In deze zaak verzocht de curator om een vergoeding van de reiskosten van de broers en zussen van de rechthebbende, die het syndroom van Down heeft en in een opvangvoorziening verblijft, ten laste van het vermogen van de rechthebbende. De kantonrechter wees dit verzoek af omdat de wettelijke regeling voor curatele alleen vergoeding aan de curator zelf toestaat.
De curator ging in hoger beroep en stelde dat het weigeren van vergoeding zou leiden tot minder bezoek aan de rechthebbende, wat slecht zou zijn voor diens welzijn. Ook wees hij op de beperkte financiële mogelijkheden van de familieleden en de hoge leeftijd van de moeder. De curator betoogde dat het niet redelijk is dat hij als chauffeur moet optreden voor de familieleden.
Het hof oordeelde dat de wettelijke regeling voor curatele geen voorziening biedt om reiskosten van familieleden ten laste van het vermogen van de rechthebbende te brengen. Ook de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Curatoren voorzien hierin niet. Daarnaast ontbrak het aan onderbouwing van de financiële situatie van de familieleden en een causaal verband tussen bezoekfrequentie en welzijn van de rechthebbende.
Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de kantonrechter en wees het hoger beroep van de curator af.