ECLI:NL:GHARL:2013:7353

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 september 2013
Publicatiedatum
2 oktober 2013
Zaaknummer
CR 200.129.372-01 19-9-2013
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:258 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling

De ouders zijn gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen die onder toezicht van Bureau Jeugdzorg (BJZ) zijn gesteld. BJZ heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verkregen vanwege ernstige zorgen over hun verzorging en opvoeding. De vader is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking.

Het hof oordeelt dat BJZ het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft geschonden, mede omdat er meerdere keren gebruik is gemaakt van een tolk en de vader zelf een vertrouwenspersoon inschakelde. De stelling dat BJZ eenzijdig feiten heeft weergegeven wordt verworpen, aangezien ook het standpunt van de ouders is opgenomen en het besluit mede is gebaseerd op bevindingen van derden.

De kinderen vertoonden ernstige ontwikkelingsachterstanden, zoals een taal-/spraakachterstand, onvoldoende stimulering, obesitas en een ongezond gebit. De gezinssituatie was sociaal geïsoleerd en financieel zorgelijk. De moeder verbleef tijdelijk in een blijf-van-mijn-lijfhuis en vertrok met de kinderen naar België zonder vaste verblijfplaats, wat de hulpverlening bemoeilijkte.

Het hof concludeert dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Minder ingrijpende maatregelen zijn onvoldoende gebleken, mede door het gebrek aan openheid en medewerking van de ouders. De beschikking wordt daarom bekrachtigd.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen wordt bekrachtigd.

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 september 2013
Zaaknummer 200.129.372
HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Leeuwarden
Beschikkingin de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen:
de vader,
advocaat mr.drs. M. Erkens, kantoorhoudende te Rotterdam,
tegen

Bureau Jeugdzorg Flevoland,

kantoorhoudende te Lelystad,
geïntimeerde,
hierna te noemen:
BJZ.
Belanghebbende:

[de moeder],

feitelijk verblijvende te [woonplaats],
hierna te noemen:
de moeder.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 4 april 2013 (zaaknummer C/16/339791 / JL RK 13-202) heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, aan de gezinsvoogdij-instelling een machtiging verleend om de minderjarigen [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren [in 2008] en [de minderjarige 2] (hierna: [de minderjarige 2]), geboren [in 2010], (naar het hof begrijpt:) met ingang van 4 april 2013 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 28 juni 2013, heeft de vader verzocht de beschikking van 4 april 2013 te vernietigen en opnieuw beslissende het inleidend verzoek van BJZ af te wijzen.
Het verweerschrift van BJZ is ingediend op 6 augustus 2013. Dit is binnen de gestelde termijn nu, naar uit de administratie van het hof is gebleken, voor het indienen van het verweerschrift uitstel is verleend tot voornoemde datum.
BJZ heeft het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van 18 juli 2013 van BJZ.
Ter zitting van 22 augustus 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en [tolk], tolk in de Irakees-Arabische taal. Mevrouw [namens BJZ 1] en mevrouw [namens BJZ 2] zijn namens BJZ verschenen. De moeder is eveneens verschenen.
Mr. Erkens heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie.
De beoordeling
De vaststaande feiten
1.
De ouders zijn [in 2006] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [de minderjarige 2] geboren. De ouders zijn met het gezamenlijk gezag over de kinderen belast. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hoewel de moeder geen geldige verblijfstitel voor Nederland heeft, verblijft zij feitelijk op het adres van de vader.
2.
De kinderen zijn bij beschikking van 26 juni 2012 - op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) - onder toezicht gesteld van BJZ voor de duur van een half jaar. De ondertoezichtstelling is nadien bij beschikking van
20 december 2012 verlengd met ingang van 26 december 2012 voor de duur van één jaar (derhalve tot 26 december 2013).
3.
Bij beschikking van 27 december 2012 - hetgeen een schriftelijke vastlegging is van de mondelinge beslissing van de kinderrechter op 24 december 2012 - is aan BJZ een machtiging verleend tot spoeduithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 24 december 2012 tot 8 januari 2013. Vervolgens is bij beschikking van 3 januari 2013 een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een crisisvoorziening verleend met ingang van 8 januari 2013 tot 27 maart 2013. Deze machtigingen zijn echter niet geëffectueerd, daar de moeder op 19 december 2012 met de kinderen vanuit het 'blijf-van-mijn-lijf-huis' - alwaar zij sinds 21 november 2012 met de kinderen verbleef - naar België is vertrokken en het niet bekend was waar de moeder en de kinderen verbleven.
4.
BJZ heeft de kinderrechter bij inleidende verzoeken, bij de griffie van de rechtbank binnengekomen op 11 maart 2013, verzocht [minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleegzorg voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling, ingaande 28 maart 2013.
5.
Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter beslist als hiervoor vermeld onder 'Het geding in eerste aanleg'. Het hoger beroep van de vader richt zich tegen deze beslissing.
6.
De kinderen zijn op 2 mei 2013 in afzonderlijke pleeggezinnen geplaatst, nadat BJZ door de Belgische politie was getipt dat de moeder en de kinderen mogelijk bij de vader verbleven.
De overwegingen
7.
De vader meent dat BJZ onzorgvuldig heeft gehandeld door zich niet te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het hof volgt de vader daarin niet en overweegt daartoe als volgt.
8.
Hoewel de vader stelt dat er niet altijd een Irakees-Arabische tolk aanwezig is geweest bij de gesprekken van BJZ, blijkt naar het oordeel van het hof uit het dossier dat BJZ meerdere malen gebruik heeft gemaakt van ofwel een Irakees-Arabische tolk ofwel een Marokkaans-Arabische tolk (beiden zowel in persoon als telefonisch). Daar de ouders onderling in de Marokkaans-Arabische taal communiceren, is hiermee naar het oordeel van het hof niet het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Daarnaast is de medewerker van GGZ Stip, [medewerker],
- die eveneens Arabisch spreekt - meerdere malen mee geweest naar de huisbezoeken van de gezinsvoogd. De vader heeft daarenboven op meerdere momenten zelf een vertrouwenspersoon meegenomen die de gesprekken en de correspondentie met BJZ voor de vader heeft vertaald. Hoewel een aantal telefonische gesprekken gevoerd zijn zonder tolk, is volgens BJZ bij het merendeel van de gesprekken - in ieder geval bij belangrijke gesprekken - een tolk aanwezig geweest, hetgeen door de vader niet, dan wel onvoldoende is weersproken. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor niet door BJZ geschonden is. Ook de stelling van de vader dat een aantal feiten eenzijdig worden weergegeven door BJZ, waardoor inhoudelijk een onjuist beeld wordt geschetst, volgt het hof niet. In de door BJZ opgestelde stukken worden, naast de zorgen van BJZ, ook steeds het standpunt van de vader (of de ouders) over deze zorgen weergegeven. Daarenboven blijkt uit het dossier dat het besluit van BJZ niet alleen gegrond is op de eigen bevindingen van BJZ, doch ook op de bevindingen van anderen (waaronder de medewerker van GGZ Stip en de wijkagent). Het hof is dan ook van oordeel dat er bij de totstandkoming van het besluit van BJZ om een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verzoeken, geen sprake is van schending van het zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel.
9.
Voor zover de vader erover klaagt dat de kinderrechter de beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd heeft de vader - daargelaten het antwoord op de vraag of de kinderrechter de beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd - geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, de vader heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 4 april 2013 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.
De machtiging tot uithuisplaatsing
10.
Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarigen.
11.
De vader meent weliswaar dat er geen sprake is van ernstige problematiek die een uithuisplaatsing van de kinderen zou rechtvaardigen, doch uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de kinderen - alvorens zij uit huis werden geplaatst - ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. [minderjarige 1] (destijds 4 jaar oud) had een taal-/spraakachterstand van twee jaar. Zij sprak nauwelijks Nederlands of Arabisch. [minderjarige 1] probeerde dingen duidelijk te maken door te wijzen en te gebaren. Daarnaast scoorde [minderjarige 1] onvoldoende op de Wiechentest (kruipen, lopen en blokken pakken). Er waren ook zorgen over de taal-/spraakontwikkeling van [de minderjarige 2] (destijds 2 jaar oud). [de minderjarige 2] huilde of gilde om duidelijk te maken wat zij van de ouders wilde. De ouders gaven [de minderjarige 2] op het moment dat zij huilde meteen te eten. De moeder gaf [de minderjarige 2] teveel zoete tussendoortjes (te weten: chocoladekoek en gevulde koek). [de minderjarige 2] was te zwaar voor haar leeftijd en neigde naar obesitas. Bij [de minderjarige 2] hadden geen reguliere controles plaatsgevonden. [minderjarige 1] had een ongezond gebit; het leek op tandbederf. Daarnaast toonde [minderjarige 1] geen gepaste afstand bij vreemden. Zo klom [minderjarige 1] tot twee keer toe bij een voor haar vreemde gezinsvoogd op schoot. De kinderen hadden daarenboven geen vast slaap- of waakritme. [minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gingen op bed en stonden op wanneer zij dit wilden. Zij gingen niet naar school of een peuterspeelzaal. Weliswaar ging [minderjarige 1] vanaf november 2011 tot februari 2012 naar de peuterspeelzaal, doch de vader heeft haar in februari 2012 doen uitschrijven, omdat de peuterspeelzaal niet goed op [minderjarige 1] zou letten (zij ging volgens de vader zonder jas naar buiten in de winter en kreeg alleen maar fruit te eten).
12.
De kinderen werden bovendien nauwelijks gestimuleerd door de ouders. De ouders lieten [minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een groot gedeelte van de dag televisie kijken. De kinderen hadden geen contacten met andere kinderen. Het gezin maakt de indruk sociaal geïsoleerd te zijn. De moeder ging slechts een paar keer per week met de kinderen naar buiten om een wandeling te maken. De financiële situatie van het gezin is eveneens zorgelijk te noemen. Het gezin moet zien rond te komen van een eenpersoonsuitkering, omdat de moeder geen verblijfsvergunning heeft. De ouders wonen daardoor in een één-kamerappartement. Er is maar één slaapkamer, waardoor de moeder met de kinderen in bed sliep en de vader op een matras op de grond. Er bestaan tevens zorgen over de relatie tussen de ouders. De moeder is wisselend in haar verhalen hieromtrent. De moeder is in overleg met BJZ op
21 november 2012 met de kinderen naar een blijf-van-mijn-lijfhuis gegaan, omdat zij vertelde dat zij fysiek mishandeld werd door de vader in het bijzijn van de kinderen en ook door hem gedwongen werd om tegen haar wil geslachtsgemeenschap met hem te hebben. Thans geeft de moeder aan dat deze verhalen niet waar zijn en dat zij dit alleen heeft verteld omdat zij hoopte dat zij daardoor in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning. Daarnaast zou zij dit, naar eigen zeggen, verteld hebben uit angst voor de gezinsvoogd.
13.
Daarbij komt ook nog dat de moeder op 19 december 2012 met de kinderen uit het blijf-van-mijn-lijfhuis is vertrokken. Aangezien de kinderen reeds onder toezicht stonden van BJZ, heeft de moeder de noodzakelijke hulpverlening onmogelijk gemaakt. De moeder had daarenboven in België geen vaste verblijfsplaats, zodat zij enige tijd met de kinderen overdag bij verschillende kennissen heeft verbleven. Zij verbleef 's nachts met de kinderen in een daklozenopvang in Antwerpen. Hierdoor hadden de kinderen niet een vaste verblijfplaats. In ieder geval is niet gebleken dat dit anders was. De handelwijze van de moeder kan absoluut niet in het belang van de kinderen worden geacht. De handelwijze van de vader is eveneens in strijd met de belangen van de kinderen geweest. Immers, hij heeft BJZ niet geïnformeerd over de verblijfplaats van de moeder, terwijl hij daar - zoals hij zelf aangeeft - op enig moment van op de hoogte geraakte.
14.
Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [de minderjarige 2], zodat de kinderrechter deze terecht heeft verleend. Dat de kinderen thans weer in Nederland zijn, doet hieraan niet af. Immers, ook voordat de moeder met de kinderen uit het blijf-van-mijn-lijfhuis vertrok, bestonden er dermate grote zorgen over de opvoedingssituatie van de kinderen, dat dit naar het oordeel van het hof reeds voldoende grond vormde voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen.
15.
De stelling van de vader dat er minder ingrijpende maatregelen voorhanden zijn, bijvoorbeeld door middel van het geven van een aanwijzing ex artikel 1:258 BW Pro in het kader van de ondertoezichtstelling, treft geen doel. Weliswaar brengt een ondertoezichtstelling een beperking van het ouderlijk gezag met zich, waardoor de ouders niet meer vrij zijn in het nemen van opvoedkundige beslissingen en zij zich moeten voegen naar de aanwijzingen van BJZ, doch gelet op de gang van zaken rondom het vertrek van de moeder uit het blijf-van-mijn-lijfhuis is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat niet langer kon worden volstaan met de maatregel van de ondertoezichtstelling. Hoewel de vader aangeeft open te staan voor hulp, blijkt naar het oordeel van het hof uit de door de vader overgelegde lijst met hulpvragen richting BJZ (productie 3 bij het beroepschrift) genoegzaam dat hij slechts open staat voor materiële- en/of praktische hulp. Het is echter in het belang van de kinderen dat de ouders zich openstellen voor communicatie met BJZ, zich meewerkend opstellen en waar nodig hulp zullen accepteren ten aanzien van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Slotsom
16.
Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. van der Meer, mr. J.G. Idsardi en
mr. S. Rezel, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van
19 september 2013 in bijzijn van de griffier.