In deze civiele zaak stond een geschil centraal over de betaling van schilderwerk aan een woning. De opdrachtgever had het buitenschilderwerk laten uitvoeren door de schilder, die na oplevering een factuur stuurde van €3.887,75. De opdrachtgever betaalde niet en voerde klachten aan over de kwaliteit van het werk, waaronder schade door regen en onvolkomenheden die volgens hem herstel behoefden.
De kantonrechter stelde dat de opdrachtgever alleen mocht weigeren te betalen indien er sprake was van schade die vergoed moest worden of een geldige ontbinding van de overeenkomst. Dit was niet het geval, waarna de rechter de vordering tot betaling toewijst. In hoger beroep betoogde de opdrachtgever dat hij de betaling mocht opschorten vanwege gebreken en stelde hij dat een andere schilder het werk moest afmaken. Het hof oordeelde dat een opschorting slechts is toegestaan voor zover de tekortkoming dat rechtvaardigt en dat klachten over zichtbare gebreken die bij oplevering niet zijn gemeld, niet tot opschorting leiden.
Het hof stelde vast dat de opdrachtgever niet tijdig schriftelijk had geklaagd en dat de schilder aansprakelijkheid voor gebreken die bij oplevering redelijkerwijs ontdekt hadden moeten worden, was ontslagen. Wel erkende het hof een beperkte schadepost van circa €100 voor herstel van regenschade, waarvoor de opdrachtgever gedeeltelijk werd ontlast. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter alleen voor dit bedrag en veroordeelde de opdrachtgever tot betaling van €3.787,75 plus wettelijke rente. De rest van het vonnis werd bekrachtigd en de opdrachtgever werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.