ECLI:NL:GHARL:2013:6861

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 september 2013
Publicatiedatum
18 september 2013
Zaaknummer
KS 24-000407-12 4-9-13
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens onzorgvuldig handelen in strafzaak ongewenstverklaring

In deze strafzaak stelde het openbaar ministerie een dossier samen voor de politierechter zonder daarin belangrijke stukken op te nemen, namelijk de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het beroepschrift tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaarde en de beschikking van de IND die de ongewenstverklaring opheft. Deze stukken waren ten tijde van de behandeling bij de politierechter reeds bekend.

De raadsman van verdachte voerde een preliminair verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, omdat de vervolgingsbeslissing onzorgvuldig was genomen. De advocaat-generaal sloot zich hierbij aan. Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie had moeten zorgen dat deze relevante stukken aan de politierechter werden voorgelegd of dat er in ieder geval melding van werd gemaakt tijdens de zitting.

Het ontbreken van deze informatie in het dossier en het niet vermelden hiervan tijdens de zitting was dermate onzorgvuldig dat het recht van verdachte op een eerlijke behandeling was geschaad. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging wegens onzorgvuldig handelen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 24-000407-12
Uitspraak d.d.: 4 september 2013
TEGENSPRAAK
Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 12 januari 2011 in de strafzaak met parketnummer 17-880375-10 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],
wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof een preliminair verweer gevoerd, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. De raadsman heeft hiertoe een aantal stukken overgelegd, waaronder de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 oktober 2010, waarbij het beroepschrift tegen het (oorspronkelijke) besluit tot ongewenstverklaring d.d. 7 december 2009 gegrond is verklaard, en de beschikking van de IND d.d. 23 december 2010, waarbij de ongewenstverklaring van verdachte is opgeheven. Uit deze stukken volgt – aldus de raadsman – dat de vervolgingsbeslissing als onzorgvuldig aan te merken is, nu de dagvaarding dateert van na de gegrondverklaring van het beroepschrift door de rechtbank ’s-Gravenhage en ten tijde van de behandeling in eerste aanleg tevens de beschikking van de IND tot opheffing van de ongewenstverklaring bekend was.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting verklaard de raadsman in zijn verweer te volgen. De advocaat-generaal komt eveneens tot het standpunt dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.
De uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, d.d. 20 oktober 2010 en de beschikking van de IND d.d. 23 december 2010 tot opheffing van de ongewenstverklaring zijn stukken die bekend waren voordat de onderhavige zaak op 12 januari 2011 werd behandeld bij de politierechter in de rechtbank Leeuwarden. Het betreffen twee stukken die uitermate relevant zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak door de politierechter. Het lag op de weg van het openbaar ministerie om deze stukken voor te leggen aan de politierechter dan wel van het bestaan daarvan melding te maken ter terechtzitting van de politierechter. Dat is echter niet geschied.
Voorts merkt het hof op dat het bevreemding wekt dat uit de zeer recente informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), die door de advocaat-generaal aan het dossier is toegevoegd, in het geheel niets blijkt van deze – voor de beoordeling van onderhavige zaak – zeer relevante omstandigheden.
Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie, door aan de politierechter een dossier aan te bieden waarin deze informatie ontbrak en daarvan ook ter terechtzitting van de politierechter geen gewag te maken, dermate onzorgvuldig heeft gehandeld in het licht van een behoorlijke procesorde en het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat hem het vervolgingsrecht moet worden ontzegd. Het hof zal, met vernietiging van het vonnis van de politierechter, het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging .

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,
en op 4 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. O. Anjewierden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.