AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen verplichting tot zekerheidstelling proceskosten in hoger beroep voor geïntimeerde
In deze civiele procedure in hoger beroep vorderde appellant dat geïntimeerde zekerheid zou stellen voor de proceskosten op grond van artikel 224 RvPro. Geïntimeerde verweerde zich met een beroep op artikel 353 lid 2 RvPro, dat bepaalt dat de geïntimeerde in hoger beroep niet gehouden is tot zekerheidstelling, ook niet bij incidenteel beroep.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overwoog dat het verweer van geïntimeerde slaagt en dat de vordering van appellant om zekerheidstelling afwijzing verdient. Vervolgens veroordeelde het hof appellant in de kosten van het incident, begroot op € 894 aan advocaatkosten en nihil aan verschotten.
Het arrest werd in het openbaar uitgesproken en het hof verwees de hoofdzaak naar een latere rolzitting voor het indienen van de memorie van grieven door appellant. Hiermee bevestigde het hof de positie van geïntimeerde als niet gehouden tot zekerheidstelling in hoger beroep, conform de wettelijke regeling.
Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling van proceskosten door geïntimeerde in hoger beroep is afgewezen.
arrest van de eerste kamer van 2 juli 2013 in het incident tot zekerheidstelling
inzake
Theo [eiser],
wonend te Nieuwegein,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. M.H.G. Plieger,
tegen
de vennootschap naar Chileens recht
[A] S.A.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. P.H.N. van Spanje.
Partijen zullen hierna [eiser] en [verweerster] worden genoemd.
1.Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [verweerster] als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en verweerster in het incident en [eiser] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en eiser in het incident gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht respectievelijk rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 juni 2011, 7 september 2011, 4 april 2012 en 20 februari 2013.
2.Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 maart 2013;
de conclusie van eis in het incident ex artikel 224 RvPro;
de memorie van antwoord in het incident tot zekerheidstelling, met een productie.
2.2
Partijen hebben de stukken aan het hof overgelegd en arrest in het incident gevraagd. Daarop heeft het hof arrest in het incident bepaald.
3.De motivering van de beslissing in het incident
3.1
[eiser] heeft - zakelijk samengevat - gevorderd dat [verweerster] op de voet van artikel 224 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt verplicht om zekerheid te stellen voor de proceskosten in hoger beroep. [verweerster] heeft zich hiertegen, met een beroep op artikel 353 lid 2 RvPro, verweerd.
3.2
Het verweer van [verweerster] slaagt. [verweerster] is in de hoofdzaak in hoger beroep geïntimeerde. Ingevolge het bepaalde in artikel 353 lid 2 RvPro is de geïntimeerde in hoger beroep niet gehouden tot zekerheidstelling op grond van artikel 224 RvPro, zelfs niet bij het (eventueel) instellen van incidenteel beroep. Daarop stuit de incidentele vordering van [eiser] af.
3.3
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.
4.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
wijst de vordering in het incident af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil aan verschotten en op € 894,-- aan salaris van de advocaat;
verklaart dit arrest wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst de hoofdzaak naar de rol van 13 augustus 2013 voor memorie van grieven aan de zijde van [eiser].
Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, P.H. van Ginkel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2013.