ECLI:NL:GHARL:2013:6556

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 september 2013
Publicatiedatum
5 september 2013
Zaaknummer
KS 240992753098 5-9-13
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 313 SvArt. 314 SvArt. 68 SrArt. 422 SvArt. 423 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake wijziging tenlastelegging oplichting en witwassen

In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in Groningen, waarin verdachte werd veroordeeld voor oplichting. Tijdens de behandeling werd de tenlastelegging gewijzigd door toevoeging van medeplegen van gewoontewitwassen en verduistering. De politierechter stond deze wijziging toe en vervolgde het onderzoek zonder dat verdachte hiervan op de hoogte was gesteld.

De verdediging stelde dat deze wijziging niet toelaatbaar was omdat het niet hetzelfde feit betrof in de zin van artikel 313 Sv Pro en artikel 68 Sr Pro, en omdat de wijziging niet aan verdachte was betekend, wat een schending van zijn verdedigingsrechten betekende. Het hof heeft de juridische aard van de feiten en de gedragingen van verdachte vergeleken en geoordeeld dat oplichting, witwassen en verduistering wel degelijk hetzelfde feit betreffen in de zin van de wet.

Desondanks oordeelde het hof dat de politierechter het onderzoek niet had mogen voortzetten zonder kennisgeving aan verdachte van de wijziging, gezien de ingrijpendheid daarvan. De zaak is daarom vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Noord-Nederland om met inachtneming van dit arrest opnieuw recht te doen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling met inachtneming van het arrest.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 24-002753-09
Uitspraak d.d.: 5 september 2013
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 15 oktober 2009 in de strafzaak met parketnummer 18-652478-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],
wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 25 februari 2011, 13 juli 2011 en 22 augustus 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. E.J. Kuiters, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Wijziging van de tenlastelegging

Ter zitting van 15 oktober 2009 heeft de politierechter in de rechtbank Groningen - na verlening van verstek tegen verdachte - de vordering van de officier van justitie tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen en het onderzoek aanstonds voortgezet.
Ter zitting van het hof d.d. 22 augustus 2013 heeft de raadsman van verdachte zich op het standpunt gesteld dat de wijziging tenlastelegging ontoelaatbaar is, omdat de wijziging niet "hetzelfde feit" in de zin van artikel 313, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) oplevert. Bovendien betrof het een wezenlijke wijziging, zodat de politierechter de wijziging in elk geval aan verdachte had moeten doen betekenen, aldus de raadsman. De raadsman heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank Noord-Nederland.
De vordering tot wijziging van de tenlastelegging houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende in. Aan het tenlastegelegde medeplegen van oplichting in feit 1 is cumulatief het medeplegen van gewoontewitwassen toegevoegd. Aan het tenlastegelegde medeplegen van oplichting in feit 2 is cumulatief het medeplegen van witwassen toegevoegd. Aan het tenlastegelegde medeplegen van oplichting in feit 3 is subsidiair het medeplegen van verduistering toegevoegd.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’, dient de rechter in de situatie waarop artikel 313 Sv Pro ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken.
Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr Pro. (Vgl. HR 1 februari 2011, LJN BM9102 , NJ 2011/394 en HR 26 april 2013, LJN BZ8645, NJ 2013, 281).
Naar het oordeel van het hof lopen zowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde feit" in de zin van artikel 68 Sr Pro. De strafbaarstellingen van oplichting en (gewoonte)witwassen en van oplichting en verduistering strekken immers mede ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Bovendien lopen de strafmaxima niet zodanig uiteen dat kan worden gezegd dat de aard van het verwijt een andere is.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de politierechter de wijziging van de tenlastelegging op grond van artikel 313, tweede lid, Sv terecht heeft toegelaten.
Het hof is evenwel van oordeel dat de politierechter - gezien de ingrijpendheid van de wijziging en de afwezigheid van verdachte - op grond van artikel 314, eerste lid, Sv het onderzoek ter terechtzitting niet had mogen voortzetten nu niet kan worden geoordeeld dat de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. De politierechter had het onderzoek moeten schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de wijzigingen en zich daartegen te verdedigen.
Nu van de zijde van verdachte nadrukkelijk om terugwijzing is verzocht, zal het hof - met analoge toepassing van artikel 423 Sv Pro - de zaak terugwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. O. Anjewierden, voorzitter,
mr. W. Foppen en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kuiper, griffier,
en op 5 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.