Uitspraak
[appellante],
1.Millenergy v.o.f.,
Millenergy v.o.f.,
2. KDE Engergy B.V.,
KDE Energy,
3. Windwise B.V.,
Windwise,
4. [geïntimeerde sub 4],
[geïntimeerde sub 4] of kortweg [geïntimeerde sub 4],
5.Aktivabedrijf Enexis Noord B.V.,
Enexis,
[geïntimeerde sub 4] c.s..
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
heeft op deze brief niet gereageerd.
3.Het geschil
4.De beoordeling van de grieven
primairdat partijen (van meet af aan) bedoeld hebben om niet direct na oprichting van de EDON/[geïntimeerde sub 4]-vennootschap een projectvennootschap op te richten, maar pas op een later moment (zie in het bijzonder de memorie van grieven onder 26). Aangevoerd wordt dat het ontwikkelen van windmolens veel tijd in beslag neemt voordat alle benodigde vergunningen en andere noodzakelijke toestemmingen en wijzigingen zijn verkregen. Daarmee verstrijkt volgens [appellante] regelmatig een periode van 8 tot 10 jaar. Overeenkomstig de verklaring van de voormalig directeur van Millenergy, [de voormalig directeur], zou het in de branche gebruikelijk zijn om een projectvennootschap pas op te richten zodra uitzicht bestaat op de realisatie van een project (zie de memorie van grieven onder 53). Dat is pas het geval, aldus [appellante], als de milieu- en bouwvergunning (en financiering) verkregen zijn. Aldus bestrijdt [appellante] dat de vordering tot oprichting van de exploitatievennootschap terstond na oprichting van de EDON-[geïntimeerde sub 4]-vennootschap opeisbaar was.
13-03-1981,
LJN:AG4158). Ook bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis. Deze uitleg dient niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het contract is gesteld, maar in praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dit geschrift als geheel in de desbetreffende kring van het maatschappelijk verkeer hebben, vaak wel van groot belang (vgl. HR 20 februari 2004,
LJN:AO1427 en HR 5 april 2013,
LJN:BY8101).
zo spoedig mogelijk na oprichtingde ontwikkeling van het project ter hand diende te nemen. Die activiteit bestaat blijkens de overeenkomst onder meer uit werkzaamheden die betrekking hebben op
'vergunningen e.d.welke noodzakelijk zijn om de in artikel 1.1 genoemde windparken als bouwklaar te realiseren'. Het ligt voor de hand - zoals [appellante] ook lijkt aan te nemen - dat daarmee met name wordt gedoeld op milieu- en bouwvergunningen. Het verweer van [appellante] tegen het beroep op verjaring komt er dus op neer dat partijen in strijd met deze expliciete taakomschrijving hebben bedoeld juist de totstandkoming van dergelijke vergunningen
af te wachtenvoordat de vennootschap zou worden opgericht. In het licht van het voorgaande is dat niet aannemelijk, temeer omdat van de zijde van [appellante] niet wordt toegelicht op wiens schouders de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van dergelijke vergunningen dan wel zou komen te liggen. Dat het in de windmolenbranche gebruikelijk zou zijn om met de oprichting van exploitatiemaatschappijen te wachten totdat de vereiste vergunningen zijn verkregen (wat wordt bestreden), is onverenigbaar met de bewoordingen van de overeenkomst. [appellante] heeft vooralsnog niet duidelijk gemaakt dat (en op grond waarvan) [geïntimeerde sub 4] c.s. had behoren te begrijpen dat ondanks die bewoordingen het de bedoeling van [appellante] was zich aan dat gebruik te conformeren en uit welke verklaringen of gedragingen van [geïntimeerde sub 4] c.s. [appellante] mocht afleiden dat deze daarmee instemde.
subsidiaireonderbouwing van de vordering, en niet als een verweer tegen het beroep op verjaring. Met dit betoog wordt de vordering immers gebaseerd op een gewijzigde overeenkomst, terwijl het beroep op verjaring is gebaseerd op de oorspronkelijke overeenkomst (die volgens [geïntimeerde sub 4] c.s. nooit is gewijzigd). Van deze nadere afspraak tot wijziging van de overeenkomst draagt [appellante] dan ook de stelplicht en bewijslast. Op grond van het navolgende kan niet al voorshands van het bestaan van deze nadere overeenkomst worden uitgegaan.
[appellante] brengt daartegen in dat [geïntimeerde sub 4] c.s. met de ontwikkeling van deze eerste fase vaart wilde maken en dat zij die procedure zelf niet wilde vertragen.
mee hebben ingestemddat de projectvennootschap niet ten behoeve van fase 1 - [plaats] Zuid - zou worden opgericht, zal zij tot dat bewijs worden toegelaten. Uit proceseconomische overwegingen zal het hof die bewijsopdracht combineren met de hiervoor onder 4.1.5. genoemde bewijsopdracht.
feitelijkook zonder de oprichting van deze vennootschap vorm had kunnen krijgen. De grieven falen.
5.De beslissing
mr. Zandbergen, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
beidepartijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de
roldatum van dinsdag 16 juli 2013, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;