Appellanten, een echtpaar, waren onder de wettelijke schuldsaneringsregeling geplaatst door de rechtbank Almelo. De rechtbank Overijssel beëindigde deze regeling tussentijds omdat zij oordeelde dat appellanten tijdens de regeling een bovenmatige schuld van € 2.382,75 hadden laten ontstaan door een schadeclaim van TVM Verzekeringen na een ongeval waarbij de echtgenoot betrokken was.
Appellanten betwistten dat zij schuld hadden aan het ongeval en dat TVM een vordering op hen kon baseren, mede omdat het rijbewijs van de echtgenoot mogelijk ongeldig was. Zij stelden bovendien dat zij in staat waren de schuld binnen de regeling af te lossen. De bewindvoerder handhaafde het standpunt dat sprake was van een bovenmatige schuld.
Het hof oordeelde dat uit de polisvoorwaarden van de verzekering blijkt dat TVM de schade aan de werkgever heeft uitgekeerd ondanks een uitsluiting wegens mogelijk ongeldig rijbewijs. Het hof vond niet aannemelijk dat TVM het bedrag van appellanten kan vorderen. Ook is niet vastgesteld dat appellanten een bovenmatige schuld hebben laten ontstaan. Bovendien leidt het huwelijk in gemeenschap van goederen niet automatisch tot gezamenlijke schuldenaarstelling.
Daarom vernietigde het hof het tussentijds beëindigingsvonnis en bepaalde dat de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet. Het hoger beroep van appellanten werd gegrond verklaard.