een motorrijder, die ten gevolge van de aanrijding is komen te overlijden. Daarmee heeft verdachte de nabestaanden van het slachtoffer groot en onherstelbaar leed aangedaan, zoals de moeder van het slachtoffer op zitting ook namens de nabestaanden tot uitdrukking heeft gebracht. Bij het verkeersgedrag van verdachte dat uiteindelijk de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt past naar het oordeel van het hof een forse straf, zij het dat daarbij ook moet worden betrokken dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake enig strafbaar feit en hij het ongeval en de dood van het slachtoffer ook niet gewild heeft. Hoewel dit in het niet valt bij het gemis waarmee de nabestaanden moeten leven, geldt voor verdachte dat hij zal moeten leven in de wetenschap dat door zijn schuld een ander is komen te overlijden. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat - anders dan de landelijke oriëntatiepunten suggereren en uitzonderingsgevallen daargelaten – doorgaans bij zeer onvoorzichtig verkeersgedrag met dodelijk gevolg geen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd, zeker niet wanneer sprake is van een
first offender.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Voorts acht het hof aangewezen dat verdachte zal worden ontzegd motorrijtuigen te besturen. Nu het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege laat, ziet het hof aanleiding het onvoorwaardelijk gedeelte van die ontzegging te verhogen. De ernst van het feit en de gevolgen rechtvaardigen geen kortere ontzegging ook niet wanneer daardoor de werkzaamheden van verdachte worden bemoeilijkt of tijdelijk onmogelijk wordt gemaakt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafbestaande uit een werkstraf voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast de
teruggaveaan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: de in beslag genomen auto.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr M. Otte, voorzitter,
mr P.A.H. Lemaire en mr J.P. Bordes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,
en op 20 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 20 december 2013.
Tegenwoordig:
mr H. Abbink, voorzitter,
mr. J.W. Grimbergen, advocaat-generaal,
mr C.M.M. van der Waerden, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.