ECLI:NL:GHARL:2013:7355

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 oktober 2013
Publicatiedatum
3 oktober 2013
Zaaknummer
200.131.409
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 onder f Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onttrekking reserveringspotje

In deze zaak staat de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling voor appellanten centraal. De rechtbank had de regeling beëindigd omdat appellanten tijdens het minnelijk traject en na ondertekening van het verzoek tot toepassing van de regeling forse bedragen van hun rekening bij de Stadsbank hadden opgenomen, zonder deze ten goede te laten komen aan hun schuldeisers.

Appellanten voerden aan dat zij niet wisten dat opname van het reserveringspotje niet was toegestaan en dat zij het geld voornamelijk besteedden aan noodzakelijke uitgaven voor hun in 2011 geboren tweeling. Zij boden aan het bedrag terug te betalen en vroegen om verlenging van de regeling.

Het hof oordeelde dat appellanten hadden behoren te begrijpen dat het reserveringspotje bedoeld was voor schuldeisers en dat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de uitgaven dringend noodzakelijk waren. Ook erkenden zij bewust belastingteruggaven niet via de Stadsbank te hebben laten lopen. Het hof concludeerde dat de regeling op grond van artikel 350 lid 3 onder Pro f Fw terecht was beëindigd, omdat appellanten niet te goeder trouw waren geweest en onvoldoende vertrouwen hadden gewekt in nakoming van hun verplichtingen.

Een verlenging van de regeling om terugbetaling mogelijk te maken werd afgewezen omdat terugbetaling uit het vrij te laten bedrag moet plaatsvinden en niet uit toekomstig inkomen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens onttrekking van gelden aan het reserveringspotje zonder ten behoeve van schuldeisers te zijn aangewend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.131.409
(zaaknummers rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, C08/12/643 en 644 R)
arrest van de eerste civiele kamer van 3 oktober 2013
inzake
[appellant sub 1],
en
[appellant sub 2],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
advocaat: mr. A.F. van den Berg.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
Bij vonnissen van de rechtbank Almelo van 20 december 2012 is ten aanzien van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.L.J. Koopmans en tot bewindvoerder H.J. Koop.
1.2
Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 30 juli 2013 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] tussentijds beëindigd en is vastgesteld dat [appellanten] in staat van faillissement zullen verkeren zodra dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij ter griffie van het hof op 6 augustus 2013 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 30 juli 2013 en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat de toepassing van de schuldsaneringsregelingen niet wordt beëindigd.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlage, alsmede van de brieven met bijlage(n) van mr. Van den Berg van 5 en 9 september 2013 en van de brief van de bewindvoerder van 26 augustus 2013 met bijlagen.
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 september 2013, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun advocaat. Voorts is de bewindvoerder verschenen.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 1], geboren op [geboortedatum], en [appellant sub 2], geboren op [geboortedatum], tussentijds beëindigd, omdat vast is komen te staan dat [appellanten] tijdens het minnelijk traject en ook nadat zij een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hadden ondertekend, forse bedragen, in totaal ruim € 4.800,-, van hun rekening bij de Stadsbank hebben opgenomen. Als die niet-saneringsgezinde houding ten tijde van de behandeling van de schuldsaneringsregeling bekend zou zijn geweest, zouden de verzoeken zijn afgewezen, aldus de rechtbank.
3.2
[appellanten] kunnen zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Zij
stellen dat zij niet hebben geweten dat het niet was toegestaan om geld uit het zogenoemde reserveringspotje bij de Stadsbank op te nemen. Zij hadden van de Stadsbank toestemming om de reserveringen naar vrij inzicht te besteden. Zij zijn nooit op de risico’s gewezen. Zij hebben het geld in hoofdzaak besteed aan aankopen in verband met de geboorte van hun tweeling in 2011. Zij zijn bereid om het opgenomen bedrag terug te betalen en willen eventueel een verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
3.3
Het hof oordeelt als volgt. Het mag zo zijn dat een medewerker van de Stadsbank hen
heeft medegedeeld dat zij vrij over de inleg van het zogenoemde reserveringspotje van de Stadsbank mochten beschikken, maar dat neemt niet weg dat [appellanten] hadden behoren te begrijpen dat het, gelet op het weekgeld van € 80,- waarvan zij in het kader van de schuldhulpverlening dienden rond te komen, de bedoeling was het reserveringspotje zoveel mogelijk ten behoeve van de schuldeisers aan te wenden. [appellanten] hebben in oktober 2011 een intakegesprek gevoerd bij de Stadsbank; in de op 2 januari 2012 door hen ondertekende overeenkomst tot schuldregeling is opgenomen:
(…)
3. De schuldenaar is verplicht om ten behoeve van de uitvoering van het financieel beheer door de schuldregelende instelling zijn volledige inkomen, van welke aard dan ook, over te maken naar een betalingsrekening op zijn naam bij de schuldregelende instelling, nader te noemen “de Betalingsrekening”
(…)
Het hof is van oordeel dat [appellanten], gelet op het bovenstaande en op hun destijds bestaande wens hun schulden te saneren, zoveel mogelijk inkomen -en daartoe behoort ook zoals in het onderhavige geval een uitgekeerde spaarloonregeling- dienden te sparen voor hun schuldeisers. [appellanten] hebben verklaard dat zij de opgenomen bedragen (€ 3.800,- in de periode van 10 mei 2012 tot 10 december 2012) voornamelijk hebben besteed aan spullen voor hun in 2011 geboren tweeling. Zij hebben naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit allemaal dringend noodzakelijke uitgaven zijn geweest, dan wel dat zij die spullen niet op een andere, goedkopere wijze hadden kunnen aanschaffen.
3.4
[appellanten] hebben erkend dat zij bewust twee teruggaves van de
belastingdienst op hun eigen bankrekening hebben laten overmaken en niet, zoals zij op grond van de door hen getekende overeenkomst met de Stadsbank van 2 januari 2012 hadden behoren te doen, naar de rekening bij de Stadsbank, omdat zij – volgens hun verklaring – geen vertrouwen meer hadden in de Stadsbank. [appellanten] hebben desgevraagd niet, dan wel onvoldoende inzichtelijk gemaakt waaraan zij die belastingteruggaves hebben besteed.
3.5
Het hof is van oordeel dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 1] en
[appellant sub 2] op grond van artikel 350, lid 3 onder f Fw dient te worden beëindigd, aangezien de hiervoor omschreven feiten ten aanzien van de opnames uit het zogenoemde reserveringspotje en de buiten de boedelrekening gehouden belastingteruggaves, die reeds bestonden op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, indien zij destijds bekend waren geweest, reden zouden zijn geweest het desbetreffende verzoek af te wijzen. Immers, doordat [appellanten] de gelden uit het zogenoemde reserveringspotje bij de Stadsbank en de belastingteruggaves, voor een totaalbedrag van ruim € 4.800,-, niet ten goede hebben laten komen aan de schuldeisers maar aan andere zaken, hebben zij in zoverre hun schuldeisers niet te goeder trouw onbetaald gelaten. Zij hebben daarmee voorts onvoldoende vertrouwen gegeven dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zouden nakomen en dat zij zich voldoende zouden inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.6
Het hof ziet evenmin aanleiding om de regeling met een eventuele verlenging van de
looptijd voort te zetten om [appellanten] op die wijze de kans te bieden het bedrag van ruim € 4.800,- alsnog terug te betalen. Laatstgenoemd bedrag dient namelijk, zoals de bewindvoerder terecht heeft gesteld, conform de regels van de wettelijke schuldsaneringsregeling, uit het vrij te laten bedrag te worden terugbetaald en niet, zoals [appellant sub 2] heeft gesteld, uit het door haar te genereren extra inkomen na een mogelijke uitbreiding van haar dienstverband in de toekomst. Een dergelijke mogelijke inkomensverhoging dient immers ten goede te komen aan de boedelrekening. Dat [appellanten] in staat zouden zijn € 4.800,- uit het vrij te laten bedrag te sparen, is gesteld noch gebleken.
3.7
De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen geen doel. Van omstandigheden op grond waarvan de schuldsaneringsregeling zou moeten voortduren is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 30 juli 2013.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, M.B. Beekhoven van den Boezem en Ch.E. Bethlem, en is op 3 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.