De terbeschikkinggestelde was in beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland om zijn terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen. Hij stelde dat hij niet delictgevaarlijk was en dat het recidivegevaar, met name voor geweldsdelicten, laag was. Ook gaf hij aan dat de maatregel zijn sociale netwerk ondermijnde en hem onnodig beperkte in zijn bewegingsvrijheid, zoals reizen naar het buitenland.
Het openbaar ministerie stelde dat de terbeschikkingstelling niet onvoorwaardelijk beëindigd kon worden, omdat eerst een periode van minimaal een jaar voorwaardelijke beëindiging moest zijn doorlopen. Dit traject was nog gaande en het streven was om de maatregel volgend jaar onvoorwaardelijk te beëindigen.
Het hof oordeelde dat de verlenging terecht was, mede vanwege een wetswijziging per 1 juli 2013 die een minimale periode van voorwaardelijke beëindiging voorschrijft. De rechtbank had op goede gronden besloten en het hof bevestigde dit. Tevens merkte het hof op dat de maatregel met voorwaarden reizen naar het buitenland niet hoeft te verhinderen, mits dit in overleg met de reclassering gebeurt en dat voorwaarden tussentijds aangepast kunnen worden op verzoek van de officier van justitie.