In deze civiele zaak stond een overeenkomst voor informaticaprestaties tussen appellanten en Proximedia centraal. Appellanten vorderden vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling, ontbinding wegens wanprestatie en stelden dat een ontbindingsvergoeding onredelijk bezwarend was. De kantonrechter wees deze vorderingen af, en het hof bevestigde dit oordeel.
Het hof oordeelde dat appellanten tijdig hadden geklaagd, waardoor de klachtplicht niet was geschonden. Het beroep op dwaling faalde omdat appellanten onvoldoende hadden gesteld dat zij over essentiële elementen van de overeenkomst waren misleid. De stelling dat Proximedia wanprestatie had gepleegd werd verworpen vanwege het ontbreken van een geldige ingebrekestelling en het feit dat tekortkomingen hersteld konden worden.
Met betrekking tot het beding dat bij tussentijdse beëindiging 60% van de resterende termijnen verschuldigd is, oordeelde het hof dat dit niet onredelijk bezwarend was. De vergoeding houdt rekening met de voorafgaande investeringen van Proximedia en is gebaseerd op bedrijfsgegevens die door accountants zijn beoordeeld. De grieven van appellanten werden dan ook verworpen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.