Uitspraak
de vader,
LJ&R.
1.[belanghebbende 1]
de moeder,
2.[belanghebbende 2],
het (netwerk)pleeggezin,
3.Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe,
BJZ,
ter griffie van het hof, welke brief ter zitting van het hof door de voorzitter is voorgelezen.
een jaar. De kinderrechter heeft bij deze beschikking voorts een machtiging
tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van [minderjarige] verleend met ingang van
27 juni 2012 voor een termijn van 6 maanden en het verzoek voor langere duur aangehouden. De rechtbank heeft op 21 december 2012 besloten de uithuisplaatsing bij de halfzus van [minderjarige] voort te zetten.
De vader voert aan dat er in de Wjz geen artikel 1 onder Pro f voorkomt. De term stichting komt in artikel 1 lid 1 Wjz Pro wel voor, maar het gaat dan om een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt, aldus de vader.
haar inleidende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]. Weliswaar heeft op grond van artikel 1:256 lid 2 BW Pro respectievelijk 1:262 lid 2 BW een beperkt aantal instanties, waaronder een stichting als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de Jeugdzorg de bevoegdheid om een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling respectievelijk een machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen en is het LJ&R, zoals de vader terecht stelt, niet zo'n instantie en met name niet een stichting in de zin van dat artikel, maar op grond van het Mandaatbesluit Bureaus jeugdzorg en de landelijk werkende instellingen kan BJZ deze bevoegdheid mandateren aan onder meer het LJ&R, hetgeen ook is gebeurd. Dit mandateringsbesluit is openbaar en ter inzage beschikbaar.
- in het bijzonder erover klaagt dat aan de rechtbank, gelet op de vermelding 'onder meer' in de beschikking waarvan beroep, kennelijk meer stukken zijn overgelegd, die niet door de kinderrechter ter zitting zijn vermeld, niet in die beschikking zijn genoemd en niet aan de vader en zijn advocaat ter beschikking zijn gesteld, en voorts bleek dat de kinderrechter - in tegenstelling tot de vader - beschikte over een omvangrijke brief van 11 juni 2013 van [belanghebbende 2], alsmede een brief van 9 juni 2013 van [minderjarige] en de vader hiervan ter zitting in eerste aanleg slechts vluchtig kennis kon nemen - heeft de vader, daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de wet en/of artikel 6 EVRM Pro en dat de goede procesorde is geschonden, geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, de vader heeft thans in hoger beroep de zaak ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen de beschikking van 26 juni 2013 kenbaar te maken. Voorts
strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.
12-jarige [minderjarige], overeenkomstig vaders wens weer bij hem komt wonen.
Het hof acht dit, ongeacht de vraag of de vader over de benodigde verzorgings-
en opvoedingscapaciteiten beschikt, gelet op de door het LJ&R geschetste zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en in aanmerking genomen dat [minderjarige] zelf bij herhaling te kennen heeft gegeven niet bij de vader te willen wonen, niet wenselijk. Het hof acht het, mede gelet op het feit dat [minderjarige], mede door zijn belaste verleden, een kwetsbare en angstige jongen is die moeite heeft met veranderingen en rust en veiligheid nodig heeft om emotioneel en cognitief verder te kunnen groeien in zijn ontwikkeling, zoals door het LJ&R aangegeven, van groot belang dat [minderjarige] zich in een rustige en veilige omgeving bevindt.
In het (netwerk)pleeggezin, zijnde het gezin van zijn halfzus, lijkt hij die rust en veiligheid gevonden te hebben. [minderjarige] kan hier zichzelf zijn en durft ook te zeggen hoe hij zich voelt en wat hij denkt, hetgeen in de woonsituatie bij zijn vader niet het geval was. Gebleken is dat [minderjarige] sinds zijn verblijf in het (netwerk)pleeggezin van zijn halfzus positieve stappen heeft doorgemaakt in zijn ontwikkeling. Het is in het belang van [minderjarige] dat die ontwikkeling niet wordt doorbroken door een thuisplaatsing bij de vader.
en A.W. Beversluis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van
19 december 2013 in bijzijn van de griffier.