Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Op 26 september 2005 vond een kop-staartbotsing plaats tussen de door appellant bestuurde Fiat Punto en de door geïntimeerde 2 bestuurde Mitsubishi nabij een verkeerslicht in de gemeente. Appellant stelde dat hij stil stond voor een rood licht en dat geïntimeerde 2 te laat remde, waardoor de aanrijding ontstond. Hij baseerde zijn stelling mede op een door beide partijen ondertekend aanrijdingsformulier waarop stond aangegeven dat het stoplicht rood was en de Fiat stilstond.
De rechtbank had appellant een bewijsopdracht gegeven om aan te tonen dat geïntimeerde 2 onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte door niet tijdig te remmen. Appellant slaagde hier niet in, waarna de rechtbank zijn vorderingen afwees. In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank de bewijskracht van het aanrijdingsformulier miskende en dat getuigenverklaringen en filmbeelden zijn stelling ondersteunen.
Het hof oordeelde dat het aanrijdingsformulier, als onderhandse akte, dwingend bewijs levert dat appellant voor het rode licht stond, tenzij dit bewijs wordt ontzenuwd. Het hof vond dat de verklaringen van ooggetuige, geïntimeerde 2 en haar dochter het bewijs van appellant ontzenuwden. De verklaring van appellant en zijn broer waren onvoldoende om het bewijs te ondersteunen. Filmbeelden konden het oordeel niet wijzigen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant onvoldoende bewijs levert voor aansprakelijkheid van geïntimeerde 2 en wijst het hoger beroep af.